Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/8.1
8.1 Inleiding
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270147:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het begrip ‘ongeoorloofde samenloop’ is uitgewerkt in § 1.5.2.3. Het gaat dan niet om samenloop die via de wet mogelijk is gemaakt en/of die de rechter door zijn straftoemeting niet alsnog ‘recht trekt’, maar om samenloop ‘via een omweg’.
Zie § 3.2.2.
Zie § 3.2.3.
Zie § 5.2.
Zie § 7.2.2. en 7.2.3.
Zie § 7.2.4.
Zie voor het overzicht van de analyse van dit onderzoeksobject en de gesignaleerde problemen § 3.3.4 en 3.5.
Zie voor het overzicht van de analyse van dit onderzoeksobject en de gesignaleerde problemen § 5.3.12. en 5.4.
Zie voor het overzicht van de analyse van dit onderzoeksobject en de gesignaleerde problemen § 7.3.5 en 7.4.
De hoofdvraag binnen dit onderzoek luidt als volgt: In hoeverre is het Nederlandse systeem van sanctionering van fiscale fraude juridisch houdbaar? Na bestudering van het systeem van sanctionering van fiscale fraude, is deze vraag voortgekomen uit de constatering van de combinatie van:
de van oudsher bestaande diversificatie binnen het fiscale handhavingskader (een duaal rechtshandhavingsbestel);
een vermeend aanhoudend rechtshandhavingstekort in, met name de strafrechtelijke, handhavingspraktijk; en
de actuele maatschappelijke cultuur van verharding, ook in de fiscale wereld.
De genoemde drie factoren, die samen de aanleiding voor dit onderzoek vormden, zijn in dit onderzoek allereerst vertaald naar een drietal juridische uitgangspunten.
Ze hebben geleid tot:
een discussie over de vormgeving van de forumkeuze binnen (onder andere) het fiscale duale rechtshandhavingsbestel,
het ontstaan van een wildgroei aan sanctiemodaliteiten en sanctioneringsmogelijkheden binnen de fiscale rechtshandhaving en
een veranderd/veranderend beeld over welke fiscale normen onder de noemer van fiscale fraude vallen en dus gehandhaafd zouden moeten worden.
Deze drie uitgangspunten dienen in dit onderzoek als vertrekpunt bij het beantwoorden van de vraag naar de juridische inkadering van het systeem van sanctionering van fiscale fraude. Op grond van deze uitgangspunten wordt aangenomen dat er een druk is op de houdbaarheid van het bestaande systeem van sanctionering van fiscale fraude.
Het doel van dit onderzoek is te bepalen in hoeverre van voldoende juridische inkadering van het systeem van sanctionering van fiscale fraude sprake is. Vervolgens is met dit onderzoek bovendien beoogd waar mogelijk aanbevelingen te doen voor wat betreft herziening van het bestaande systeem van sanctionering van fiscale fraude, met het oog op een verbetering van de repressieve fiscale rechtshandhaving met het oog op alle belangen die met dat laatste zijn gediend. Zoals in de inleiding van dit onderzoek is beschreven: een juridisch houdbaar systeem kan rekenen op minder weerstand van diegenen die aan dit systeem onderworpen zijn, dan een systeem waarin onhoudbaarheden te onderkennen zijn. Waar in het fiscale de overheidsfinanciën in het geding zijn, is die weerstand en de mate waarin die bestaat, bepaald van belang.
