Procestaal: Duits.
General Court, 13-05-2026, nr. T-150/25
ECLI:EU:C:2026:397
- Instantie
General Court
- Datum
13-05-2026
- Magistraten
M. Sampol Pucurull, T. Pynnä, J. Laitenberger, M. Stancu, W. Valasidis
- Zaaknummer
T-150/25
- Conclusie
J. martín y pérez de nanclares
- Roepnaam
G (Rétroactivité d’une décision RTC)
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2026:397, Uitspraak, General Court, 13‑05‑2026
ECLI:EU:T:2026:39, Conclusie, General Court, 21‑01‑2026
Uitspraak 13‑05‑2026
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Douane-unie — Douanewetboek van de Unie — Recht op beroep — Artikel 44, lid 4, van verordening (EU) nr. 952/2013 — Beschikking inzake bindende tariefinlichtingen — Beroep in rechte — Correctie — Terugwerkende kracht
M. Sampol Pucurull, T. Pynnä, J. Laitenberger, M. Stancu, W. Valasidis
Partij(en)
In zaak T-150/25, *
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Verwaltungsgerichtshof (hoogste bestuursrechter, Oostenrijk) bij beslissing van 30 januari 2025, ingekomen bij het Hof op 21 februari 2025, in de procedure
Zollamt Österreich
tegen
G GmbH,
wijst
HET GERECHT (Vijfde kamer, zitting hebbend met vijf rechters),
samengesteld als volgt: M. Sampol Pucurull (rapporteur), president, T. Pynnä, J. Laitenberger, M. Stancu en W. Valasidis, rechters,
advocaat-generaal: J. Martín y Pérez de Nanclares,
griffier: P. Cullen, administrateur,
gelet op de doorzending door het Hof van het verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Gerecht op 7 maart 2025 overeenkomstig artikel 50 ter, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie,
gelet op de in artikel 50 ter, eerste alinea, onder c), van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde materie en het ontbreken van een opzichzelfstaande uitleggingsvraag in de zin van artikel 50 ter, tweede alinea, van dat Statuut,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 10 december 2025,
gelet op de opmerkingen van:
- —
G GmbH, vertegenwoordigd door W. Gappmayer, Rechtsanwalt,
- —
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door S. Fiorentino als gemachtigde, bijgestaan door F. Meloncelli, avvocato dello Stato,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Demeneix en B. Eggers als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 januari 2026,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 33, 34, 44 en 45 van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB 2013, L 269, blz. 1, met rectificatie in PB 2020, L 317, blz. 41) (hierna: ‘douanewetboek van de Unie’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen G GmbH en het Zollamt Österreich (douanekantoor Oostenrijk; hierna: ‘douanekantoor’) betreffende de tariefindeling van stuwbanden voor eenmalig gebruik bij een beschikking inzake bindende tariefinlichtingen (hierna: ‘BTI-beschikking’).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
De overwegingen 26 en 27 van het douanewetboek van de Unie luiden:
- ‘(26)
Teneinde een evenwicht te bereiken tussen enerzijds de noodzaak dat douaneautoriteiten de correcte toepassing van de douanewetgeving verzekeren en anderzijds het recht van marktdeelnemers op een billijke behandeling, dienen de douaneautoriteiten uitgebreide controlebevoegdheden en de marktdeelnemers een recht op beroep te verkrijgen.
- (27)
Overeenkomstig het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie [(hierna: ‘Handvest’)] dient eenieder niet alleen het recht te hebben om beroep in te stellen tegen een beschikking van de douaneautoriteiten, maar ook het recht te hebben om te worden gehoord voordat een voor hem ongunstige beschikking wordt getroffen. […]’
4
Afdeling 3, ‘Beschikkingen betreffende de toepassing van de douanewetgeving’, van hoofdstuk 2 onder titel I van het douanewetboek van de Unie bevat de artikelen 22 tot en met 37.
5
Artikel 33, ‘[BTI-beschikkingen]’, van dat wetboek bepaalt in lid 1:
‘De douaneautoriteiten geven op aanvraag [BTI-beschikkingen] […] af.
[…]’
6
Artikel 34, ‘Beheer van [BTI-beschikkingen]’, van het douanewetboek van de Unie bepaalt in de leden 1 en 3 tot en met 6:
- ‘1.
Een BTI-beschikking verliest haar geldigheid voor het einde van de in artikel 33, lid 3, bedoelde periode indien zij niet langer in overeenstemming is met het geldende recht, ten gevolge van één van de volgende gevallen:
- a)
de wijziging van de nomenclaturen, als bedoeld in artikel 56, lid 2, onder a) en b);
- b)
de vaststelling van maatregelen als bedoeld in artikel 57, lid 4;
met ingang van de datum waarop de wijziging of de maatregelen van toepassing wordt of worden.
[…]
- 3.
[BTI-beschikkingen] verliezen hun geldigheid niet met terugwerkende kracht.
- 4.
In afwijking van artikel 23, lid 3, en artikel 27 worden [BTI-beschikkingen] nietig verklaard indien zij op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de aanvrager zijn gegeven.
- 5.
[BTI-beschikkingen] worden ingetrokken overeenkomstig artikel 23, lid 3, en artikel 28. Dergelijke beschikkingen worden echter niet ingetrokken als de houder van de beschikking daarom verzoekt.
- 6.
[BTI-beschikkingen] kunnen niet worden gewijzigd.’
7
Afdeling 6, ‘Beroep’, van hoofdstuk 2 onder titel I van het douanewetboek van de Unie bevat de artikelen 43 tot en met 45.
8
Artikel 44, ‘Recht op beroep’, van dat wetboek luidt als volgt:
- ‘1.
Eenieder heeft het recht beroep in te stellen tegen beschikkingen van de douaneautoriteiten die betrekking hebben op de toepassing van de douanewetgeving en die hem rechtstreeks en individueel raken.
[…]
- 2.
Het recht op beroep kan in ten minste twee fasen worden uitgeoefend:
- a)
eerst bij de douaneautoriteiten of een rechterlijke instantie dan wel een andere instantie die daartoe door de lidstaten is aangewezen;
- b)
vervolgens bij een hogere onafhankelijke instantie die overeenkomstig de in de lidstaten geldende bepalingen een rechterlijke instantie dan wel een gelijkwaardige gespecialiseerde instantie kan zijn.
[…]
- 4.
De lidstaten dragen er zorg voor dat de beroepsprocedure een snelle bevestiging of correctie van door de douaneautoriteiten gegeven beschikkingen mogelijk maakt.’
9
Artikel 45, ‘Schorsing van de tenuitvoerlegging’, van het douanewetboek van de Unie bepaalt:
- ‘1.
Instelling van beroep heeft ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de aangevochten beschikking geen schorsende werking.
- 2.
De douaneautoriteiten schorsen evenwel de tenuitvoerlegging van de aangevochten beschikking geheel of gedeeltelijk indien zij gegronde redenen hebben om aan te nemen dat zij niet in overeenstemming is met de douanewetgeving of dat de betrokkene onherstelbare schade dreigt te lijden.
[…]’
Oostenrijks recht
10
In § 279 van de Bundesabgabenordnung (federaal belastingwetboek) is bepaald:
- ‘(1)
Behalve in de in § 278 bedoelde gevallen moet het Verwaltungsgericht [(bestuursrechter in eerste aanleg)] altijd bij wijze van vonnis over de zaak ten gronde beslissen. Het heeft het recht om zowel in het dictum als in de motivering zijn opvatting in de plaats te stellen van die van de belastingautoriteit en dienovereenkomstig de bestreden beschikking in elk opzicht te wijzigen, nietig te verklaren of het beroep tegen de beschikking als ongegrond te verwerpen.
- (2)
Door de nietigverklaring van de bestreden beschikking bevindt de procedure zich weer in de situatie waarin zij zich bevond voordat die beschikking werd vastgesteld.
[…]’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
11
Op 27 oktober 2022 heeft het douanekantoor op aanvraag van G een BTI-beschikking afgegeven voor een als ‘stuwband voor eenmalig gebruik’ omschreven goed dat het heeft ingedeeld onder code 4008 2190 00 van het geïntegreerd tarief van de Europese Unie, met een geldigheidsduur van 27 oktober 2022 tot en met 26 oktober 2025.
12
Op 22 november 2022 heeft G bezwaar gemaakt tegen de beschikking van het douanekantoor en aangevoerd dat de tariefindeling inhoudelijk onjuist was. Het douanekantoor heeft het bezwaar afgewezen.
13
Op 5 mei 2023 heeft G tegen de beschikking van het douanekantoor beroep ingesteld bij het Bundesfinanzgericht (federale belastingrechter in eerste aanleg, Oostenrijk). Bij beslissing van 12 maart 2024 heeft het Bundesfinanzgericht het beroep toegewezen en die beschikking gewijzigd door het betrokken goed in te delen onder code 4014 9000 00 van het geïntegreerd tarief van de Unie, met ingang van de datum waarop het douanekantoor die beschikking had afgegeven.
