HR, 13-01-2012, nr. 09/01298
BV0642
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-01-2012
- Zaaknummer
09/01298
- LJN
BV0642
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2012:BV0642, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑01‑2012; (Cassatie)
Beroepschrift, Hoge Raad, 13‑01‑2012
- Vindplaatsen
NTFR 2012/212 met annotatie van Mr. I.R.J. Thijssen
FutD 2012-0118
Viditax (FutD) 2012011305
Uitspraak 13‑01‑2012
Inhoudsindicatie
AWR. Nieuw feit en goede procesorde. Kan belanghebbende opzet of grove schuld worden verweten met betrekking tot de vergrijpboete?
Partij(en)
13 januari 2012
nr. 09/01298
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 27 februari 2009, nr. 07/00120, betreffende een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikking.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is over het jaar 2002 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen alsmede een boete ten bedrage van € 12.559 opgelegd. De navorderingsaanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
De Rechtbank te Leeuwarden (nr. AWB 06/1292) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar tegen de boetebeschikking vernietigd en de boete verminderd tot € 5651.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden. De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover het de boetebeschikking betreft, de uitspraak op bezwaar betreffende de boetebeschikking vernietigd en de boete verminderd tot € 11.303. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1.
A B.V. (hierna: Beheer BV), van welke vennootschap belanghebbende directeur en enig aandeelhouder was, heeft op 12 augustus 1997 C B.V. (hierna: C BV) opgericht. Met ingang van 12 augustus 1997 vormden Beheer BV en C BV een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Belanghebbende heeft per 1 januari 1997 een door hem gedreven eenmanszaak tegen boekwaarden overgedragen aan C BV.
3.1.2.
In verband met de hiervoor in 3.1.1 vermelde overdracht was belanghebbende, onder meer in verband met de omstandigheid dat de eenmanszaak ten tijde van die overdracht een negatief kapitaal had, op 1 januari 1997 in totaal ƒ 147.046 verschuldigd aan C BV. Binnen de fiscale eenheid is deze schuld per 31 december 1997 geboekt als een schuld van belanghebbende aan Beheer BV.
3.1.3.
C BV is op 18 juli 2000 failliet verklaard. Het faillissement is per 21 mei 2002 opgeheven, waarna C BV is ontbonden. Uit het financiële eindverslag van de curator in het faillissement bleek niet van enige vordering van C BV op belanghebbende.
3.1.4.
Op 18 oktober 2001 heeft Beheer BV aangifte voor de vennootschapsbelasting voor het jaar 1999 gedaan. De bij die aangifte gevoegde balans vermeldde de hiervoor in 3.1.2 bedoelde vordering van Beheer BV op belanghebbende per 31 december 1999, welke vordering inmiddels was opgelopen tot ƒ 221.854, alsmede een vordering van Beheer BV op C BV ten bedrage van ƒ 90.983.
De aanslag in de vennootschapsbelasting van Beheer BV voor het jaar 1999 is op 30 november 2001 overeenkomstig de in de aangifte vermelde gegevens berekend en opgelegd.
3.1.5.
Op 30 december 2002 heeft Beheer BV aangifte voor de vennootschapsbelasting voor het jaar 2000 gedaan. Uit de bij deze aangifte gevoegde jaarstukken blijkt niet langer van een vordering van Beheer BV op belanghebbende.
3.1.6.
Op 4 februari 2003 heeft Beheer BV een gewijzigde aangifte voor de vennootschapsbelasting voor het jaar 1999 ingediend, met daarbij gevoegd gewijzigde jaarstukken. Volgens deze jaarstukken had Beheer BV op 31 december 1999 een schuld aan belanghebbende van ƒ 28.600. In die jaarstukken is hieromtrent de volgende toelichting opgenomen:
‘Saldo per 1 januari 1999 f. 229.811,37
Af:
correctie 1997 verrekening eenmanszaak f. 74.365,79
correctie 1997 saldo C " 147.046,00
correctie 1998 lening aan C " 22.000,00
correctie 1998 lening aan C " 15.000,00
- f.
258.411,79
Saldo per 31 december 1999 -/- f. 28.600,42’.
In verband met deze correcties is de vordering van Beheer BV op C BV per 31 december 1999 verhoogd en is kennelijk ook een schuld van belanghebbende jegens C BV geboekt.
3.1.7.
De aanslagregelende ambtenaar voor de vennootschapsbelasting heeft de gewijzigde aangifte aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de aan Beheer BV opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1999. Over de aangevoerde bezwaren is gecorrespondeerd tussen de aanslagregelende ambtenaar en Beheer BV. De Inspecteur heeft op 15 september 2003 bij uitspraak het bezwaar van Beheer BV niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn, waarbij hij Beheer BV heeft meegedeeld geen aanleiding te hebben gevonden het eerder vastgestelde verlies te wijzigen.
3.1.8.
Met dagtekening 23 juli 2003 is aan belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2002 opgelegd, vastgesteld overeenkomstig de op 14 april 2003 gedane aangifte.
3.1.9.
Op grond van de hiervoor in 3.1.7 vermelde correspondentie alsmede in verband daarmee door de aanslagregelende ambtenaar gemaakte aantekeningen heeft de Inspecteur de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd, omdat naar zijn mening belanghebbende in 2002 een uitdeling heeft genoten. Deze uitdeling heeft de Inspecteur gebaseerd op het feit dat de volwaardige vordering van Beheer BV op belanghebbende in dat jaar is 'omgezet' in een onvolwaardige vordering van Beheer BV op C BV. Tevens heeft hij aan belanghebbende een vergrijpboete opgelegd.
3.2.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende een winstuitdeling van Beheer BV heeft genoten, en dat deze uitdeling in 2002 heeft plaatsgevonden, gelet op de hiervoor in 3.1.3 en 3.1.5 vermelde omstandigheden.
3.2.2.
Het Hof heeft voorts geoordeeld dat sprake was van een zogenoemd nieuw feit en dat werd voldaan aan de voorwaarden van artikel 16, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) voor het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslag. Daartoe heeft het Hof overwogen dat de aangifte van belanghebbende voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2002 geen aanleiding gaf om deze aan een onderzoek te onderwerpen en dat de Inspecteur eerst na het vaststellen van de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2002 de beschikking kreeg over stukken die konden leiden tot de conclusie dat laatstgenoemde aanslag te laag was vastgesteld.
In dit verband heeft het Hof met betrekking tot de in februari 2003 van Beheer BV ontvangen gewijzigde aangifte voor de vennootschapsbelasting voor het jaar 1999 geoordeeld dat, hoewel in de bij die aangifte gevoegde jaarstukken melding is gemaakt van correcties in de rekening-courantverhouding tussen belanghebbende en Beheer BV, daaruit niet bleek van een winstuitdeling aan belanghebbende in het jaar 2002, en dat die stukken de Inspecteur geen aanleiding hoefden te geven een onderzoek in te stellen alvorens de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor dat jaar op te leggen. Het Hof heeft voorts nog overwogen dat de gewijzigde aangifte voor de vennootschapsbelasting van Beheer BV en de door belanghebbende gedane aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen betrekking hadden op verschillende jaren.
3.2.3.
