Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/9.4.7
9.4.7 Bedrog, begunstiging of andere oneerlijke middelen
mr. A.M. Mennens , datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192587:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Art. 153 lid 2 sub 3 en 272 lid 2 sub 3 Fw.
Die overeenkomst zelf is nietig op grond van art. 3:40 BW. Van een dergelijke overeenkomst kan in rechte geen nakoming worden gevorderd. Hetgeen reeds betaald is kan als onverschuldigd terug worden gevorderd. De benadeelde schuldeisers kunnen bovendien schadevergoeding vorderen van de partijen bij de sluipovereenkomst. Vgl. Soedira 2011, p. 155-156; Leuftink 1995, p. 283.
Van der Feltz II, p. 177; Wessels Insolventierecht VI 2013/6118-6120; Soedira 2011, p. 155-156; Hilverda 2009, p. 414-417.
Van der Feltz II, p. 177.
Hilverda 2009, p. 216: “Onder een sluipakkoord of een sluipovereenkomst moet klaarblijkelijk worden verstaan een overeenkomst tussen de gefailleerde of een derde en een of meer schuldeisers die over het door de gefailleerde aangeboden gerechtelijke akkoord mogen stemmen. Hierbij worden ten behoeve van de aanneming van het akkoord aan die schuldeisers meer voordelen toegezegd dan waarop dit akkoord hen recht geeft.” Vgl. ook de beschrijving die Soedira van een sluipovereenkomst geeft: “Nu dient een sluipakkoord overigens wel te worden onderscheiden van een akkoord waarin wordt afgeweken van de paritas creditorum. Met dit laatste wordt immers niets buiten de schuldeisers om gedaan, maar wordt in alle openheid inbreuk gemaakt op de paritas creditorum. Dit in tegenstelling tot een ‘sluipakkoord’, waarbij de schuldenaar met een of een aantal schuldeisers buiten het akkoord om, afspraken maakt om voor het akkoord te stemmen in ruil voor meerdere percenten dan het akkoordpercentage of door de belofte van integrale betaling.” Vgl. Soedira 2011, p. 102-103 en 155-156.
De schuldeiser die toetreedt tot een “ten gevolge van een overeenkomst hetzij met de schuldenaar, hetzij met een derde, waarbij hij bijzondere voordelen heeft bedongen” pleegt tevens een strafbaar feit, zo volgt uit art. 345 lid 1 Sr. Uit lid twee blijkt dat ook de schuldenaar of diens bestuurders of commissaris strafbaar is.
513. Indien het akkoord door bedrog, begunstiging of andere oneerlijke middelen tot stand is gekomen, weigert de rechter homologatie. Art. 384 lid 2 sub g Fw is woordelijk overgenomen uit de regeling van het surseance- en faillissementsakkoord.1
Het gaat erom dat de voor het akkoord vereiste meerderheid door een bepaalde manier van manipulatie tot stand komt. Er is een causaal verband vereist tussen de ‘sluipovereenkomst’2 en het aannemen van het akkoord.3 In de parlementaire geschiedenis wordt als voorbeeld van een dergelijk sluipakkoord de situatie beschreven waarin de kleinere schuldeisers integraal worden voldaan, teneinde hen te bewegen vóór het akkoord te stemmen.4 Met “begunstiging” heeft de wetgever het oog gehad op de situatie waarin bepaalde schuldeisers die door het akkoord worden geraakt buiten het akkoord om bijzondere voordelen worden geboden, teneinde die schuldeisers te bewegen vóór het akkoord te stemmen.5 Sluipakkoorden zijn overigens ook strafrechtelijk gesanctioneerd.6