14
Het douanekantoor heeft tegen de beslissing van het Bundesfinanzgericht beroep in Revision ingesteld bij het Verwaltungsgerichtshof (hoogste bestuursrechter, Oostenrijk), de verwijzende rechter. Het douanekantoor stelt dat het Bundesfinanzgericht op grond van § 279 van de Bundesabgabenordnung de in punt 11 hierboven genoemde BTI-beschikking met terugwerkende kracht heeft willen wijzigen, hetgeen volgens het douanewetboek van de Unie, in het bijzonder artikel 34, leden 3 en 6, niet is toegestaan.
15
Volgens de verwijzende rechter was het Bundesfinanzgericht overeenkomstig § 279, lid 1, van de Bundesabgabenordnung bevoegd om zijn opvatting in de plaats te stellen van die van het douanekantoor en dienovereenkomstig de betrokken beschikking met terugwerkende kracht te wijzigen tot de datum waarop die door het douanekantoor was afgegeven.
16
De verwijzende rechter merkt evenwel op dat artikel 34, lid 4, van het douanewetboek van de Unie uitdrukkelijk bepaalt dat BTI-beschikkingen alleen met terugwerkende kracht nietig kunnen worden verklaard indien zij op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de aanvrager zijn gegeven. Bovendien stelt de verwijzende rechter vast dat, krachtens artikel 34, lid 3, van dat wetboek, BTI-beschikkingen hun geldigheid niet met terugwerkende kracht verliezen. Ten slotte merkt de verwijzende rechter op dat artikel 34, lid 6, van het douanewetboek van de Unie bepaalt dat BTI-beschikkingen niet kunnen worden gewijzigd.
17
De verwijzende rechter heeft evenwel twijfels over de vraag of artikel 34 van het douanewetboek van de Unie gevolgen heeft voor de beroepen die op grond van artikel 44 van dat wetboek worden ingesteld.
18
Tegen deze achtergrond heeft het Verwaltungsgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moeten de artikelen 33, 34, 44 en 45 van […] het douanewetboek van de Unie, gelet op het feit dat de lidstaten er overeenkomstig artikel 44, lid 4, van [dit wetboek] zorg voor dragen dat de beroepsprocedure een snelle bevestiging of correctie van door de douaneautoriteiten gegeven beschikkingen mogelijk maakt, aldus worden uitgelegd dat de beslissing op een krachtens artikel 44, lid 2, van [het douanewetboek van de Unie] ingesteld beroep tegen een overeenkomstig artikel 33 van [dit wetboek] gegeven [BTI-beschikking] terugwerkende kracht heeft tot de datum waarop het douanekantoor die [BTI-beschikking] heeft gegeven?
- 2)
Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: moeten de artikelen 33, 34, 44 en 45 van […] het douanewetboek van de Unie aldus worden uitgelegd dat de lidstaten in hun nationale procesrecht kunnen bepalen dat de beslissing op een krachtens artikel 44, lid 2, van [dit wetboek] ingesteld beroep tegen een overeenkomstig artikel 33 van [dit wetboek] gegeven [BTI-beschikking] terugwerkende kracht heeft tot de datum waarop het douanekantoor die [BTI-beschikking] heeft gegeven?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
19
Met zijn twee prejudiciële vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 44, lid 4, van het douanewetboek van de Unie aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale bepaling volgens welke de beslissing van een rechterlijke instantie waarbij overeenkomstig artikel 44, lid 2, van dit wetboek beroep is ingesteld tegen een BTI-beschikking, terugwerkende kracht heeft tot de datum waarop de douaneautoriteiten die beschikking hebben gegeven.
20
Overeenkomstig artikel 44, lid 1, van het douanewetboek van de Unie heeft de adressaat van een door de douaneautoriteiten vastgestelde beschikking betreffende de toepassing van de douanewetgeving het recht om tegen die beschikking beroep in te stellen.
21
Bovendien dragen de lidstaten er overeenkomstig artikel 44, lid 4, van het douanewetboek van de Unie zorg voor dat de beroepsprocedure een snelle bevestiging of correctie van door de douaneautoriteiten gegeven beschikkingen mogelijk maakt.
22
Hieruit volgt dat de beslissingen van de rechterlijke instanties tot gevolg hebben dat de bij hen bestreden BTI-beschikkingen hetzij worden bevestigd, in geval van verwerping van het beroep, hetzij worden gecorrigeerd, in geval van toewijzing van het beroep.
23
Vastgesteld dient echter te worden dat artikel 44, lid 4, van het douanewetboek van de Unie niet preciseert op welke wijze de correctie van BTI-beschikkingen moet plaatsvinden, aangezien het begrip ‘correctie’ niet wordt gedefinieerd en evenmin naar het nationale recht wordt verwezen.
24
Uit vaste rechtspraak blijkt dat de betekenis en de draagwijdte van begrippen waarvoor het Unierecht geen definitie geeft en waarvoor niet wordt verwezen naar het recht van de lidstaten, moeten worden bepaald in overeenstemming met de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis ervan, met inachtneming van de context waarin zij worden gebruikt en de doeleinden die worden nagestreefd door de regeling waarvan zij deel uitmaken [zie arrest van 20 november 2025, Servoprax (Medische stuwbanden), C-631/23, EU:C:2025:906, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
25
In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat in de omgangstaal het werkwoord ‘corrigeren’ wordt gedefinieerd als de handeling waarbij iets wordt verbeterd of gewijzigd om het juist of passend te maken.
26
Hoewel uit de bewoordingen van artikel 44, lid 4, van het douanewetboek van de Unie niet ondubbelzinnig kan worden opgemaakt of de daarin bedoelde correctie terugwerkende kracht heeft, moet echter worden opgemerkt dat een snelle correctie van een onrechtmatige BTI-beschikking kan leiden tot een wijziging met terugwerkende kracht van die beschikking. Op die manier verkrijgt de adressaat van de onjuiste BTI-beschikking immers een volledige correctie die er met name op gericht is dat de passende indeling wordt ingevoerd, aangezien de onjuiste BTI-beschikking wordt geacht nooit geldig te zijn geweest.
27
Bij gebreke van een andersluidende vermelding in de bewoordingen van artikel 44, lid 4, van het douanewetboek van de Unie, kan het begrip ‘correctie’ dan ook zo worden opgevat dat het een correctie met terugwerkende kracht niet uitsluit waarmee wordt beoogd om de BTI-beschikking de inhoud te geven die zij bij de vaststelling ervan had moeten hebben.
28
Wat in de tweede plaats de contextuele analyse betreft, moet ten eerste worden opgemerkt dat noch artikel 33 van het douanewetboek van de Unie noch artikel 34 van dit wetboek relevant kan zijn voor de beoordeling van de verenigbaarheid met het Unierecht van een nationale wettelijke regeling die bepaalt dat de beslissing van een rechterlijke instantie waarbij overeenkomstig artikel 44, lid 2, van dat wetboek beroep is ingesteld tegen een BTI-beschikking, terugwerkende kracht heeft tot de datum waarop de douaneautoriteiten die beschikking hebben gegeven.
29
De artikelen 33 en 34 van het douanewetboek van de Unie, enerzijds, en artikel 44 van dit wetboek, anderzijds, zijn immers opgenomen in verschillende afdelingen van het douanewetboek van de Unie. Eerstgenoemde bepalingen zijn namelijk opgenomen in afdeling 3 (‘Beschikkingen betreffende de toepassing van de douanewetgeving’) van hoofdstuk 2 onder titel I van dat wetboek, en laatstgenoemde bepaling in afdeling 6 (‘Beroep’) van hoofdstuk 2 onder titel I ervan.
30
Bovendien verleent artikel 33 van het douanewetboek van de Unie de bevoegdheid om BTI-beschikkingen af te geven aan de douaneautoriteiten van de lidstaten die belast zijn met de toepassing van de douanewetgeving. Voorts regelt artikel 34 van het douanewetboek van de Unie het beheer van BTI-beschikkingen, en meer in het bijzonder het verlies van de geldigheid, de intrekking, de wijziging of de nietigverklaring van de BTI-beschikkingen door de douaneautoriteiten. De rechterlijke instanties die overeenkomstig artikel 44 van het douanewetboek van de Unie bevoegd zijn om uitspraak te doen over beroepen tegen beschikkingen die door de douaneautoriteiten worden gegeven, moeten echter van deze laatste autoriteiten worden onderscheiden (zie in die zin arrest van 21 september 2023, OGL-Food Trade Lebensmittelvertrieb, C-770/21, EU:C:2023:690, punt 69).
31
Zoals de advocaat-generaal in punt 50 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan de werking in de tijd van beschikkingen van de douaneautoriteiten dus noch bepalend zijn voor noch enige invloed uitoefenen op de werking in de tijd van beslissingen van de rechterlijke instanties, aangezien de Uniewetgever de behandeling van de beslissingen van rechterlijke instanties niet heeft afgestemd op die van de beschikkingen van douaneautoriteiten.
32
Bijgevolg wordt de vraag of beslissingen die zijn genomen naar aanleiding van een overeenkomstig artikel 44, lid 2, van het douanewetboek van de Unie ingesteld beroep al dan niet terugwerkende kracht hebben, niet geregeld door de artikelen 33 en 34 van dat wetboek.
