NJB 2019/2629:Voorwaardelijk opzet op poging tot zware mishandeling: voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier zwaar lichamelijk letsel – is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. In casu is het oordeel van het Hof dat daarvan sprake is niet zonder meer begrijpelijk. Weliswaar heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte de aangever twee keer met aanzienlijke kracht met zijn vuist in het gezicht heeft geslagen, maar niet blijkt dat het uitgeoefende geweld zodanig was dat daaruit kan volgen dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn gedragingen zwaar lichamelijk letsel bij de aangever tot gevolg zouden hebben. Daarbij is van belang dat de bewijsvoering niets inhoudt waaruit kan volgen dat de verdachte – die handelde als reactie op de klap die hij kreeg en waarvan hij schrok – ‘gericht’ in het gezicht van de aangever heeft geslagen. Beroep op noodweer en het proportionaliteitsvereiste, art. 41 lid 1 Sr: de proportionaliteitseis bij noodweer strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij als verdedigingsmiddel niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De in dat verband – tot terughoudendheid nopende – maatstaf luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal. ’s Hofs oordeel in casu dat het geven van twee vuistslagen door de verdachte niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van die aanrandingen, is niet zonder meer begrijpelijk, mede gelet op het geweld dat de aangever daarvoor zelf al aan verdachte had aangedaan