Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/I.4.2.5
I.4.2.5 Deelvraag 4: de argumenten voor en tegen aanvullende bescherming
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460176:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
De betekenis van het privaatrechtelijke bestuurdersaansprakelijkheidsdebat voor de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden licht ik nader toe in par. IV.1.1 en par. IV.4.
Zo zet ik bijvoorbeeld vraagtekens bij het gebruik van Amerikaanse studies over defensive medicine als bewijs voor het ‘bange bestuurders-argument’. Mijns inziens zijn de situaties te verschillend: Nederland is Amerika niet, de aansprakelijkheidsregimes zijn verschillend, en het besturen van een rechtspersoon is een heel ander soort bezigheid dan geneeskunde. Zie par. IV.3.4.5.
Deze redeneerfout komt overigens ook geregeld voor in de intern-juridische argumentatie. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het misverstand dat het in de macht hebben om de overtreding te beëindigen voldoende zou zijn voor het opleggen van een last onder dwangsom aan een leidinggevende. Zie par. III.8.4 voor toelichting.
Ter beantwoording van de evaluatieve vraag of (bepaalde soorten) leidinggevenden aanvullende bescherming verdienen tegen persoonlijke aansprakelijkheid in verband met een milieuovertreding, is het van belang om de aansprakelijkheidspositie van leidinggevenden van verschillende kanten te belichten. Dat begint bij het krijgen van een zo compleet mogelijk beeld van de argumenten vóór en tegen de toepassing van een afwijkend aansprakelijkheidsregime voor leidinggevenden. Daarom luidt deelvraag 4 als volgt: welke argumenten bestaan er vóór- en tegen de aanvullende bescherming van leidinggevenden tegen persoonlijke aansprakelijkheid?
Voor het verzamelen van argumenten zoek ik op verschillende plekken. Allereerst zal ik per rechtsgebied de argumenten inventariseren in het lopende debat in de literatuur over de aansprakelijkheidspositie van leidinggevenden. Dit debat wordt overigens niet in ieder rechtsgebied (even actief ) gevoerd. Zo is er bijvoorbeeld in het privaatrecht een langlopende discussie gaande over de (beperkte) aansprakelijkheid van bestuurders van rechtspersonen. In het strafrecht en bestuursrecht geldt geen afwijkend aansprakelijkheidsregime voor leidinggevenden, maar de afgelopen jaren lijken er steeds meer stemmen op te gaan om ook daar leidinggevenden aanvullend te beschermen tegen persoonlijke aansprakelijkheid.
Van ieder rechtsgebied zal ik het juridische discours analyseren en de argumenten vóór en tegen de aanvullende bescherming van leidinggevenden tegen aansprakelijkheid in kaart brengen. In deelvraag 4 spreek ik bewust van ‘aansprakelijkheid’ en niet van ‘milieuaansprakelijkheid’, aangezien de discussie in de literatuur niet of slechts bij uitzondering gaat over de aansprakelijkheid van leidinggevenden wegens milieuovertredingen. De discussie heeft een algemenere strekking, maar de discussie is tóch relevant voor de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden omdat de uitkomst ervan ook bepalend is voor de invulling van de aansprakelijkheidsvereisten die gelden in milieukwesties.1
De argumenten voor en tegen de aanvullende bescherming tegen persoonlijke aansprakelijkheid voor leidinggevenden destilleer ik niet alleen uit het debat in de juridische literatuur, maar komen ook voort uit het descriptieve onderdeel van mijn onderzoek. Ik betrek onder meer de redenen die in jurisprudentie worden genoemd in verband met de toepassing van een afwijkend, restrictief aansprakelijkheidsregime voor leidinggevenden. Daarnaast kan bijvoorbeeld op grond van de bestudering van de vereisten een vermoeden worden gebaseerd dat de aansprakelijkheidsrisico’s voor leidinggevenden excessief zijn, of juist dat de aansprakelijkheidsdrempel te hoog ligt.
De afweging van argumenten die ik in het kader van de volgende deelvraag zal maken, is alleen zinnig wanneer de meegewogen argumenten zelf van goede kwaliteit zijn. Wanneer ongefundeerde of onjuiste argumenten gewicht in de schaal leggen, geeft de balans van de weegschaal een vertekend beeld. Daarom zal ik bij ieder argument – voor zover mogelijk – nagaan of het goed onderbouwd is.
De methode voor het controleren van de onderbouwing van het argument, verschilt per type argument. Een groot deel van de argumentatie heeft een intern-juridisch (dogmatisch) karakter: het argument vóór of tegen de aanvullende bescherming van leidinggevenden wordt dan bijvoorbeeld gebaseerd op de wetssystematiek of parlementaire geschiedenis.
Een concreet voorbeeld: volgens sommige auteurs is de mogelijkheid om een onrechtmatige daad van een bestuurder toe te rekenen aan de rechtspersoon ook reden om deze bestuurder te beschermen tegen persoonlijke aansprakelijkheid voor zijn onrechtmatige daad. Door intern-juridisch onderzoek aan de hand van de verschillende interpretatiemethoden kan worden bezien of het argument steekhoudend is. Hierbij kan bijvoorbeeld worden onderzocht of deze uitkomst te verenigen is met de grammaticale interpretatie van de toepasselijke wettelijke aansprakelijkheidsvereisten, en ook kan door middel van analogische interpretatie worden gekeken of, en zo ja waarom (niet), bij andere werknemers de toerekening van een onrechtmatige daad aan de rechtspersoon ook aanleiding vormt om de werknemer te beschermen tegen persoonlijke aansprakelijkheid. Kortom, de validiteit van intern-juridische argumenten kan worden gecontroleerd door middel van traditioneel juridisch-dogmatisch onderzoek.
Bepaalde argumenten uit dit debat hebben echter geen intern-juridisch maar een extern-juridisch (instrumenteel of beleidsmatig) karakter: het argument heeft dan geen juridische onderbouwing, maar in plaats daarvan wordt ter rechtvaardiging van de betreffende rechtsinterpretatie een beroep gedaan op een bepaald buiten het recht gelegen doel.
Bijvoorbeeld, in het ondernemingsrechtelijke discours heerst de gedachte dat de beperkte aansprakelijkheid van bestuurders nodig is om te voorkomen dat zij uit angst voor aansprakelijkheid onwenselijk defensief zullen handelen. Dit zogenoemde ‘bange bestuurders’-argument gaat ervan uit dat een hoge aansprakelijkheidsdrempel gunstige gedragseffecten voor bestuurders kan sorteren. De juistheid van deze aanname kan niet worden gecontroleerd door middel van juridisch-dogmatische analyse, maar vergt sociaalpsychologisch onderzoek.
In het kader van dit promotieonderzoek zal ik niet zelf empirisch onderzoek verrichten om de feitelijke onderbouwing van extern-juridische argumenten te controleren. Daarentegen is het wel mogelijk om na te gaan of bestaand empirisch onderzoek de aannames die ten grondslag liggen aan het betreffende argument kunnen bevestigen of ontkrachten. Daarnaast kan worden gecontroleerd of er bij de vertaling van empirisch onderzoek naar juridische normen geen logische redeneerfouten worden gemaakt. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het identificeren van ‘overhaaste generaliseringen’ en ‘valse analogieën’,2 of het herkennen van situaties waarin een voldoende voorwaarde wordt verward met een noodzakelijke voorwaarde.3 Op die manier is het toch nog mogelijk om iets te zeggen over de onderbouwing van extern-juridische argumenten.