Met betrekking tot de vergrijpboete heeft het Hof geoordeeld dat het aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2002 op een te laag bedrag is vastgesteld. Het Hof heeft dit oordeel onder meer gebaseerd op de - volgens het Hof onweersproken - stelling van de Inspecteur dat de correctieboekingen in de rekening-courantverhoudingen door belanghebbende zijn geïnitieerd.
3.3.1.
Middel 1 betoogt dat met de feitelijke gang van zaken tijdens de zittingen van het Hof van 13 oktober 2008 en 11 februari 2009 niet is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM en voert daartoe een aantal klachten aan.
3.3.2.
In middel 1 wordt daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat het niet duidelijk is of het onderzoek ter zitting van het Hof van 11 februari 2009 een voortzetting betrof van het onderzoek ter zitting van 13 oktober 2008 dan wel een nieuw onderzoek ter zitting.
Blijkens de onderdelen 1.5 en 1.6 van zijn uitspraak heeft het Hof ter zitting van 13 oktober 2008, na voorlezing en overlegging door belanghebbende van zijn pleitnota en na de constatering door het Hof dat de Inspecteur zich had voorbereid op de behandeling van een andere zaak, het onderzoek ter zitting geschorst en heeft het Hof dit onderzoek ter zitting van 11 februari 2009 hervat. De klacht van belanghebbende faalt dan ook.
3.3.3.
Middel 1 betoogt voorts dat het Hof voorafgaand aan dan wel bij aanvang van de tweede zitting van 11 februari 2009 heeft nagelaten mee te delen dat de samenstelling van het Hof deels was gewijzigd en dat het Hof - zo van een schorsing van het onderzoek ter eerste zitting sprake is geweest - heeft nagelaten op 11 februari 2009 het onderzoek ter zitting opnieuw aan te vangen.
Dit betoog faalt, reeds omdat in cassatie niet is gesteld dat en op welke wijze belanghebbende door deze gestelde verzuimen in zijn (processuele) belangen is geschaad.
3.3.4.
Voor zover middel 1 verder betoogt dat het Hof bij aanvang van de zittingen - in verband met de opgelegde boete - heeft nagelaten belanghebbende de zogenoemde cautie te geven, faalt het eveneens. Uit 's Hofs uitspraak blijkt niet dat het Hof enige door belanghebbende ter zittingen afgelegde verklaring(en) ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel omtrent handhaving van de boete, zodat belanghebbende reeds in zoverre geen belang heeft bij zijn klacht.
3.3.5.
Voor zover de klachten in middel 1, al dan niet verband houdend met de boete, inhouden dat het Hof tijdens de beide zittingen vormvoorschriften heeft geschonden of onjuist heeft toegepast, falen zij ook. Het bepaalde in artikel 8:64 van de Awb staat niet eraan in de weg dat - mede gelet op hetgeen tijdens de eerste zitting is voorgevallen - na hervatting van het onderzoek ter zitting eerst de Inspecteur een pleitnota voordraagt en overlegt. Het middel voert voorts aan dat het Hof gehouden was ter zitting de identiteit van belanghebbende vast te stellen. Dit betoog faalt, aangezien belanghebbende niet heeft gesteld dat niet hij als belanghebbende ter zitting was verschenen. Het middel gaat voorts ten onrechte ervan uit dat het Hof gehouden was gevolg te geven aan hetgeen is opgenomen in de voor de rechtbanken geldende Procesregeling bestuursrecht 2005.
3.3.6.
De in middel 1 aangevoerde klachten afzonderlijk, dan wel in onderlinge samenhang bezien, bieden - mede gelet op hetgeen hiervoor in 3.3.2 tot en met 3.3.5 is overwogen - geen grond voor het oordeel dat van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM geen sprake is geweest. Middel 1 faalt daarom ook in zoverre.
3.4.1.
Middel 3 is gericht tegen het hiervoor in 3.2.2 vermelde oordeel van het Hof dat voor de toepassing van artikel 16, lid 1, van de AWR voldaan is aan het vereiste van het zogenoemde nieuwe feit.
3.4.2.
In dit verband wordt in middel 3 herhaald hetgeen in middel 2 ook naar voren wordt gebracht, te weten dat het Hof zijn oordelen niet (mede) had mogen baseren op de hiervoor in 3.1.6 bedoelde gewijzigde aangifte voor de vennootschapsbelasting voor het jaar 1999 noch op de hiervoor in 3.1.7 bedoelde correspondentie en aantekeningen van de aanslagregelende ambtenaar, aangezien de overgelegde stukken als een niet-ontvankelijk bezwaarschrift zijn aangemerkt en daarom als niet ontvangen of niet gedaan moeten worden beschouwd. Middel 2 en in zoverre ook middel 3 falen. De niet-ontvankelijkheid van een bezwaarschrift staat niet eraan in de weg dat een inspecteur de in een dergelijk kader overgelegde stukken - voor zover nodig - gebruikt als bewijs voor de verschuldigdheid van belasting. Het stond het Hof mitsdien vrij zijn oordeel (mede) te baseren op de hiervoor bedoelde, door Beheer BV aan de Inspecteur overgelegde bescheiden.
3.4.3.
Voor het overige geven de hiervoor in 3.2.2 weergegeven oordelen van het Hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen zij, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Die oordelen zijn ook niet onbegrijpelijk. Het Hof behoefde - anders dan in middel 3 wordt betoogd - evenmin onderzoek te doen naar de juistheid van de stelling van de Inspecteur omtrent de gescheiden aanslagregeling voor de inkomstenbelasting en voor de vennootschapsbelasting. Middel 3 faalt derhalve ook voor het overige.
3.5.
De middelen 4 tot en met 8, die betrekking hebben op het oordeel van het Hof omtrent de navorderingsaanslag, kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.6.
Middel 9 bestrijdt de hiervoor in 3.2.3 vermelde oordelen van het Hof omtrent de vergrijpboete met onder meer de stelling dat belanghebbende in hoger beroep wel heeft weersproken de stelling van de Inspecteur dat de correctieboekingen in de rekening-courantverhoudingen door hem zouden zijn geïnitieerd. Voorts betoogt middel 9 dat het Hof heeft nagelaten te onderzoeken of bij belanghebbendes gemachtigde sprake was van opzet of grove schuld.
Het middel slaagt in zoverre. In hetgeen belanghebbende op de bladzijden 3 en 4 van zijn "Memorie van Antwoord in incidenteel hoger beroep" heeft gesteld omtrent de rol van zijn gemachtigde ligt onmiskenbaar een betwisting van voormelde stelling van de Inspecteur besloten. Voorts is daarin neergelegd de stelling dat belanghebbende geen (voorwaardelijk) opzet of grove schuld kan worden verweten, gezien de rol van de gemachtigde en de door belanghebbende betrachte zorgvuldigheid bij de keuze van die gemachtigde. Dat belanghebbende in dat verband heeft verklaard dat hij jegens zijn gemachtigde in 2002 een vermoeden van onjuistheid van enkele rekeningen-courant heeft uitgesproken houdt niet de erkenning in dat de correctieboekingen door hem zijn geïnitieerd. Het Hof had derhalve de betwisting door belanghebbende niet onbesproken mogen laten. 's Hofs hiervoor in 3.2.3 weergegeven oordelen zijn derhalve onvoldoende gemotiveerd. Middel 9 behoeft voor het overige geen behandeling.
3.7.