33
Ten tweede volgt uit artikel 45 van het douanewetboek van de Unie, dat is opgenomen in dezelfde afdeling als artikel 44 van dit wetboek, dat de douaneautoriteiten de tenuitvoerlegging van een BTI-beschikking waartegen beroep is ingesteld geheel of gedeeltelijk schorsen indien zij gegronde redenen hebben om aan te nemen dat die beschikking niet in overeenstemming is met de douanewetgeving of dat de betrokkene onherstelbare schade dreigt te lijden.
34
Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat de rechter bij wie een door het Unierecht beheerst geding aanhangig is, de mogelijkheid moet hebben om voorlopige maatregelen te gelasten ter verzekering van de volle werking van de uitspraak die moet worden gedaan over het bestaan van de rechten waarop krachtens het Unierecht een beroep wordt gedaan. Artikel 45 van het douanewetboek van de Unie doet dus niet af aan de bevoegdheid van de rechterlijke instanties waarbij krachtens artikel 44, lid 2, van dit wetboek een beroep is ingesteld, om de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking te schorsen teneinde te voldoen aan de op hen rustende verplichting om de volle werking van het Unierecht te verzekeren (zie in die zin arrest van 11 januari 2001, Kofisa Italia, C-1/99, EU:C:2001:10, punten 48 en 49).
35
Zoals de advocaat-generaal in punt 66 van zijn conclusie heeft opgemerkt, gaat de toekenning van de schorsing van de tenuitvoerlegging noodzakelijkerwijs gepaard met de mogelijkheid om de rechtspositie van de marktdeelnemers met terugwerkende kracht te herstellen teneinde te voorkomen dat zij onrechtmatige financiële schade lijden wanneer een oorspronkelijke beschikking onjuist blijkt te zijn.
36
Bijgevolg stelt artikel 45 van het douanewetboek van de Unie geen beperking aan de mogelijkheid van de rechtelijke instanties waarbij overeenkomstig artikel 44, lid 2, van dit wetboek beroep is ingesteld tegen een BTI-beschikking, om terugwerkende kracht toe te kennen aan de beslissing op dat beroep teneinde te voldoen aan hun verplichting om de volle werking van dat beroep te verzekeren.
37
In de derde plaats dient te worden opgemerkt dat een dergelijke uitlegging ook steun vindt in het doel van artikel 44 van het douanewetboek van de Unie, dat beoogt het recht van marktdeelnemers te waarborgen om beroep in te stellen tegen een beschikking van een douaneautoriteit.
38
Zoals blijkt uit de overwegingen 26 en 27 van het douanewetboek van de Unie, staat het immers aan de lidstaten om te voorzien in een stelsel van rechtsmiddelen waarmee de eerbiediging van het grondrecht op een doeltreffende rechterlijke bescherming, zoals gewaarborgd door artikel 47, eerste alinea, van het Handvest, kan worden verzekerd.
39
Welnu, een beroep kan niet als doeltreffend worden beschouwd indien het de situatie die uit een onrechtmatige BTI-beschikking voortvloeit niet ongedaan maakt en de marktdeelnemer die adressaat van deze beschikking is niet in de situatie plaatst waarin hij zich zou hebben bevonden indien de betrokken onrechtmatigheid niet had plaatsgevonden.
40
Zoals de advocaat-generaal in punt 62 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan het laten voortbestaan van de gevolgen van een als onrechtmatig beschouwde BTI-beschikking bovendien in strijd zijn met het recht op een doeltreffende rechterlijke bescherming, aangezien deze gevolgen worden gehandhaafd jegens een marktdeelnemer die nochtans binnen de gestelde termijnen beroep tegen die beschikking heeft ingesteld.
41
Zoals blijkt uit de punten 26 en 27 hierboven kan artikel 44, lid 4, van het douanewetboek van de Unie overigens niet eraan in de weg staan dat de rechterlijke instanties waarbij krachtens artikel 44, lid 2, van dit wetboek beroep is ingesteld, gelasten dat de beslissing op een beroep tegen een BTI-beschikking terugwerkende kracht heeft tot de datum waarop die beschikking door de douaneautoriteit is afgegeven, teneinde te voldoen aan hun verplichting om de volle werking van het Unierecht te verzekeren.
42
Voorts zij aan herinnerd dat de rechtszekerheid tot de in het Unierecht erkende algemene beginselen behoort. Dat een besluit van een bestuursorgaan definitief wordt na het verstrijken van redelijke beroepstermijnen of na uitputting van alle rechtsmiddelen, draagt bij tot die zekerheid. Bijgevolg vereist het Unierecht niet dat een bestuursorgaan in beginsel moet terugkomen op een besluit dat aldus definitief is geworden (arrest van 13 januari 2004, Kühne & Heitz, C-453/00, EU:C:2004:17, punt 24).
43
Zoals de advocaat-generaal in de punten 60 en 61 van zijn conclusie in herinnering heeft gebracht, eist het rechtszekerheidsbeginsel echter alleen dat de werking van een BTI-beschikking waartegen beroep is ingesteld pas definitief wordt wanneer het beroep definitief is verworpen of, indien geen beroep is ingesteld, bij het verstrijken van de daartoe vastgestelde termijnen. Het rechtszekerheidsbeginsel kan dus niet worden ingeroepen om te rechtvaardigen dat de gevolgen van een BTI-beschikking gehandhaafd blijven in de periode tussen de inwerkingtreding ervan en de toewijzing van het daartegen ingestelde beroep in rechte.
44
In tegenstelling tot hetgeen de Italiaanse regering stelt, te weten dat het moeilijk is om ervoor te zorgen dat alle andere lidstaten daadwerkelijk kennis hebben van een nationale rechterlijke beslissing tot nietigverklaring of correctie met terugwerkende kracht, dient voorts te worden opgemerkt dat overeenkomstig artikel 21, lid 1, van uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van het douanewetboek van de Unie (PB 2015, L 343, blz. 558) voor de uitwisseling en opslag van informatie in het kader van aanvragen en BTI-beschikkingen en elke daaropvolgende gebeurtenis die invloed kan hebben op de oorspronkelijke aanvraag of beschikking, een elektronisch systeem wordt gebruikt dat overeenkomstig artikel 16, lid 1, van het douanewetboek van de Unie voor deze doeleinden is opgezet. Derhalve wordt, zoals de Europese Commissie ter terechtzitting heeft bevestigd, bij nietigverklaring of wijziging van een BTI-beschikking als gevolg van een beslissing van een rechterlijke instantie de informatie door de betrokken douaneautoriteit in dit elektronisch systeem ingevoerd door middel van een met de BTI-beschikking verbonden ongeldigheidscode, samen met de desbetreffende datum, en wordt zij dus voor alle andere douaneautoriteiten zichtbaar.
45
Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord dat artikel 44, lid 4, van het douanewetboek van de Unie aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale bepaling volgens welke de beslissing van een rechterlijke instantie waarbij overeenkomstig artikel 44, lid 2, van dit wetboek beroep is ingesteld tegen een BTI-beschikking, terugwerkende kracht heeft tot de datum waarop de douaneautoriteiten die beschikking hebben gegeven.
Kosten
46
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Gerecht gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
HET GERECHT (Vijfde kamer, zitting hebbend met vijf rechters),
rechtdoende, verklaart:
Artikel 44, lid 4, van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich niet verzet tegen een nationale bepaling volgens welke de beslissing van een rechterlijke instantie waarbij overeenkomstig artikel 44, lid 2, van die verordening beroep is ingesteld tegen een beschikking inzake bindende tariefinlichtingen, terugwerkende kracht heeft tot de datum waarop de douaneautoriteiten die beschikking hebben gegeven.
Sampol Pucurull | Pynnä | Laitenberger |
Stancu | Valasidis |
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 13 mei 2026.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 13‑05‑2026
Conclusie 21‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Douane-unie — Douanewetboek van de Unie — Artikel 33 van verordening (EU) nr. 952/2013 — Beschikking inzake bindende tariefinlichtingen — Artikel 34, leden 3 tot en met 6, van verordening nr. 952/2013 — Verlies van geldigheid, nietigverklaring en intrekking van beschikkingen inzake bindende tariefinlichtingen — Artikel 44, lid 4, van verordening nr. 952/2013 — Beroep tegen een beschikking inzake bindende tariefinlichtingen — Correctie — Terugwerkende kracht van een rechterlijke beslissing
J. martín y pérez de nanclares
Partij(en)
Zaak T-150/251.
Zollamt Österreich
in tegenwoordigheid van:
G GmbH
[verzoek van het Verwaltungsgerichtshof (hoogste bestuursrechter, Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
De vraag naar de werking in de tijd van regels is een zeer klassiek thema in de rechtsleer. In feite geldt sinds het Romeinse recht het algemene beginsel dat ‘regels geen terugwerkende kracht hebben’2., in het bijzonder wanneer het regels betreft die sancties opleggen of rechten beperken. Het gaat hier om een van de basisfundamenten waarop het vereiste van zekerheid en rechtszekerheid berust. Het antwoord op de vraag naar de werking in de tijd van rechterlijke beslissingen is echter minder stellig, in het bijzonder in geval van beslissingen tot nietigverklaring van rechtshandelingen.