Een juridisch houdbaar systeem garandeert duidelijkheid ten aanzien van de werking ervan en waarborgt de adequate onderlinge afstemming van de verschillende systeemonderdelen. Juridisch gezien ligt de focus van dit onderzoek daarmee op de inzichtelijkheid van de werking van het systeem van sanctionering van fiscale fraude en de manier waarop ongeoorloofde of onwenselijke samenloop van fiscale sanctioneringsmogelijkheden wordt c.q. kan worden voorkomen.1 De volgende toetsmaatstaven zijn voor dit onderzoek gebruikt: (i) de voorzienbaarheid van sanctionering van fiscale fraude en (ii) de onderlinge afstemming van sanctioneringsmogelijkheden in het licht van het voorkomen van ongeoorloofde samenloop. Deze toetsmaatstaven zijn vertaald naar een onderzoek naar de werking en betekenis van het legaliteitsbeginsel (lex certa),2 de beginselen van behoorlijke procesorde,3 het ne bis in idem-beginsel (met daarbinnen zowel de jurisprudentie inzake het onderscheiden van feiten,4 als de jurisprudentie inzake het kwalificeren van sancties als criminal charge als bedoeld in art. 6 EVRM5) en als afgeleide daarvan het una via-beginsel.6
In hoeverre kan het bestaande systeem van sanctionering van fiscale fraude vanuit deze beginselen worden bekritiseerd en getoetst en van aanbevelingen tot verbetering worden voorzien? De beantwoording van deze vragen vereiste in de eerste plaats een schets van de inrichting van het bestaande recht betreffende de sanctionering van fiscale fraude, alsmede iets van de achtergrond en ontwikkeling van dat recht in de loop der tijd. In dit achtste hoofdstuk volgen thans de overkoepelende beschouwingen en de (concrete) aanbevelingen. Deze kunnen een aanzet geven tot discussie over de (verbetering van de) juridische houdbaarheid van (één van) de hiervoor benoemde onderdelen en daarmee van het systeem van sanctionering van fiscale fraude in het algemeen.
De nadere indeling van dit achtste hoofdstuk is als volgt:
In paragraaf 8.2. volgen de conclusies en aanbevelingen ten aanzien van het onderdeel systeem/forumkeuze. De aanbevelingen beogen te voorzien in een duidelijker keuzemodel dat de forumkeuze begeleidt.7
In paragraaf 8.3. volgen de conclusies en aanbevelingen in de sfeer van de typering van fiscaal frauduleus gedrag. Deze aanbevelingen beogen te voorzien in meer duidelijkheid over de inhoud van het begrip fiscale fraude en de vertaling daarvan naar delicten en over de typering van de afzonderlijke fiscaal frauduleuze gedragingen in het licht van het begrip hetzelfde feit (omdat dubbele vervolging van eenzelfde feit verboden is).8
In paragraaf 8.4 volgen de conclusies en aanbevelingen met betrekking tot sanctionering van fiscale fraude. Deze aanbevelingen beogen te voorzien in een betere onderlinge afstemming van sancties en sanctioneringsmogelijkheden, die bijdraagt aan de voorzienbaarheid van sanctionering en aan het voorkomen van ongeoorloofde of onwenselijke samenloop van bestraffing in verband met noties van eenzelfde feit.9
De opbouw van de paragrafen 8.2 t/m 8.4 is telkens als volgt:
Steeds wordt onder de noemer van bevindingen, met terugverwijzing naar de relevante hoofdstukken, de probleemanalyse nog eens samengevat weergegeven (8.2.1, 8.3.1. en 8.4.1.);
Vervolgens wordt onder de noemer van beschouwingen in algemene zin verwoord tot welke conclusies de probleemanalyse heeft geleid en tot welke aanbevelingen deze analyse aanleiding geeft (8.2.2, 8.3.2. en 8.4.2.);
Daarna volgen onder de noemer van aanbevelingen de concrete aanbevelingen. Ook wordt in voorkomende gevallen toegelicht op welke specifieke punten van een – bijvoorbeeld door andere auteurs wel gesuggereerde – aanbeveling wordt afgezien en om welke reden een bepaalde aanbeveling niet aangewezen is (8.2.3, 8.3.3. en 8.4.3.);
Afgesloten wordt telkens met de presentatie van een aanzet tot een nieuw systeem van sanctionering van fiscale fraude (8.2.4, 8.3.4. en 8.4.4.). De verschillende elementen van het onderzoek, voorzien van conclusies en aanbevelingen, worden daarin opnieuw geordend tot een kwalitatief beter gesystematiseerd geheel van delicten, (keuze in) fora voor handhaving en sancties en sanctionering.
Kortom: in het bijzonder wordt met dit achtste hoofdstuk, als verwerking van de resultaten van de voorafgaande hoofdstukken, beoogd in het bestaand geheel betreffende de rechtshandhaving ter zake van fiscale fraude weer het nodige systeem aan te brengen, zulks ter bevordering van alle belangen die met een systematische inrichting zijn gediend.