Gelet op het hiervoor in 3.6. overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 30 maart 2009. Sindsdien zijn tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, meer dan twee jaren verstreken. Dit levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM op. Indien na verwijzing de aan belanghebbende opgelegde boete tot enig bedrag in stand blijft, is het aan het verwijzingshof om - met inachtneming van de totale duur van de berechting - te beoordelen of en, zo ja, in hoeverre aan vorenbedoelde overschrijding gevolg dient te worden verbonden voor de hoogte van de boete.
5. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten van het geding in cassatie, aangezien van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank een vergoeding dient te worden toegekend.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 110.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck, A.R. Leemreis, E.N. Punt en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2012.
Beroepschrift 13‑01‑2012
Inleiding
Belanghebbende is per 1 september 1995 uit dienst getreden bij [E]. In samenspraak met de Belastingdienst is een stamrecht bv opgericht genaamd [A] Beheer BV (verder Beheer B.V.).
Op 1 maart 1996 heeft [X] de eenmanszaak [B] laten inschrijven bij Kamer van Koophandel, Beheer B.V. leende het startkapitaal.
Op 12 augustus 1997 is de eenmanszaak [B] met terugwerkende kracht per 1 januari 1997 omgezet in een besloten vennootschap. Beheer BV was enige aandeelhouder van [C] B.V. Er was sprake van een fiscale eenheid.
[C] B.V. is op 18 juli 2000 gefailleerd. Op 21 mei 2002 is het faillissement wegens gebrek aan baten opgeheven.
Begin 2003 heeft belanghebbende zijn toenmalige accountant [F] er op geattendeerd dat volgens hem de rekening-courant verhouding belanghebbende/Beheer B.V. onjuist werd weergegeven. Volgens hem waren leningen door Beheer B.V. aan [C] B.V. ten onrechte geboekt als leningen aan belanghebbende in privé.
Op 6 februari 2003 heeft de Belastingdienst van [F] een corrigeerde jaarrekening 1999 en de aansluitende jaarrekening 2000 Beheer B.V. ontvangen. Op 15 september 2003 heeft de Belastingdienst laten weten de correctie jaarrekening 1999 niet te accepteren en de oorspronkelijke jaarrekening in casu aanslag te handhaven.
De correctie jaarrekening 1999 Beheer B.V. is door de Belastingdienst als zijnde een bezwaarschrift behandeld en niet-ontvankelijk verklaard.
Op 15 september 2003 heeft de Belastingdienst ook haar voornemen kenbaar gemaakt het verlies van de jaarrekening 2000 Beheer B.V. te willen verlagen. Aansluitend op 30 september heeft de gemachtigde [F] schriftelijk gereageerd met de mededeling dat hij de jaarrekening 2001 Beheer B.V. weer naar de oude situatie zou aanpassen.
De jaarrekening 2001 Beheer B.V. is vervolgens weer naar de oude situatie (oorspronkelijk 1999) aangepast. De gemachtigde [F] is vervolgens gefailleerd, de opvolger heeft op deze verbeterde basis de jaarrekening 2002 Beheer B.V. ingericht.
Op 6 december 2004 heeft eiser een schrijven ontvangen waarin de inspecteur haar voornemen kenbaar maakt een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekering 2002 te willen opleggen.
De gronden waarop de Belastingdienst de navorderingsaanslag baseert, zijn — kort gezegd — de op 4 februari 2003 ingediende gecorrigeerde jaarrekening Beheer B.V. 1999 en het feit dat, volgens de Belastingdienst van onjuiste rekening-courantboekingen niets is gebleken.
Bovendien zou de curator in het faillissement van [C] B.V. niets van een vordering van [B] op eiser hebben geweten.
Uit het geheel van handelingen zou af te leiden zijn dat eiser kennelijk niet meer van plan was om zijn schuld aan Beheer BV te voldoen. Bovendien stelde de inspecteur dat belanghebbende voor het jaar 2002 willens en wetens een onjuiste aangifte inkomensbelasting/ premie volksverzekeringen zou hebben gedaan.
1. Cassatiemiddelen
1.1.
De uitspraak van het gerechtshof Leeuwarden, onder kenmerk 07/00120, uitgesproken op 27 februari 2009, dient hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd (productie 1).
2. Middel 1
2.1.
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich meebrengt doordat het gerechtshof heeft overwogen, recht gedaan en beslist als in de bestreden uitspraak is opgenomen, om de volgende mede in onderling verband in aanmerking te nemen redenen; omdat het hof tijdens de (terecht)zitting niet de juiste vormvoorschriften heeft gehanteerd en uit de handelingen van het hof niet duidelijk is of er sprake was van een schorsing dan wel het onderzoek ter (terecht)zitting opnieuw is aangevangen. Het hof heeft tijdens de (terecht)zitting onvoldoende een processuele scheiding aangehouden tussen de navorderingszaak en de boeteprocedure. Dit middel richt zich onder andere op artikel 8:64 Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb) schorsing ter zitting, richtlijnen procesregeling bestuursrecht artikel 15, artikel 8 :28a vierde tranche Awb, artikel 273 lid 1 en 2, artikel 322 lid 1 en 3 Wetboek van Strafvordering (hierna WvSv) en artikel 6 Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna EVRM).
Toelichting:
2.2.
Belanghebbende is van mening, dat bij de toepassing van bestuurlijke boetes analoog ook het Nederlands straf-(proces) recht van toepassing is. De door het belastingrecht gehanteerde begrippen opzet en schuld zijn als zodanig afgeleid uit dit wetboek. In Uw arrest LJN: AU7741, Hoge Raad, 40369 legt U een directe relatie met het IJzerdraadarrest. Het is vaste rechtspraak dat de fiscale administratieve boet wordt aangemerkt als strafvervolging in de zin van artikel 6 EVRM (HR BNB 1986/29, HR BNB 1990/287). Bovendien sluit de wetgever bij de vierde tranche Awb, titel 5.4 bestuurlijke boetes aan bij het Nederlands straf-(proces) recht.
2.3.
Op 13 oktober 2008 heeft de eerste zitting in dit geschil plaats gevonden.
De voorzitter heeft tijdens aanvang van de (terecht)zitting belanghebbende niet gevraagd naar zijn personalia, zoals voorgeschreven in lid 1, artikel 273 WvSv. Alleen de naam werd geverifieerd. Belanghebbende is tijdens de zitting als eerste in de gelegenheid gesteld zijn pleitnota voor te lezen en vragen van het hof te beantwoorden. De inspecteur werd daarna de mogelijkheid geboden een pleitnota voor te lezen, een nadere toelichting op de zaak te geven en op de pleitnota van belanghebbende te reageren.
De inspecteur gaf aan niet in het bezit te zijn van het juiste dossier en de zaak inhoudelijk niet te kennen en derhalve geen bijdrage aan te zitting te kunnen leveren. Het hof heeft na deze mededeling de zitting geschorst met het verzoek aan partijen om te bezien of er onderling geschikt kon worden. De inspecteur werd verzocht zich op de volgende zitting met de juiste stukken door een collega te laten vervangen. Verder deelde het hof mede, dat de zitting in 2009 in dezelfde samenstelling zou worden hervat (hof r.o. 1.5.).
Op 23 december 2008 heeft belanghebbende een uitnodiging voor deze zitting ontvangen (productie 2) en vervolgens een herinnering op 4 februari 2009. De zitting is op 11 februari 2009 (hof r.o. 1.6.) in een gewijzigde samenstelling van de rechters voortgezet (productie 3). Bij aanvang zijn er door het hof geen processuele mededelingen gedaan.