2.
Dit is juist de nieuwe vraag die in deze zaak centraal staat. Het Gerecht wordt namelijk in de gelegenheid gesteld om zich te buigen over de werking in de tijd van een beslissing die overeenkomstig artikel 44 van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie3. (hierna: ‘douanewetboek van de Unie’) door een nationale rechterlijke instantie is genomen over een beschikking inzake bindende tariefinlichtingen (hierna: ‘BTI-beschikking’).
3.
Een BTI-beschikking is een document waarmee de douaneautoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie marktdeelnemers op hun verzoek informeren over de (in de douanenomenclatuur voorziene) tariefpost waarin een goed moet worden ingedeeld wanneer die marktdeelnemers van plan zijn dit goed in of uit te voeren. Deze informatie, die een uitlegging van de gecombineerde nomenclatuur van goederen veronderstelt, stelt de marktdeelnemers in staat om de douanerechten te bepalen (welke zij mogelijk verschuldigd zijn) alsmede het bedrag van de uitvoerrestituties te berekenen (waarop zij in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid recht kunnen hebben).4.
4.
Deze praktijk is ingevoerd om een zekere rechtszekerheid aan de marktdeelnemers bij de uitoefening van hun activiteiten te verschaffen, maar ook om het werk van de douanediensten zelf te vergemakkelijken en een grotere eenvormigheid bij de toepassing van het douanerecht van de Unie te verkrijgen.5.
5.
Het hoofdgeding betreft een geding tussen een marktdeelnemer en het Zollamt Österreich (douanekantoor Oostenrijk; hierna: ‘douanekantoor’) over een BTI-beschikking. Beide partijen in het hoofdgeding zijn het namelijk niet eens over een tariefindeling van een goed dat door de marktdeelnemer wordt verhandeld.
6.
Het Bundesfinanzgericht (federale belastingrechter in eerste aanleg, Oostenrijk) heeft de vordering van de marktdeelnemer toegewezen en de BTI-beschikking gewijzigd.
7.
In het kader van een beroep in Revision vraagt de verwijzende rechter zich af of de beslissing van het Bundesfinanzgericht werking ex tunc heeft.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
8.
Overweging 26 van het douanewetboek van de Unie luidt: ‘Teneinde een evenwicht te bereiken tussen enerzijds de noodzaak dat douaneautoriteiten de correcte toepassing van de douanewetgeving verzekeren en anderzijds het recht van marktdeelnemers op een billijke behandeling, dienen de douaneautoriteiten uitgebreide controlebevoegdheden en de marktdeelnemers een recht op beroep te verkrijgen.’
9.
Artikel 33 van het douanewetboek van de Unie, met als opschrift ‘Beschikkingen betreffende [BTI]’, bepaalt in lid 1:
‘De douaneautoriteiten geven op aanvraag [BTI-beschikkingen] […].’
10.
Artikel 34, met als opschrift ‘Beheer van beschikkingen aangaande [BTI]’, luidt:
- ‘1.
Een BTI-beschikking verliest haar geldigheid voor het einde van de in artikel 33, lid 3, bedoelde periode indien zij niet langer in overeenstemming is met het geldende recht, ten gevolge van één van de volgende gevallen:
- a)
de wijziging van de nomenclaturen, als bedoeld in artikel 56, lid 2, onder a) en b);
- b)
de vaststelling van maatregelen als bedoeld in artikel 57, lid 4;
met ingang van de datum waarop de wijziging of de maatregelen van toepassing wordt of worden.
[…]
- 3.
[BTI-beschikkingen] verliezen hun geldigheid niet met terugwerkende kracht.
- 4.
In afwijking van artikel 23, lid 3, en artikel 27 worden [BTI-beschikkingen] nietig verklaard indien zij op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de aanvrager zijn gegeven.
- 5.
[BTI-beschikkingen] worden ingetrokken overeenkomstig artikel 23, lid 3, en artikel 28. Dergelijke beschikkingen worden echter niet ingetrokken als de houder van de beschikking daarom verzoekt.
- 6.
[BTI-beschikkingen] kunnen niet worden gewijzigd.
[…]’
11.
Artikel 43 van hetzelfde wetboek bepaalt:
‘De artikelen 44 en 45 zijn niet van toepassing op beroepen die zijn ingesteld met het oog op de nietigverklaring, intrekking of wijziging van een beslissing van een rechterlijke instantie of van een als een rechterlijke instantie optredende douaneautoriteit betreffende de toepassing van de douanewetgeving.’
12.
Artikel 44 van het douanewetboek van de Unie, met als opschrift ‘Recht op beroep’, luidt:
- ‘1.
Eenieder heeft het recht beroep in te stellen tegen beschikkingen van de douaneautoriteiten die betrekking hebben op de toepassing van de douanewetgeving en die hem rechtstreeks en individueel raken.
[…]
- 2.
Het recht op beroep kan in ten minste twee fasen worden uitgeoefend:
- a)
eerst bij de douaneautoriteiten of een rechterlijke instantie dan wel een andere instantie die daartoe […] is aangewezen;
- b)
vervolgens bij een hogere onafhankelijke instantie die […] een rechterlijke instantie dan wel een gelijkwaardige gespecialiseerde instantie kan zijn.
[…]
- 4.
De lidstaten dragen er zorg voor dat de beroepsprocedure een snelle bevestiging of correctie van door de douaneautoriteiten gegeven beschikkingen mogelijk maakt.’
13.
Artikel 45 van dit wetboek, met als opschrift ‘Schorsing van de tenuitvoerlegging’, bepaalt:
- ‘1.
Instelling van beroep heeft ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de aangevochten beschikking geen schorsende werking.
- 2.
De douaneautoriteiten schorsen evenwel de tenuitvoerlegging van de aangevochten beschikking geheel of gedeeltelijk indien zij gegronde redenen hebben om aan te nemen dat zij niet in overeenstemming is met de douanewetgeving of dat de betrokkene onherstelbare schade dreigt te lijden.
[…]’
B. Oostenrijks recht
14.
§ 279 van de Bundesabgabenordnung (Oostenrijks federaal belastingwetboek; hierna: ‘BAO’) luidt als volgt:
- ‘(1)
Behalve in de in § 278 bedoelde gevallen moet het Verwaltungsgericht altijd bij wijze van vonnis over de zaak ten gronde beslissen. Het heeft het recht om zowel in het dictum als in de motivering zijn opvatting in de plaats te stellen van die van de belastingautoriteit en dienovereenkomstig de bestreden beschikking in elk opzicht te wijzigen, nietig te verklaren of het beroep tegen de beschikking als ongegrond te verwerpen.
- (2)
Door de nietigverklaring van de bestreden beschikking bevindt de procedure zich weer in de situatie waarin zij zich bevond voordat die beschikking werd vastgesteld.
[…]’
III. Feiten van het hoofdgeding en verzoek om een prejudiciële beslissing
15.
Op 27 oktober 2022 heeft het douanekantoor op aanvraag van de vennootschap G GmbH (hierna: ‘G’) een BTI-beschikking gegeven voor een als ‘stuwband voor eenmalig gebruik’ omschreven goed dat hij heeft ingedeeld onder goederencode 4008 2190 00 met een aangegeven geldigheidsduur van 27 oktober 2022 tot en met 26 oktober 2025.
16.
Op 22 november 2022 heeft G bezwaar gemaakt tegen deze beschikking en aangevoerd dat de tariefindeling inhoudelijk onjuist was. Het douanekantoor heeft dit bezwaar afgewezen.
17.
Bij beslissing van 12 maart 2024 heeft het Bundesfinanzgericht het beroep van G toegewezen en de bestreden BTI-beschikking aldus gewijzigd dat het litigieuze goed onder goederencode 4014 9000 00 is ingedeeld.
18.
Het douanekantoor heeft tegen de beslissing van het Bundesfinanzgericht beroep in Revision ingesteld bij het Verwaltungsgerichtshof (hoogste bestuursrechter, Oostenrijk). Deze rechter is van mening dat het Bundesfinanzgericht met zijn op § 279 BAO gebaseerde beslissing de BTI-beschikking met terugwerkende kracht heeft willen wijzigen, hetgeen door het douanewetboek van de Unie, in het bijzonder artikel 34, leden 3 en 6, niet is toegestaan. Bovendien is in casu niet voldaan aan de in artikel 27, lid 1, van dit wetboek gestelde voorwaarden voor een intrekking met terugwerkende kracht van een BTI-beschikking.
19.
De verwijzende rechter merkt op dat het Bundesfinanzgericht overeenkomstig § 279, lid 1, BAO het recht heeft om zowel in het dictum als in de motivering zijn opvatting in de plaats te stellen van die van de belastingautoriteit en dienovereenkomstig de bestreden beschikking te wijzigen, nietig te verklaren of het beroep tegen deze beschikking als ongegrond te verwerpen. Bovendien heeft de beslissing van het Bundesfinanzgericht die in het hoofdgeding aan de orde is overeenkomstig § 279 BAO terugwerkende kracht tot de datum waarop de BTI-beschikking door het douanekantoor is gegeven, hetgeen in overeenstemming is met het in het Unierecht neergelegde beginsel van effectieve rechterlijke bescherming.