2.4.
Artikel 8:64, lid 3, Awb en artikel 322, lid 1 WvSv schrijven voor dat de zaak op de nadere zitting wordt hervat in de stand waarin zij zich bevond. Ten onrechte heeft het hof bij hervatting van de zaak de inspecteur in de gelegenheid gesteld alsnog een pleitnota voor te lezen in casu in te brengen. Dit is rechtens onjuist, immers deze gelegenheid was al in de vorige zitting geboden.
2.5.
In zijn uitspraak stelt het hof dat de zitting was geschorst (hof r.o. 1.5.). De juridische vraag ligt voor of dit uit het feitelijk handelen blijkt en de wettelijke vormvoorschriften juist zijn toegepast. De richtlijnen procesregeling bestuursrecht artikel 15, lid 1 schrijft voor dat wanneer ‘niet alle partijen aanwezig zijn’ en de rechtbank het onderzoek ter zitting met toepassing van artikel 8:64, lid 1, Awb heeft geschorst, de griffier binnen twee weken na de zitting mededeling aan partijen doet van de schorsing en van de wijze waarop het onderzoek wordt voortgezet. Belanghebbende is van mening dat de regel ‘niet alle parijen aanwezig zijn’ in dit concreet geval analoog dient te worden toegepast. Lid 2 van de richtlijnen procesregeling bestuursrecht artikel 15 geeft verder aan dat de griffier na heropening van het onderzoek mededeling aan partijen doet van de heropening en de wijze waarop het onderzoek wordt voorgezet. De griffier heeft geen van de handelingen verricht zoals in de genoemde richtlijnen zijn voorgeschreven. Ook heeft het hof zelf bij de hervatting van de zitting geen processuele mededelingen gedaan. Het hof heeft ook geen mededeling gedaan ex. artikel 322, lid 2 WvSv. Door dit na te laten heeft het hof hier in strijd met de vormvoorschriften gehandeld.
2.6.
Onduidelijk is nu of de zitting van 11 februari 2009 rechtens gezien moet worden als een hervatting van de geschorste zitting van 13 oktober 2008 of als een aanvang van een nieuwe zitting.
2.7.
Belanghebbende is van mening dat uit het feitelijk handelen kan worden geconcludeerd, dat er sprake is van een nieuwe zitting en dat het hof in haar uitspraak ten onrechte spreekt van schorsing. Indien Uw College van mening is dat er wel sprake is van een schorsing dan zijn de rechtsregels in casu richtlijnen onjuist gehanteerd. Bovendien is tijdens de hervatting de samenstelling van het hof zonder nadere mededeling gewijzigd. Het hof heeft hiermede in strijd met artikel 322, lid 3 WvSv gehandeld. Dit artikel schrijft voor dat in het geval de samenstelling van de rechtbank bij hervatting gewijzigd is, deze opnieuw wordt aangevangen.
2.8.
Artikel 8:28a, vierde tranche, lid2 Awb en artikel 273 lid 2 WvSv vermelden dat ingeval van een bestuurlijke boete de rechtbank voor zij deze partij verhoort, haar mededeelt dat zij niet verplicht is tot antwoorden.
De vierde tranche is nog geen geldend recht, maar dient wel als ongeschreven bestuursrecht te worden toegepast. Tijdens de zitting heeft het hof er voor gekozen geen processuele scheiding te maken tussen enerzijds de bestreden navordering en anderzijds de bestuurlijke boete. Iedere vraag is daarmee direct of indirect een verhoor binnen het juridische kader van de bestuurlijke boete. Het hof heeft rechtens onjuist gehandeld door na te laten belanghebbende er op te wijzen dat antwoorden niet verplicht is, dan wel antwoorden zijn rechtspositie kan schaden.
2.9.
Belanghebbende is van mening dat de omstandigheden genoemd onder punt 2.2., 2.3., 2.4., 2.5., 2.6., 2.7. en 2.8 zowel zelfstandig als in samenhang beschouwd een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 EVRM in de weg staan en het hof rechtens processueel onjuist heeft gehandeld.
3. Middel 2
3.1.
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich meebrengt doordat het gerechtshof heeft overwogen, recht gedaan en beslist als in de bestreden uitspraak is opgenomen, om de volgende, mede in onderling verband in aanmerking te nemen redenen; omdat het hof ten onrechte zijn rechtsoverwegingen in hoofdzaak met betrekking tot de navordering en de boete baseert op een door de inspecteur uitgesproken niet-ontvankelijk bezwaar van de corrigeerde jaarrekening 1999 Beheer B.V. en de daarbij behorende corrigeerde aanslag. Belanghebbende is tegen deze uitspraak niet in beroep gegaan.
Toelichting:
3.2.
Het hof baseert in meerdere van haar rechtsoverwegingen (hof r.o. 4.2., 4.3., 4.6., 4.7., 4.11.) — in navolging van de inspecteur — de bestreden navordering IB/PV en de daarmee samenvallende bestuurlijke boete op de corrigeerde jaarrekening 1999 Beheer B.V. Belanghebbende verwijst in het bijzonder naar r.o. 4.6. van het hof waarin het hof nogeens uitdrukkelijk stelt: ‘overigens is het hof van oordeel dat de inspecteur hiervoor steeds heeft verwezen naar de gecorrigeerde aangifte 1999 als bedoeld onder 2.11.’
3.3.
Op 6 februari 2003 heeft de inspecteur de gecorrigeerde jaarrekening 1999 Beheer B.V. met een begeleidend schrijven ontvangen. In een reactie schrijft de inspecteur d.d. 15 september 2003, kenmerk 8043.44.504/Vpb/JH als volgt:
‘Het bezwaarschrift heb ik ontvangen op 6 februari 2003. Dit is niet binnen de wettelijke termijn. Daarom is het bezwaarschrift niet ontvankelijk. Toch heb ik uw bezwaar inhoudelijk beoordeeld. Ik behandel uw bezwaar echter als een verzoek’.
‘Ik ben het niet eens met uw verzoek en heb besloten de aanslag te handhaven’.
De inspecteur meldt dat de correctie als bezwaarschrift is behandeld en verklaart deze vervolgens voor niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de wettelijke termijn. Het bezwaar wordt door de inspecteur verder als verzoek behandeld en afgewezen. Als rechtsgevolg verklaart de inspecteur dat de aanslag in casu de oorspronkelijke jaarrekening 1999 Beheer B.V. blijft gehandhaafd (Hof r.o. 2.11.).
Belanghebbende heeft in zijn beroep tegen uitspraak rechtbank (grief 5) en in zijn conclusie van repliek (grief 2, par. 2 en grief 5) uitgebreid betoogt dat nu de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard de gecorrigeerde jaarrekening 1999 Beheer B.V. rechtens als niet verzonden in casu als niet ontvangen moet worden beschouwd. De inspecteur geeft dit ook impliciet aan door te stellen dat de oorspronkelijke aanslag blijft gehandhaafd.
3.4.
Belanghebbende is van mening dat het hof het recht onjuist heeft toegepast door aan de gecorrigeerde, niet ontvankelijk verklaarde, jaarrekening 1999 Beheer B.V. als rechtsgevolg te verbinden dat belanghebbende een foutieve aangifte IB/PV 2002 zou hebben ingediend en dit handelen tevens als grondslag voor (voorwaardelijk) opzet voor de bestuurlijke boete heeft te doen gelden.
3.5.
Het hof laat iedere motivering achterwege waarom belanghebbende van een onjuiste rechtsopvatting uitgaat zoals in zijn grieven verwoordt (belanghebbende verwijst naar punt 3.3.). Belanghebbende is van mening dat nu het hof ten onrechte zijn grief niet in zijn beslissing heeft betrokken, er rechtens sprake is van een motivatiegebrek en het hof op de feiten beoordeeld de wet niet met juistheid heeft toegepast.
4. Middel 3
4.1.
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich meebrengt doordat het gerechtshof heeft overwogen, recht gedaan en beslist als in de bestreden uitspraak is opgenomen, om de volgende, mede in onderling verband in aanmerking te nemen redenen; omdat het hof ten onrechte heeft gemeend, dat er sprake is van een nieuw feit.
Dit middel richt zich onder andere op de toepassing van artikel 16, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna AWR) en hoofdstukken 6 en 7 Awb.
Toelichting:
4.2.
In r.o. 4.2. van zijn uitspraak komt het hof tot de conclusie dat uit de aantekeningen van de behandelaar gemaakt over het verloop van de bezwaarprocedure tegen de vennootschapsbelasting 1999 van Beheer B.V., kan worden opgemaakt dat de inspecteur eerst in september 2003 — derhalve na dagtekening van de definitieve aanslag IB/PV voor het jaar 2002 — beschikte over stukken die konden leiden tot de conclusie dat de definitieve aanslag IB/PV voor het jaar 2002 te laag was gesteld.
Rechtens gaat het hof van een onjuiste veronderstelling uit, immers er is geen bezwaarprocedure ingesteld. De inspecteur heeft de gecorrigeerde jaarrekening 1999 Beheer B.V. — op eigen initiatief — als bezwaarschrift behandeld en vervolgens niet-ontvankelijk verklaard. Tot een wettelijke bezwaarprocedure is het niet gekomen.
4.3.
Op 6 februari 2003 heeft de inspecteur de gecorrigeerde jaarrekening 1999 Beheer B.V. ontvangen. De behandelaar vermeldt daarover in zijn aantekeningen d.d. 11/14 februari 2003 (hof r.o. 4.4.) het volgende:
‘In het eerste rapport had de BV een vordering van ong. ƒ 220.000 op de digra (dir. grootaandeelhouder) en een vordering van ong. ƒ 91.000 op de gevoegde dochter.
In het verbeterde rapport vinden allerlei correcties plaats op de rekening-courant.
Nu heeft de BV een schuld aan de digra van ongeveer ƒ 28.000 en heeft de BV een vordering van ongeveer ƒ 316.000 op de gevoegde dochter’.
De inspecteur motiveert het besluit d.d. 6 december 2004 (hof r.o. 2.17.) in de aankondiging van de navordering IB/PV 2002 als volgt:
‘De volwaardige schuld die u had aan [A] Beheer is hiermee getransformeerd tot een schuld van u aan de inmiddels failliete [C] BV. [A] Beheer heeft hiermee een volwaardige vordering op u omgezet in een waardeloze vordering op [C] BV’.
Belanghebbende heeft in zijn conclusie van repliek, grief 4 en zijn pleitnota d.d. 13 oktober 2008, paragraaf 2 betoogt dat de inspecteur wel kennis had van de gewijzigde rekeningcourant-verhouding. Het hof heeft niet gemotiveerd waarom hij belanghebbende in deze niet volgt.
4.4.
Uit de aantekeningen van de behandelaar van 11/14 februari 2003 (punt 4.3.) blijkt dat de inspecteur kennis had van de correctie. De betekenis en het gewicht van de correctie blijkt uit de aantekening, waarvan de inhoud overeenstemt met de uiteindelijke motivatie van de inspecteur voor de navordering IB/PV 2002. Uit eerdere jurisprudentie van Uw College volgt:
- —
‘dat art. 38 der Wet op de Vermogensbelasting als ‘eenig feit’ het welk grond kan opleveren voor navordering, op het oog heeft een feit aan het licht gekomen nadat de aanslag is geregeld; dat als zoodanig feit niet kan worden aangemerkt eene omstandigheid waarvan redelijkerwijs mag worden verondersteld, dat de inspecteur bij het opleggen van de aanslag bekend hoorde te zijn en daarom niet verschoonbaar maakte, dat hij aanvankelijk van onjuiste gegevens is uitgegaan’ (HR 2 november 1921, B. nr. 2871).
- —
De inspecteur moet — volgens Scheltens — bij het vaststellen van de aanslag op straffe van verval van zijn navorderingsbevoegdheid de van hem in redelijkheid te eisen zorgvuldigheid betrachten. In dit stelsel is de zekerheid voor de belastingplichtige afhankelijk gemaakt van het handelen van de inspecteur en niet van de verwachting die de contribuabele mag koesteren (J.P. Scheltens, De algemene Wet inzake rijksbelastingen, Arnhem —losbladig— blz. 393).
- —
Artikel 16, lid 1, AWR stelt: ‘Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren.’
De inspecteur heeft in deze een onderzoeksplicht, die wordt begrenst door redelijkerwijs te handelen.
Uw College oordeelde eerder over dit vraagstuk omtrent een ambtshalve opgelegde aanslag inkomstenbelasting als volgt:
- —
‘De wijziging van de rekening-courantschuld is echter van zodanige omvang dat dit gegeven gevoegd bij de omstandigheid dat de inspecteur van de zijde van belanghebbende geen aangifte inkomstenbelasting 1990 had ontvangen, de inspecteur aanleiding moeten geven alvorens de aanslag op te leggen nadere informatie omtrent de rekening-courantschuld te vragen. Door dit na te laten heeft hij een ambtelijk verzuim begaan dat navordering verhindert’
(HR 2 november 2001, BNB 2002/38).
4.4.
Het hof zegt wel in zijn r.o. 4.2. dat de inspecteur uit de in februari 2003 ontvangen gecorrigeerde aangifte vennootschapsbelasting 1999 kennis had van correcties op de rekening-courantverhoudingen, maar dat daaruit niet zonder meer een uitdeling in het jaar 2002 zou kunnen worden gedestilleerd. Belanghebbende leest hieruit dat het hof concludeert dat er wel kennis was bij de inspecteur van ‘enig feit’ (art. 16, lid 1 AWR), maar dat de omvang van het feit op dat moment onvoldoende bekend was.
4.5.
Belanghebbende is van mening dat uit de aantekeningen van de inspecteur (punt 4.2.) de ernst van het ‘feit’ duidelijk was. Het hof geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting door impliciet te stellen dat er in wettelijke zin slechts sprake is van ‘enig feit’ wanneer dit feit in volle omvang bekend is. Dit is in strijd met de bedoeling en de interpretatie van de wetgever zoals in lid 1artikel 16 AWR gesteld, waar deze spreekt van redelijkerwijs bekend had kunnen zijn. Ook het waarnemen van ‘enig feit’, zonder de werkelijke omvang te kennen, valt onder de kwalificatie als redelijkerwijs bekend had kunnen zijn. Deze waarneming dwingt de inspecteur tot zijn onderzoeksplicht.