20.
De verwijzende rechter geeft evenwel in wezen aan dat het douanewetboek van de Unie in artikel 34 uitdrukkelijk heeft bepaald in welke gevallen een BTI-beschikking haar geldigheid verliest, wordt ingetrokken of wordt nietig verklaard en wat de werking in de tijd van dergelijke gebeurtenissen is. Hij wijst er daarbij op dat, overeenkomstig artikel 34, lid 5, van het douanewetboek van de Unie, BTI-beschikkingen niet worden ingetrokken op verzoek van de houder van de beschikking, dat zij volgens artikel 34, lid 3, van dat wetboek hun geldigheid niet met terugwerkende kracht verliezen en dat zij volgens artikel 34, lid 6, van het douanewetboek niet kunnen worden gewijzigd.
21.
In die omstandigheden heeft de verwijzende rechter twijfels over de vraag of de hierboven genoemde bepalingen van het douanewetboek van de Unie gelden voor beroepen die op grond van artikel 44 van dat wetboek worden ingesteld, en zo ja, in welk opzicht.
22.
Gelet hierop heeft het Verwaltungsgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en overeenkomstig artikel 267 VWEU de volgende prejudiciële vragen gesteld:
- ‘1)
Moeten de artikelen 33, 34, 44 en 45 van [het douanewetboek van de Unie], gelet op het feit dat de lidstaten er overeenkomstig artikel 44, lid 4, van [dit wetboek] zorg voor dragen dat de beroepsprocedure een snelle bevestiging of correctie van door de douaneautoriteiten gegeven beschikkingen mogelijk maakt, aldus worden uitgelegd dat de beslissing op een krachtens artikel 44, lid 2, van [het douanewetboek van de Unie] ingesteld beroep tegen een overeenkomstig artikel 33 van [dit wetboek] gegeven [BTI-beschikking] terugwerkende kracht heeft tot de datum waarop het douanekantoor die [BTI-beschikking] heeft gegeven?
- 2)
Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: moeten de artikelen 33, 34, 44 en 45 van [het douanewetboek van de Unie] aldus worden uitgelegd dat de lidstaten in hun nationale procesrecht kunnen bepalen dat de beslissing op een krachtens artikel 44, lid 2, van [dit wetboek] ingesteld beroep tegen een overeenkomstig artikel 33 van [dit wetboek] gegeven [BTI-beschikking] terugwerkende kracht heeft tot de datum waarop het douanekantoor die [BTI-beschikking] heeft gegeven?’
IV. Procedure bij het Hof en het Gerecht
23.
Dit verzoek om een prejudiciële beslissing is neergelegd ter griffie van het Hof op 21 februari 2025. Dit verzoek is overeenkomstig artikel 50 ter van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie doorgezonden aan het Gerecht.
24.
G, de Italiaanse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. De Commissie heeft deelgenomen aan de pleitzitting op 10 december 2025.
V. Juridische beoordeling
25.
Met zijn twee prejudiciële vragen, die ik samen zal onderzoeken, vraagt de verwijzende rechter zich in wezen af of een nationale bepaling, volgens welke de beslissing op een krachtens artikel 44, lid 2, van het douanewetboek van de Unie ingesteld beroep tegen een overeenkomstig artikel 33 van dit wetboek gegeven BTI-beschikking terugwerkende kracht heeft tot de datum waarop de douaneautoriteiten die BTI-beschikking hebben gegeven, verenigbaar is met het Unierecht.
26.
Om te beginnen lijkt het mij nuttig erop te wijzen dat de verwijzende rechter weliswaar preciseert dat het Bundesfinanzgericht krachtens § 279, lid 1, BAO de door de douaneautoriteiten gegeven BTI-beschikking kan wijzigen, maar niet vraagt of deze herzieningsbevoegdheid verenigbaar is met artikel 44 van het douanewetboek van de Unie6.. Hij tracht enkel vast te stellen wat de werking in de tijd is van door een nationale rechter vastgestelde beslissing inzake BTI.
27.
De verwijzende rechter verzoekt dus om uitlegging van artikel 44, lid 4, van het douanewetboek van de Unie. In het bijzonder wil hij weten of de door deze bepaling voorgeschreven correctie bij toewijzing van het beroep, terugwerkende kracht moet hebben en of de meer specifieke voorschriften van artikel 33 en artikel 34, leden 3 tot en met 6, van dit wetboek van invloed kunnen zijn op het op zijn vraag te geven antwoord.
28.
Dienaangaande dient volgens vaste rechtspraak bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening te worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt.7.
29.
Gelet hierop stel ik voor om mijn analyse te beginnen met een uitlegging van artikel 44, lid 4, van het douanewetboek van de Unie (A), om vervolgens na te gaan of artikel 279 BAO met die bepaling verenigbaar is (B).
A. Uitlegging van Artikel 44, lid 4, van het douanewetboek van de Unie
30.
Gelet op de door de verwijzende rechter naar voren gebrachte twijfels, in het bijzonder wat betreft de invloed die de artikelen 33 en 34 van het douanewetboek van de Unie zouden kunnen hebben op de uitlegging van artikel 44, lid 4, van dit wetboek, lijkt het mij passend om eerst de context en de doelstellingen die met deze verschillende bepalingen worden nagestreefd, te onderzoeken (1), waarna ik mij zal buigen over de bewoordingen zelf van artikel 44, lid 4, van dit wetboek en dus over de strekking ervan (2).
1. Context en doelstellingen van de artikelen 33, 34 en 44 van het douanewetboek van de Unie
31.
In de eerste plaats lijkt het mij voor een beter begrip van de doelstelling die met artikel 44 van het douanewetboek van de Unie, en in het bijzonder met lid 4 ervan, wordt nagestreefd, van belang om enigszins terug te gaan in de tijd en de context in herinnering te brengen waarin het recht van marktdeelnemers om beroep in te stellen in douanezaken op Unieniveau is ontstaan.
32.
Begin jaren tachtig heeft de Commissie zich beziggehouden met het recht op beroep van marktdeelnemers door op 29 januari 1981 aan de Raad een voorstel voor te leggen voor een richtlijn betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de uitoefening van een recht op beroep in douanezaken.8.
33.
Daarin werd in feite in essentie erop gewezen, dat gelet op de aanzienlijke verschillen tussen lidstaten wat betreft de gevolgen van een beroep tegen een beslissing van een douaneautoriteit, het noodzakelijk was om op communautair niveau de voorwaarden vast te stellen voor de uitoefening van dat beroep.
34.
Bijgevolg voorzag artikel 2, lid 1, van dit voorstel in de mogelijkheid om beroep in te stellen met het oog op de vernietiging of de wijziging van een uitspraak betreffende de toepassing van de douanevoorschriften. Artikel 7 bepaalde dat het instellen van beroep er niet toe leidde dat de tenuitvoerlegging van de betwiste uitspraak werd opgeschort, behalve wanneer de douaneautoriteit tot opschorting besloot.
35.
Niettemin diende voor een daadwerkelijk recht van marktdeelnemers om beroep in te stellen te worden gewacht op verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek9. (hierna: ‘oud douanewetboek’) en de vaststelling van de artikelen 243 tot en met 246 ervan.
36.
Vervolgens heeft verordening (EG) nr. 450/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (gemoderniseerd douanewetboek)10. gezorgd voor een nieuwigheid in vergelijking met het oude douanewetboek. Artikel 23, lid 4, van deze verordening verplichtte de lidstaten namelijk om er zorg voor te dragen dat de beroepsprocedure een snelle bevestiging of correctie van door de douaneautoriteiten genomen beschikkingen mogelijk maakt.
37.
38.
Deze toevoeging, die in de onderhavige zaak centraal staat, geeft mijns inziens weer dat de Uniewetgever de gevolgen van het verwerpen of toewijzen van een beroep in douanezaken meer wilde regelen en harmoniseren, en, zoals de Commissie ter zitting heeft aangegeven, de effectiviteit en doeltreffendheid van rechterlijke bescherming van marktdeelnemers beter wilde waarborgen.
39.
In de tweede plaats lijkt het mij ook nuttig om erop te wijzen dat juist teneinde een evenwicht te bereiken tussen enerzijds de noodzaak dat douaneautoriteiten de correcte toepassing van de douanewetgeving verzekeren en anderzijds het recht van marktdeelnemers op een billijke behandeling, de douaneautoriteiten uitgebreide controlebevoegdheden en de marktdeelnemers een recht op beroep hebben verkregen.11.
40.
In die zin is het recht op beroep van marktdeelnemers gecreëerd om hen te beschermen tegen eventueel misbruik van de douaneautoriteiten of tegen fouten die deze bij de toepassing van de douanewetgeving kunnen maken.
41.