4.6.
Belanghebbende meent dat het hof door als feit te constateren (punt 4.4.) dat de inspecteur kennis had van de correcties op de rekening-courantverhouding, het hof de wet niet met juistheid heeft toegepast, door hier niet rechtens aan te verbinden dat er ex. artikel 16, lid 1 AWR geen grond tot navordering was. Bovendien geeft het aangehaalde arrest onder punt 4.3. met ‘alvorens de aanslag op te leggen’ aan dat de inspecteur tot nader onderzoek is verplicht alvorens de aanslag op te leggen.
4.6.
Belanghebbende is van mening dat het hof er geen blijk van heeft gegeven dat zij heeft onderzocht of de inspecteur op redelijke gronden vóór 23 juli 2003 (datum aanslag IB/PV 2002) kennis of vermoeden van een feit had kunnen hebben, die navordering belemmerde.
Ook heeft het hof er geen blijk van gegeven te hebben onderzocht of de inspecteur in deze aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan. Nu het hof dit heeft nagelaten is zij rechtens van foutieve rechtsgronden uitgegaan althans is de motivatie gebrekkig.
4.7.
Rechtens is de opvatting van het hof (r.o. 4.2.) onjuist dat er geen aanleiding was tot een traditionele (dus niet geautomatiseerd) verwerking van de aangifte IB/PV 2002. Uit vaste jurisprudentie vloeit voort dat de keuze voor geautomatiseerde verwerking voor rekening van de inspecteur zelf komt. De ernst van de vermeende geconstateerde feiten zouden juist wel aanleiding tot een niet-geautomatiseerde verwerking moeten geven.
4.8.
De keuze van de inspecteur in 2003 voor een gescheiden aanslagregeling (er was geen sprake meer van branchegerichte teams met klantmanagers), zodat er geen sprake meer is van samenhang in de behandeling van de inkomstenbelastingaangiften en de vennootschapsbelastingaangiften is een interne keuze van de inspecteur (hof r.o. 2.22. en 4.3).
De rechtsgevolgen kunnen niet op de belastingplichtige worden afgewenteld.
Het hof stelt (in navolging van de inspecteur) dat de interne wijziging sinds 2003 is ingevoerd. Hiermee is niet uitgesloten dat in de periode april/juli 2003 de teams nog wel functioneerden. Het hof had volgens de regels van bewijsrecht moeten onderzoeken of de door de inspecteur gestelde feiten juist waren. Bovendien heeft de Belastingdienst gekozen voor een mandaatstelsel. Vanuit dit stelsel werken de ambtenaren in naam van de inspecteur.
Dus ook bij een gescheiden werkwijze heeft de inspecteur in juridische zin steeds kennis van alle in zijn naam uitgevoerde werkzaamheden, zowel wat betreft de vennootschapsbelasting als de inkomensbelasting.
4.9.
Het hof stelt in r.o. 4.3. dat de aanslagen vennootschapsbelasting waarnaar verwezen wordt, op een ander jaar zien dan de onderhavige aangifte IB/PV 2002. Onbegrijpelijk is deze motivatie, omdat de inspecteur zelf stelt dat voor de aangifte IB/PV het jaar van het ontstaan van de winst, beloning of uitdeling geldt.
4.10.
Het hof is bij het beoordeling of er sprake was van een nieuw feit uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting althans heeft het hof zijn oordeel onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd.
Bij een juiste toepassing van het recht op de feiten had het hof moeten concluderen dat er sprake was van ‘enig feit’ dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn en er aldus geen grond tot navordering was.
5. Middel 4
5.1.
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich meebrengt doordat het gerechtshof heeft overwogen, recht gedaan en beslist als in de bestreden uitspraak is opgenomen, om de volgende, mede in onderling verband in aanmerking te nemen redenen; omdat er volgens het hof sprake is van winstdeling en deze kwalificatie niet van toepassing is op het door het hof aangehaalde — door de inspecteur genoemde — ‘genietingsmoment’. Ook heeft het hof de hier opgerichte grief van belanghebbende onbesproken gelaten. Dit middel richt is onder andere op de artikelen 4.43, 4.12 en 4.13 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna IB 2001).
Toelichting:
5.2.
In zijn r.o. 4.5. stelt het hof ‘De einddatum ontleent hij (de inspecteur) aan het feit dat op 30 december 2002 de standaardjaarstukken, behorend bij de aangifte vennootschapsbelasting 2000 van Beheer B.V. bij de belastingdienst zijn binnengekomen.’
Deze motivatie is onbegrijpelijk en onlogisch, immers het hof heeft steeds gesteld dat de gecorrigeerde jaarrekening 1999 Beheer B.V. als basis voor de uitdeling en de bestuurlijke boete had te gelden. Belanghebbende verwijst in deze naar de volgende overwegingen van het hof: 4.2., 4.3. en 4.7.
5.3.
Onbegrijpelijk in relatie tot het voorgaande punt 5.2. is ook de motivatie van het hof in haar r.o. 4.6., waarin hij ten aanzien van de uitdeling stelt: ‘Voor de grondslag is niet van belang aan welke stukken de inspecteur deze conclusie ontleent.’ Het hof geeft de inspecteur als het ware een vrijbrief in zijn handelen. Belanghebbende is van mening dat deze uitspraak getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, ook in het licht van de opgelegde bestuurlijke boete.
5.4.
In zijn r.o. 4.5. stelt het hof; ‘De einddatum ontleent hij (de inspecteur) aan het feit dat op 30 december 2002 de standaard jaarstukken, behorend bij de aangifte vennootschapsbelasting 2000 Beheer B.V., bij de belastingdienst zijn binnengekomen’. Het hof verwijst verder naar haar r.o. 2.19. Hierin wordt vastgesteld dat de aangifte vennootschapsbelasting Beheer B.V. voor het jaar 2000 op 30 december 2002 door verweerder is ontvangen en de ontvangst daarvan op 3 januari 2003 administratief is geregistreerd. In zijn conclusie van repliek, grief 2, par. 1, sub b, heeft belanghebbende betoogt dat niet de fysieke ontvangst maar de administratieve registratie als ontvangsttijdstip heeft te gelden. Het hof heeft dit als essentieel te gelden onderdeel van de grief onbesproken gelaten.
5.5.
Belanghebbende heeft ook in zijn pleitnota (hof r.o. 1.5.) pagina 1 gesteld, dat het ‘genietingsmoment’ waarop de inspecteur zich beroept (verweerschrift en incidenteel hoger beroep, grief 2) niet van toepassing is. Belanghebbende stelt dat artikel 4.43 juncto artikel 4.12 juncto artikel 4.13, lid 1 Wet IB 2001 geen betrekking hebben op inkomen uit aanmerkelijk belang. Het hof heeft deze essentiële grief in casu stelling in het geheel onbesproken gelaten. Belanghebbende is van mening dat hier sprake is van een motivatiegebrek. Ook de inspecteur heeft deze stelling in zijn verweerschrift en conclusie van dupliek niet tegengesproken.
5.6.
De in dit middel aangevoerde punten 5.2., 5.3., 5.4. en 5.5. geven aan dat de motivatie van het hof — zelfstandig of in samenhang beoordeeld — geheel ontbreekt, dan wel gebrekkig is geweest, althans dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan.
6. Middel 5
6.1.
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich meebrengt doordat het gerechtshof heeft overwogen, recht gedaan en beslist als in de bestreden uitspraak is opgenomen, om de volgende, mede in onderling verband in aanmerking te nemen redenen; omdat het hof zijn oordeel onderbouwt op onjuist gemotiveerde- en/of niet ter zake doende gronden.
Toelichting:
6.2.
In haar r.o. 4.7. stelt het hof dat belanghebbende aan de handelswijze van de inspecteur niet het vertrouwen kan ontlenen dat de inspecteur heeft ingestemd met de aangebrachte correcties in de rekening-courantstanden zoals vermeld onder punt 2.10 van de uitspraak van hof. De r.o. 2.10 van het hof sluit aan bij zijn r.o. 2.9. en heeft betrekking op de verbeterde aangifte vennootschapsbelasting 1999 met de verbeterde jaarstukken over 1999 Beheer B.V.
6.3.
Onbegrijpelijk is deze uitleg van het hof omdat hij ter onderbouwing van zijn oordeel verwijst naar punt 1 van de pleitnota van de inspecteur ter zitting van 11 februari 2009 (hof r.o. 1.6.). Dit gedeelte van de pleitnota richt zich tegen de nadere stukken dan wel akte van belanghebbende (hof r.o. 1.6.), waarin belanghebbende stelt en onderbouwt dat er sprake is van vrijwillige verbetering in de jaarrekening 2001 in relatie tot de jaarrekening 2000 en de gecorrigeerde jaarrekening 1999 Beheer B.V.
Het hof heeft deze nadere stukken (door belanghebbende akte genoemd) in haar uitspraak onbesproken gelaten.
Het hof heeft zijn oordeel onjuist en onvoldoende gemotiveerd, althans is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting,
7. Middel 6
7.1.
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich meebrengt doordat het gerechtshof heeft overwogen, recht gedaan en beslist als in de bestreden uitspraak is opgenomen, om de volgende, mede in onderling verband in aanmerking te nemen redenen; omdat het hof onvoldoende inzicht geeft in zijn gedachtengang.
Toelichting:
7.2.
In zijn r.o. 4.8. stelt het hof dat het beroep van belanghebbende dat hij door tijdsverloop in een nadelige bewijspositie zou verkeren hem niet kan baten, omdat hij degene is die in 2003 met de correctieboekingen is gekomen.
7.3.
In zijn beroep tegen uitspraak rechtbank (grief 9, par.3) en in zijn conclusie van repliek (grief 9, par. 5) en in zijn pleitnota (par.7) doet belanghebbende een beroep op bijzondere omstandigheden, waardoor belanghebbende in zijn verdediging is geschaad. Belanghebbende stelt hier dat de inspecteur 22 maanden heeft laten verlopen tussen het moment waarop hij het feit heeft vastgesteld en het moment van de berichtgeving van de navordering.
7.4.
De motivatie van het hof om geen rekening te houden met eventuele bijzondere omstandigheden, omdat belanghebbende zelf met correctieboekingen is gekomen, is onbegrijpelijk en vindt geen steun in de wet of in een rechtsbeginsel. Het feit dat belanghebbende zelf met een correctieboeking is gekomen, sluit niet zonder meer een beroep op bijzondere omstandigheden uit. Voor zover het hof zich richt op de correctie jaarrekening 1999 Beheer B.V. heeft belanghebbende gesteld dat deze wegens niet-ontvankelijkheid buiten beschouwing dient te blijven (middel 2). De overweging is onzorgvuldig en is niet met redenen omkleed. Het getuigt ook van een onjuiste rechtsopvatting dat het hof — althans daar geen blijk van geeft — de redenen die ten grondslag liggen aan de ‘late’ navordering niet ambtshalve heeft onderzocht.
8. Middel 7
8.1.
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich meebrengt doordat het gerechtshof heeft overwogen, recht gedaan en beslist als in de bestreden uitspraak is opgenomen, om de volgende, mede in onderling verband in aanmerking te nemen redenen; omdat het hof zijn oordeel op onjuiste, niet ter zake doende stukken heeft gegrond.
Toelichting:
8.2.
In zijn r.o. 4.10 stelt het hof dat voor zover de grieven van belanghebbende betrekking hebben op andere beschikkingen dan de onderhavige navorderingsaanslag, zij in het onderhavige geding niet aan de orde komen. Ten onrechte noemt het hof in deze rechtsoverweging het schrijven van de inspecteur d.d. 15 september 2003 (bijlage 8, beroepschrift hoger beroep), de aanvulling beroep (bijlage 26, beroepschrift hoger beroep) en het schrijven van de inspecteur d.d. 12 december 2006 (bijlage 6, conclusie van repliek) voor bezwaarvatbare beslissingen. Alleen de aanslag vennootschapsbelasting 2000 (bijlage 5, conclusie van repliek) betreft een voor bezwaar vatbare beslissing. De grondslag van het hof voor deze motivering is niet op de juiste feiten gebaseerd en als zodanig gebrekkig.
8.3.
Belanghebbende heeft in zijn conclusie van repliek, grief 6, par. 3 en grief 11 aangevoerd dat met betrekking tot de jaarrekening 2000 Beheer B.V. de inspecteur steeds wisselende (van correctie naar correctie) aanslagen vennootschapsbelasting heeft afgegeven. Als het hof in deze rechtsoverweging bedoeld dat de jaarrekening 2000 en de aanslagen vennootschapsbelasting 2000 Beheer B.V. geen deel uitmaken van dit geschil, dan is dat rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering — die in de uitspraak ontbreken — onbegrijpelijk. Immers in r.o. 2.19. en 4.3. van het hof wordt de jaarrekening 2000 en de aangifte vennootschapsbelasting 2000 Beheer B.V. door het hof zelf in het geschil betrokken in casu maakt dit boekjaar deel uit van het geschil.
9. Middel 8
9.1.
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich meebrengt doordat het gerechtshof heeft overwogen, recht gedaan en beslist als in de bestreden uitspraak is opgenomen, om de volgende, mede in onderling verband in aanmerking te nemen redenen; omdat het hof diverse grieven in casu stellingen op niet nader verklaarde gronden buiten beschouwing heeft gelaten.
Toelichting:
9.2.
Het hof heeft ten onrechte, zonder verdere motivatie, de volgende door belanghebbende ingebrachte grieven in zijn geheel niet en/of slechts ten dele in zijn uitspraak betrokken.
9.3.
Grief 6 van zijn beroep tegen uitspraak van de rechtbank, grief 6 van zijn conclusie van repliek, pleitnota par. 3 en zijn nadere stukken (akte). Belanghebbende verwijst in deze naar r.o. 1.4., 1.5. en 1.6. van het hof.
Belanghebbende heeft hier uitgebreid betoogd, dat vóór de aankondiging van de bestreden navordering IB/VP 2002 en met kennisgeving aan de inspecteur door de gemachtigde de jaarrekening 2001 en 2002 Beheer B.V. in aansluiting op de gecorrigeerde jaarrekening 1999 Beheer B.V. vrijwillig zijn verbeterd.
9.4.
In zijn beroep tegen uitspraak rechtbank (grief 3) en conclusie van repliek (grief 3) richt belanghebbende zijn grief tegen de niet-onafhankelijkheid van de behandelaar van het bezwaar. Alleen par. 3 van grief 3 van zijn conclusie van repliek is door het hof behandeld (artikel 10: 3 lid 3 Awb).