In de derde plaats moet, om de onderlinge samenhang tussen de artikelen 33, 34 en 44 van het douanewetboek van de Unie te begrijpen, worden gekeken naar de respectieve rol die deze bepalingen binnen het douanewetboek van de Unie vervullen.
42.
Om te beginnen bevinden deze bepalingen zich in verschillende afdelingen van dit wetboek. Zo zijn de artikelen 33 en 34 opgenomen in afdeling 3 (‘Beschikkingen betreffende de toepassing van de douanewetgeving’), terwijl artikel 44 onder afdeling 6 (‘Beroep’) valt.
43.
Schematisch gezien zijn de overeenkomstig de artikelen 33 en 34 van het douanewetboek genomen beschikkingen beslissingen van de douaneautoriteiten, die als bestuurlijke autoriteit optreden en de basisregels toepassen, terwijl de overeenkomstig artikel 44 van dit wetboek genomen beslissingen worden vastgesteld door hetzij een rechterlijke instantie hetzij een douaneautoriteit die als rechterlijke instantie optreedt, in het kader van het stelsel van bestuursrechtelijke geschillen.
44.
Met andere woorden, de artikelen 33 en 34 van het douanewetboek van de Unie enerzijds en artikel 44 van dit wetboek anderzijds beogen verschillende procedures te regelen en de bevoegdheden van verschillende autoriteiten af te bakenen.12.
45.
Zo trachten de artikelen 33 en 34 van het douanewetboek van de Unie de bevoegdheden van de douaneautoriteiten als bestuurlijke autoriteit te regelen. Meer in het bijzonder regelt artikel 33 de procedure die tot het geven van een BTI-beschikking leidt, terwijl artikel 34 ziet op het beheer van die beschikkingen door deze autoriteiten.
46.
Artikel 34, lid 3, van het douanewetboek van de Unie richt zich in deze context op het regelen van de werking in de tijd ingeval een BTI-beschikking haar geldigheid verliest, wanneer een BTI-beschikking wegens een van de in artikel 34, lid 1, genoemde omstandigheden haar geldigheid verliest voor het einde van de in artikel 33, lid 3, van dit wetboek bedoelde periode.
47.
Artikel 34, lid 4, van dit wetboek betreft het bijzondere geval van nietigverklaring van een BTI-beschikking door de douaneautoriteiten wanneer de aanvrager onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, terwijl lid 5 ervan betrekking heeft op het geval van intrekking van BTI-beschikkingen en lid 6 bepaalt dat BTI-beschikkingen niet kunnen worden gewijzigd.
48.
Wat nu artikel 44 van dat wetboek betreft, dit artikel ziet op de geschillen met betrekking tot door de douaneautoriteiten genomen beschikkingen. Zo bepaalt lid 1 ervan dat eenieder het recht heeft beroep in te stellen tegen beschikkingen van de douaneautoriteiten die hem rechtstreeks en individueel raken13., terwijl de leden 2 tot en met 4 de algemene beginselen bevatten die de lidstaten bij de uitwerking van hun procedurevoorschriften ter zake moeten helpen.
49.
In de vierde plaats zal het de lezer niet zijn ontgaan dat de terminologie die in de artikelen 33 en 34 van het douanewetboek van de Unie wordt gebruikt, verschilt van die in artikel 44, lid 4, van dat wetboek. Terwijl de door de douaneautoriteiten gegeven beschikkingen ertoe kunnen leiden dat BTI-beschikkingen hun geldigheid verliezen, worden nietig verklaard of worden ingetrokken, hebben de beslissingen van de rechterlijke instanties immers tot gevolg dat de bij hen aangevochten BTI-beschikkingen worden bevestigd (in geval van verwerping van het beroep) dan wel gecorrigeerd (in geval van toewijzing van het beroep). Dit laatste punt lijkt mij in het bijzonder van belang, aangezien de correctie van een beschikking noodzakelijkerwijs impliceert dat deze wordt gewijzigd en, wat de BTI-beschikkingen betreft, de uitoefening van deze bevoegdheid is voorbehouden aan de rechterlijke instanties.
50.
Mijns inziens vloeit uit al deze elementen voort dat de strekking van de artikelen 33 en 34 van het douanewetboek van de Unie enerzijds, en die van artikel 44 van dat wetboek anderzijds, afzonderlijk moeten worden beoordeeld. Zo kan de werking in de tijd van beschikkingen van de douaneautoriteiten niet bepalend zijn voor noch enige invloed uitoefenen op de werking in de tijd van beslissingen van de rechterlijke instanties. Meer in het algemeen lijkt het mij niet dat de Uniewetgever de behandeling van de beslissingen van rechterlijke instanties heeft willen afstemmen op die van de beschikkingen van douaneautoriteiten. Aldus is het voor de uitlegging van de strekking van artikel 44 van dit wetboek niet van belang dat, blijkens artikel 34 ervan, enkel de nietigverklaring van BTI-beschikkingen onder de in lid 4 ervan gestelde voorwaarden terugwerkende kracht heeft, terwijl het verlies van geldigheid of de intrekking van BTI-beschikkingen dat niet heeft. In het bijzonder kan mijns inziens deze omstandigheid niet rechtvaardigen dat principieel wordt geoordeeld dat de correctie van BTI-beschikkingen als gevolg van een beslissing van een nationale rechterlijke instantie overeenkomstig artikel 44, lid 4, van dit wetboek, geen terugwerkende kracht kan hebben.
51.
Gelet hierop lijkt het mij dat niet hoeft te worden stilgestaan bij de werking in de tijd van de door de douaneautoriteiten krachtens artikel 34 van het douanewetboek van de Unie gegeven beschikkingen tot nietigverklaring, intrekking of verlies van geldigheid om de werking in de tijd te bepalen van de door de rechterlijke instanties, in ruime zin, op grond van artikel 44 van dit wetboek genomen beslissingen.
2. Strekking van Artikel 44, lid 4, van het douanewetboek van de Unie
52.
Artikel 44, lid 4, van het douanewetboek van de Unie bepaalt dat de lidstaten er zorg voor dragen dat de beroepsprocedure een snelle bevestiging of correctie van door de douaneautoriteiten gegeven beschikkingen mogelijk maakt.
53.
Op dit punt herinner ik eraan dat volgens vaste rechtspraak de betekenis en de draagwijdte van begrippen waarvoor het Unierecht geen definitie geeft en waarvoor niet wordt verwezen naar het recht van de lidstaten, moeten worden bepaald in overeenstemming met de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis ervan, met inachtneming van de context waarin zij worden gebruikt en de doeleinden die worden nagestreefd door de regeling waarvan zij deel uitmaken.14.
54.
De term ‘correctie’ is in het douanewetboek van de Unie niet gedefinieerd. Niettemin beoogt een correctie, in ruime zin, een fout te corrigeren, waarbij het doel van de correctie erin bestaat dat deze handeling is zoals zij had moeten zijn bij de vaststelling ervan15.. Aldus omvat de term ‘correctie’ van nature het idee van terugwerkende kracht.
55.
Het is juist dat er in beginsel sprake is van een ‘correctie’ wanneer het erom gaat inhoudelijke fouten te corrigeren, namelijk spelfouten, grammaticale fouten, duidelijke onjuistheden of ook rekenfouten, en dat er omgekeerd geen sprake is van een eenvoudige ‘correctie’ wanneer de wijziging ertoe leidt dat de inhoud van de betrokken handeling wordt gewijzigd, met andere woorden dat de kern ervan wordt gewijzigd.16.
56.
Evenwel is in het kader van artikel 44, lid 4, van het douanewetboek van de Unie de correctie het gevolg van de beslissing van de rechterlijke instantie om het door de marktdeelnemer ingestelde beroep toe te wijzen. In die context en met name gelet op het recht op een doeltreffende voorziening in rechte mag de term ‘correctie’ niet worden uitgelegd in de betekenis van ‘het corrigeren van een materiële fout’, maar moet deze worden uitgelegd in de zin van ‘het goedmaken van een onrecht’, als ik mij zo mag uitdrukken. Dit neemt niet weg dat uiteindelijk het idee hetzelfde blijft: het gaat erom dat de BTI-beschikking is zoals zij had moeten zijn toen zij oorspronkelijk werd vastgesteld.
57.
Daarom moet artikel 44, lid 4, van het douanewetboek van de Unie mijns inziens aldus worden uitgelegd dat de correctie van een BTI-beschikking in beginsel werking ex tunc heeft.
58.
Deze uitlegging lijkt mij voorts in overeenstemming met het evenwicht dat moet bestaan tussen het rechtszekerheidsbeginsel enerzijds, en het in artikel 47, eerste alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde recht op een doeltreffende rechterlijke bescherming anderzijds.
59.
Het is immers vaste rechtspraak van het Hof dat de erkenning dat een bestuursbesluit definitief is geworden na het verstrijken van redelijke beroepstermijnen of na uitputting van alle rechtsmiddelen, bijdraagt tot de rechtszekerheid en de uitoefening van door de rechtsorde van de Unie aan particulieren verleende rechten niet praktisch onmogelijk of uiterst moeilijk maakt.17.
60.
Zo eist het rechtszekerheidsbeginsel alleen dat de werking van een BTI-beschikking waartegen beroep is ingesteld, pas definitief wordt, dat wil zeggen ‘in marmer gebeiteld’, wanneer het beroep is verworpen of, indien geen beroep is ingesteld, bij het verstrijken van de daartoe vastgestelde termijnen.
61.
Ik ben dan ook van mening dat het rechtszekerheidsbeginsel niet kan worden ingeroepen om te rechtvaardigen dat de gevolgen van een BTI-beschikking gehandhaafd blijven in de periode tussen de inwerkingtreding ervan en de toewijzing van het daartegen ingestelde beroep in rechte. De tegenovergestelde oplossing zou er immers toe leiden dat deze gevolgen definitief worden, hoewel de onrechtmatigheid van de BTI-beschikking door de nationale rechterlijke instantie is vastgesteld en deze beschikking zelf dus niet definitief is geworden.
62.
Evenzo kan het laten voortbestaan van de gevolgen van een als onrechtmatig beschouwde BTI-beschikking in strijd zijn met het recht op een doeltreffende rechterlijke bescherming, aangezien deze gevolgen worden gehandhaafd jegens een marktdeelnemer die nochtans binnen de gestelde termijnen beroep tegen de BTI-beschikking heeft ingesteld. In die zin zou het oordeel dat de correctie geen terugwerkende kracht heeft ernstige gevolgen hebben voor de marktdeelnemer, die geen aanspraak zou kunnen maken op de tariefindeling die hij toch vanaf het begin had gevraagd, terwijl de fout voortvloeit uit een verkeerde beoordeling door de douaneautoriteiten en geenszins uit zijn eigen handelwijze.
63.
Ten slotte lijkt het oordeel dat de in artikel 44, lid 4, van het douanewetboek van de Unie bedoelde correctie enkel werking ex nunc heeft, niet in overeenstemming met het door artikel 45, lid 2, van dat wetboek nagestreefd doel, te weten het waarborgen van de doeltreffendheid van het beroep.
64.
Volgens deze laatste bepaling schorsen de douaneautoriteiten immers de tenuitvoerlegging van de aangevochten beschikking geheel of gedeeltelijk, met name indien zij gegronde redenen hebben om aan te nemen dat de betrokkene onherstelbare schade dreigt te lijden.
65.
Het Hof heeft al de gelegenheid gehad om in essentie aan te geven dat de voorwaarde van ‘onherstelbare schade’ inhoudt dat moet worden onderzocht of bij eventuele nietigverklaring van de litigieuze beschikking de situatie die door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beschikking zal zijn ontstaan, kan worden teruggedraaid.18.
66.
Aldus gaat de schorsing van de tenuitvoerlegging gepaard met de mogelijkheid om de rechtspositie van degene die het beroep heeft ingesteld, met terugwerkende kracht te wijzigen.
67.
Ten overvloede lijkt het mij nuttig in te gaan op de opmerking van de Italiaanse regering dat het moeilijk is om ervoor te zorgen dat alle andere lidstaten daadwerkelijk op de hoogte zijn van een nationale rechterlijke beslissing tot nietigverklaring of correctie die terugwerkende kracht heeft.
68.
Dit argument overtuigt mij niet wegens het op Unieniveau opgezette systeem van informatie-uitwisseling. Dienaangaande moet worden opgemerkt dat artikel 21, lid 1, van uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie19. bepaalt dat voor de uitwisseling en opslag van informatie in het kader van aanvragen en beschikkingen betreffende BTI en elke daaropvolgende gebeurtenis die invloed kan hebben op de oorspronkelijke aanvraag of beschikking, een elektronisch systeem wordt gebruikt dat overeenkomstig artikel 16, lid 1, van het douanewetboek van de Unie voor deze doeleinden is opgezet. Uit dien hoofde stelt de bevoegde douaneautoriteit de informatie beschikbaar via dit systeem, onverwijld en uiterlijk binnen zeven dagen nadat zij ervan kennis heeft genomen.
69.
Derhalve wordt, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft aangegeven, wanneer een BTI-beschikking als gevolg van een beslissing van een nationale rechterlijke instantie wordt nietig verklaard of gewijzigd, de informatie zo snel mogelijk door de betrokken douaneautoriteit in dit elektronisch systeem ingevoerd, en is zij dus voor alle andere douaneautoriteiten zichtbaar.
B. Verenigbaarheid van § 279 BAO met artikel 44 van het douanewetboek van de Unie
70.
Volgens de verwijzende rechter heeft de door het Bundesfinanzgericht gegeven beslissing overeenkomstig § 279 BAO terugwerkende kracht tot de datum waarop het douanekantoor de BTI-beschikking heeft gegeven.
71.
Dienaangaande herinner ik eraan dat het noch aan het Hof noch aan het Gerecht staat om in het kader van een prejudiciële verwijzing uitspraak te doen over de uitlegging van het nationale recht, aangezien deze uitlegging uitsluitend een taak is van de verwijzende rechter. In het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen de nationale rechterlijke instanties en die van de Unie moeten het Hof en het Gerecht immers rekening houden met de in de verwijzingsbeslissing omschreven feitelijke en juridische context waarin de prejudiciële vragen moeten worden geplaatst.20.
72.
Derhalve dient te worden geoordeeld dat volgens § 279 BAO de door het Bundesfinanzgericht gegeven beslissingen tot herziening van BTI-beschikkingen terugwerkende kracht hebben. Dit oordeel stemt volgens de verwijzende rechter overeen met het meerderheidsstandpunt in de rechtsleer in Oostenrijk.21.
73.
Nu dat vaststaat dient te worden opgemerkt dat het Hof reeds in de gelegenheid is gesteld om in de beschikking van 19 januari 2005, SmithKline Beecham (C-206/03, EU:C:2005:31, punt 52), erop te wijzen dat de bevoegde autoriteiten en de rechterlijke instanties van een lidstaat binnen de grenzen van hun bevoegdheden alle algemene of bijzondere maatregelen dienen te treffen die noodzakelijk zijn om de strijdigheid met het Unierecht van een onjuiste BTI op te heffen. Tot dergelijke bijzondere maatregelen behoren met name ook de nietigverklaring van de onjuiste BTI en het geven van een nieuwe BTI die strookt met het Unierecht.
74.
Deze beschikking is gegeven onder vigeur van het oude douanewetboek.
75.
Aldus heeft het Hof gepreciseerd dat de toepasselijke procedureregels die van de artikelen 243 tot en met 246 van het oude douanewetboek zijn en, subsidiair, krachtens artikel 245 van dit wetboek en het beginsel van de procesautonomie van de lidstaten, die van de interne rechtsorde van elke lidstaat, met dien verstande dat deze regels niet ongunstiger mogen zijn dan die voor vergelijkbare vorderingen op basis van nationaal recht (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken (effectiviteitsbeginsel).22.
76.
Ten slotte is het van belang om erop te wijzen dat volgens het Hof de modaliteiten en de gevolgen van de op beroep genomen beslissingen van de nationale rechter, binnen de grenzen van het gelijkwaardigheidsbeginsel en het effectiviteitsbeginsel, ook worden beheerst door het nationale recht.23.
77.
Mijns inziens blijft deze rechtspraak, die is gewezen onder vigeur van het oude douanewetboek, relevant voor de modaliteiten van de door de nationale rechterlijke instanties genomen beslissingen, aangezien op dit punt de artikelen 43 tot en met 45 van het douanewetboek van de Unie vrijwel identiek zijn aan de artikelen 243 tot en met 246 van het oude douanewetboek. Zij voorzien enkel in het recht op beroep van de betrokkenen, de noodzaak van een dubbele toetsing, de lidstaat die bevoegd is daarvan kennis te nemen en de gevallen van schorsing van de tenuitvoerlegging van beschikkingen van de douaneautoriteiten waartegen beroep is ingesteld. Met andere woorden en gelet op artikel 43 van dit wetboek24. zeggen deze bepalingen niets over de modaliteiten van de door de nationale rechterlijke instanties genomen beslissingen.
78.
Wat daarentegen de gevolgen van de door de nationale rechterlijke instanties genomen beslissingen betreft, moet de door het Hof gegeven uitkomst mijns inziens genuanceerd worden. In het bijzonder bepaalt artikel 44, lid 4, van het douanewetboek van de Unie dat de lidstaten er zorg voor dragen dat de beroepsprocedure een snelle bevestiging of correctie van door de douaneautoriteiten gegeven beschikkingen mogelijk maakt. Deze bepaling heeft geen equivalent in het oude douanewetboek.25.
79.
Stellig preciseert artikel 44, lid 4, van het douanewetboek van de Unie niet wanneer of op welke wijze de correctie van BTI-beschikkingen moet plaatsvinden26., terwijl echter wel een snelle reactie na een beroepsprocedure wordt geëist. Niettemin lijkt het mij dat deze bepaling ten eerste de lidstaten verplicht om maatregelen te nemen waardoor een marktdeelnemer kan beschikken over een rechtmatige BTI-beschikking, en ten tweede oplegt dat de aldus aangebrachte correctie terugwerkende kracht heeft. Dit is precies het doel dat § 279 BAO nastreeft.
80.
Gelet op een en ander ben ik van mening dat artikel 44, lid 4, van het douanewetboek van de Unie aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale bepaling als die in het hoofdgeding, volgens welke de beslissing op een krachtens artikel 44, lid 2, van dit wetboek ingesteld beroep tegen een overeenkomstig artikel 33 van dit wetboek gegeven BTI-beschikking, terugwerkende kracht heeft tot de datum waarop de douaneautoriteiten die BTI-beschikking hebben gegeven.
VI. Conclusie
81.
Gelet op het voorgaande geef ik het Gerecht in overweging om de prejudiciële vragen van het Verwaltungsgerichtshof te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 44, lid 4, van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie
moet aldus worden uitgelegd
dat het zich niet verzet tegen een nationale bepaling als die in het hoofdgeding, volgens welke de beslissing op een krachtens artikel 44, lid 2, van die verordening ingesteld beroep tegen een overeenkomstig artikel 33 van die verordening gegeven beschikking inzake bindende tariefinlichtingen, terugwerkende kracht heeft tot de datum waarop de douaneautoriteiten die beschikking hebben gegeven.’
J. Martín y Pérez de Nanclares
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 21 januari 2026.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 21‑01‑2026
Oorspronkelijke taal: Frans.
Dit beginsel staat immers op de frontispice van de Codex Justitianus: ‘Leges et constitutiones futuris certum est dare forma m negotiis, non ad facta praeterita revocari, nisi nominatim et de praeterito tempore et adhuc pendentibus negotiis, cautum sit’ (Eerste boek, titel 14, wet 7).
PB 2013, L 269, blz. 1.
Conclusie van advocaat-generaal Léger in de gevoegde zaken Timmermans Transport en Hoogenboom Production (C-133/02 en C-134/02, EU:C:2003:460, punt 4).
Zie in die zin arrest van 29 januari 1998, Lopex Export (C-315/96, EU:C:1998:31, punt 19). De onderliggende doelstelling was ook het voorkomen van een te groot aantal geschillen met marktdeelnemers: Albert, J.-L., ‘Droit douanier européen’, JurisClasseur Europe Traité — Synthèse, LexisNexis, 2021, punt 35.
Ten overvloede merk ik op dat de rechtspraak van het Hof mijns inziens eerder aldus moet worden uitgelegd dat deze zich niet verzet tegen de uitoefening van een herzieningsbevoegdheid door de nationale rechters ter zake (zie in die zin beschikking van 19 januari 2005, SmithKline Beecham, C-206/03, EU:C:2005:31, punt 55, en arrest van 14 april 2011, British Sky Broadcasting Group en Pace, C-288/09 en C-289/09, EU:C:2011:248, punt 94).
Zie arrest van 21 december 2023, G. K. e.a. (Europees Openbaar Ministerie) (C-281/22, EU:C:2023:1018, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
PB 1981, C 33, blz. 2; zie voor een overzicht van de ontwikkeling van het recht op beroep in douanezaken, Walsh, T., European Union Customs Code, Kluwer Law International in Alphen aan den Rijn, Nederland: Wolters Kluwer, 2015, blz. 985–1021 (blz. 986).
PB 1992, L 302, blz. 1.
PB 2008, L 145, blz. 1.
Overweging 26 van het douanewetboek van de Unie.
Wat betreft de verdeling van de bevoegdheden tussen douaneautoriteiten en rechterlijke instanties op het gebied van douanecontroles, zie arrest van 21 september 2023, OGL-Food Trade Lebensmittelvertrieb (C-770/21, EU:C:2023:690, punten 69 en 72).
Ter herinnering: het aldus vastgestelde recht op beroep heeft niet specifiek betrekking op BTI-beschikkingen, maar wel op alle door de douaneautoriteiten gegeven beschikkingen.
Zie arrest van 20 november 2025, Servoprax (Medische stuwbanden) (C-631/23, EU:C:2025:906, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Deze gedachte lijkt mij te worden bevestigd wanneer overeenkomstig de door het Hof vastgestelde uitleggingsregels (zie in die zin arrest van 5 december 2024, Network One Distribution, C-506/23, EU:C:2024:1003, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak) de taalversies van artikel 44, lid 4, van het douanewetboek van de Unie met elkaar worden vergeleken: ‘corrección’ in de Spaanse versie, ‘correction’ in de Engelse versie, ‘Berichtigung’ in de Duitse versie en ‘correzione’ in de Italiaanse versie.
Zie aangaande de correcties die worden aangebracht aan een verordening, de door het Hof vastgestelde beperkingen in de arresten van 2 juni 1994, AC-ATEL Electronics Vertriebs (C-30/93, EU:C:1994:224, punten 20–24), en 22 december 2010, Premis Medical (C-273/09, EU:C:2010:809, punten 29, 30, 36 en 59); zie aangaande de beperkingen op de correctie van de beslissingen van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie en van het Communautair Bureau voor Plantenrassen, respectievelijk de arresten van 9 september 2011, dm-drogerie markt/BHIM — Distribuciones Mylar (dm) (T-36/09, EU:T:2011:449, punten 74 en 75), en 25 juni 2020, Siberia Oriental/CPVO (Siberia) (T-737/18, EU:T:2020:289, punt 53); zie aangaande de beperkingen op de correctie van de beslissingen van het Hof en het Gerecht, respectievelijk de beschikkingen van 24 november 2022, European Food e.a. (C-333/19, niet gepubliceerd, EU:C:2022:936, punt 6 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 27 mei 2024, EVH/Commissie (T-53/21 REC, niet gepubliceerd, EU:T:2024:338, punten 9 en 11 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin arresten van 13 januari 2004, Kühne & Heitz (C-453/00, EU:C:2004:17, punt 24); 12 februari 2008, Kempter (C-2/06, EU:C:2008:78, punten 57 en 58); 27 juni 2013, Agrokonsulting-04 (C-93/12, EU:C:2013:432, punt 48), en 9 september 2021, Adler Real Estate e.a. (C-546/18, EU:C:2021:711, punt 38).
Tevens moet omgekeerd worden nagegaan of de schorsing van de tenuitvoerlegging van deze beschikking belet dat deze beschikking nog volledige werking krijgt wanneer het beroep in de hoofdzaak zal worden verworpen (zie in die zin en naar analogie arrest van 17 juli 1997, Giloy, C-130/95, EU:C:1997:372, punten 35 en 36).
PB 2015, L 343, blz. 558.
Zie in deze zin beschikkingen van 24 april 2009, Koukou (C-519/08, EU:C:2009:269, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 30 juni 2011, Wamo (C-288/10, EU:C:2011:443, punt 27).
Volgens de Oostenrijkse rechtsleer vloeit de werking ex tunc van overeenkomstig § 279 BAO genomen beslissingen voort uit lid 2 van deze bepaling, alsmede uit het recht op een doeltreffende voorziening in rechte. Zie in dit verband, Fischerlehner, J., Das neue Abgabenverfahren, Manz, Wenen, 2013, blz. 325, en Gunacker-Slawitsch, B., ‘III. Das Verfahren vor dem Bundesfinanzgericht’, in Ehrke-Rabel, T. (uitg.), Rechtsmittelverfahren in Abgabensachen, Manz, Wenen, 2013, blz. 37–101 (blz. 77 en 78). Een uitdrukkelijke bevestiging van de werking ex tunc van herzieningsbeslissingen: Ritz, C., ‘§ 279 BAO’, in Ritz/Koran (uitg.), BAO — Bundesabgabenordnung, 8e druk, Linde, Wenen, 2025, punten 2 en 18.
Beschikking van 19 januari 2005, SmithKline Beecham (C-206/03, EU:C:2005:31, punt 53).
Beschikking van 19 januari 2005, SmithKline Beecham (C-206/03, EU:C:2005:31, punt 55).
Zie in die zin arrest van 11 april 2024, OSTP Italy (C-770/22, EU:C:2024:299, punt 47).
Zie punt 36 van deze conclusie. Evenwel dient te worden opgemerkt dat wijzigingen, met terugwerkende kracht, van BTI-beschikkingen na een beroep bij de nationale rechter reeds plaatsvonden onder vigeur van het oude douanewetboek, althans in bepaalde lidstaten [zie in die zin arrest van 7 april 2011, Sony Supply Chain Solutions (Europe), C-153/10, EU:C:2011:224, punten 16 en 17].
Zo verzetten bijvoorbeeld de artikelen 44 en 45 van het douanewetboek van de Unie zich niet tegen een nationale wettelijke regeling die voorziet in de onmiddellijke uitvoerbaarheid van vonnissen in eerste aanleg die nog niet onherroepelijk zijn geworden, en vereisen zij evenmin dat de nationale wettelijke regeling bepaalt dat dergelijke beslissingen die aard hebben (zie in die zin arrest van 11 april 2024, OSTP Italy, C-770/22, EU:C:2024:299, punt 42).