9.5.
In zijn grief 12, conclusie van repliek heeft belanghebbende gesteld dat de mandatering van de ambtenaren niet op de juiste wettelijke wijze bekend is gemaakt in casu aan de mandaten een gebrek kleefde. Het hof heeft deze grief in zijn geheel niet behandeld.
Ook de inspecteur heeft in zijn conclusie van dupliek geen stelling tegen dit standpunt ingenomen.
9.6.
In zijn grief 8 conclusie van repliek komt belanghebbende in par. 4 op tegen het door de inspecteur subsidiair gestelde dat belanghebbende feitelijk is overgegaan tot afkoop van de stamrechtverplichting. Het hof heeft deze grief in zijn geheel niet behandeld.
9.7.
Onder punt 5.4. en 5.5. van dit beroepsschrift heeft belanghebbende reeds aangegeven dat de grief in casu de stelling tegen het ‘genietigsmoment’ van de inspecteur niet door het hof is behandeld.
9.8.
Het voorgaande onder de punten 9.1. tot en met 9.7. brengt mee dat de in hoger beroep ontwikkelde grieven en stellingen voor zover zij zijn voorgedragen ter ondersteuning van dit beroep deze wel degelijk en alsnog bespreking behoeven. Het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door dit na te laten.
10. Middel 9
10.1.
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich meebrengt doordat het gerechtshof heeft overwogen, recht gedaan en beslist als in de bestreden uitspraak is opgenomen, om de volgende, mede in onderling verband in aanmerking te nemen redenen; omdat het bewijs van opzet of grove schuld wettelijk niet is bewezen en het hof in haar onderzoeksplicht is tekort geschoten.
Dit middel richt zich tegen de opgelegde bestuurlijke boete. De volgende wets- en gedragsartikelen zijn onder andere in het geding: artikel 67e AWR, § 25 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna BBBB 1998), artikelen 273, 322 WvSv, artikel 6 EVRM.
Toelichting:
10.2.
In zijn r.o. 4.11. merkt het hof op: ‘dat de inspecteur onweersproken heeft gesteld dat de correctieboekingen in de rekening-courantverhoudingen door belanghebbende zijn geïnitieerd’. Volgens § 19, lid 4 BBBB 1998 dient de inspecteur het bewijs te leveren van opzet of grove schuld.
Volgens het hof heeft de inspecteur alleen gesteld dat de correctieboekingen in de rekening-courantverhouding door belanghebbende zijn geïnitieerd. Het wettelijk bewijs is door de inspecteur niet aangetoond.
Het hof is hier uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, althans heeft het hof zijn oordeel niet of onvoldoende gemotiveerd dat de inspecteur ook rechtens het bewijs van opzet of grove schuld heeft aangetoond.
10.3.
Dat de inspecteur onweersproken heeft gesteld, dat de correctie boekingen rekening-courantverhoudingen door belanghebbende zijn geïnitieerd is feitelijk en rechtens ook onjuist. Belanghebbende verwijst in deze naar zijn memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, onderen anderen pag. 3 en 4.
De kwalificaties (voorwaardelijke) opzet en grove schuld behoeven bij toepassing een uitgebreide motivatie, omdat beide kwalificaties (bijna) in elkaar zijn verweven. De enkele vaststelling dat de inspecteur onweersproken heeft gesteld, voldoet niet aan deze motivatie.
Daarbij dient ook de wettelijke plicht die aan de inspecteur is opgedragen om bewijs van opzet of grove schuld te leveren, te worden bezien.
Het hof had volgens de regels van het bewijsrecht moeten onderzoeken of belanghebbende in deze iets te verwijten valt en zo ja, moeten motiveren waarom dit verwijt onder de gekozen kwalificatie valt. Bovendien heeft het hof niet gemotiveerd waarom hij de kwalificatie van de rechtbank, zijnde grove schuld, niet volgt. Ook hier is sprake van een motivatiegebrek.
10.4.
Uit r.o. 2.10 onder het kopje feiten van het hof wordt een toelichting bij de balans over de rekening-courant gecorrigeerde jaarrekening 1999 Beheer B.V. gegeven. De twee grootste posten zijn correctie 1997 verrekening eenmanszaak en correctie 1997 saldo [C]. Daarnaast zijn er twee posten lening aan [C].
Uit het verslag van de behandelaar van de inspecteur (hof r.o. 4.4.) volgt:
- —
23/5/03 [G] (gemachtigde belanghebbende) belt. ‘De correcties zijn op gang gebracht door [X] die het idee had dat zijn rekcrt niet klopte’. ‘[G] spreekt van stortingen door de BV (Beheer B.V.) op de bankrekeningnr. dat van [C] zou zijn en niet van [X]’.
Mijn reactie (behandelaar): ‘laat maar zien met de originele bescheiden. Die moeten van [X] komen. Hij zal de correcties op een rij zetten en een brief sturen’.
- —
7/8/3 Bankafschriften ontvangen van [C] B.V.
- —
De inspecteur zegt in zijn schrijven d.d. 20 januari 2005: ‘[G] sprak van stortingen door de BV op bankrekeningen van [C] in plaats van op rekeningen van [X]’. (productie 8, beroep tegen uitspraak op bezwaarschrift).
10.5.
Het hof had ambtshalve moeten onderzoeken of er sprake was van opzet of grove schuld aan de zijde van de gemachtigde van belanghebbende. Immers er zijn meerdere correcties uitgevoerd in de jaarrekening. De correctie van foutief geboekte leningen op verzoek van belanghebbende en de correctie eenmanszaak en saldo [C] door de gemachtigde.
Het hof had volgens de regels van het bewijsrecht moeten onderzoeken of de gemachtigde verwijtbaar heeft gehandeld en zo ja, in hoeverre dit handelen aan belanghebbende kan worden toegerekend. Uw College heeft zich eerder als zodanig uitgesproken (HR 1 december 2006, LJN: AU 7741, 40369, BNB 2007/151 en NTFR 2006/1711).
10.6.
Het hof stelt verder vast dat van een pleitbaar standpunt geen sprake is (hof r.o. 4.11.).
In de jurisprudentie wordt onder een bepleitbaar standpunt verstaan; een opvatting over de kwalificatie van de feiten of de toepassing van het recht op feiten die in redelijkheid verdedigbaar is (HR 22 juni 2007, LJN: BA 7728, 42013).
Met de kwalificatie van een pleitbaar standpunt is geen sprake stelt het hof dus dat belanghebbende in redelijkheid geen feiten zou kunnen aandragen die de kwalificatie opzet zouden kunnen weerleggen. Uit de punten 10.3. en 10.5. van dit middel en in het bijzonder in zijn memorie van antwoord in incidenteel beroep volgt reeds dat er rechtens wel sprake is van een bepleitbaar standpunt. Ook de uitspraak van de rechtbank, waarin de rechtbank het verweer van belanghebbende voor een deel volgt (grove schuld in plaats van opzet) bewijst al dat een pleitbaar standpunt in redelijkheid verdedigbaar is.
Het hof is hier uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, althans heeft zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.
10.7.
Belanghebbende heeft in zijn middel 1 betoogd dat het hof bij het vaststellen van de bestuurlijke boete niet de juiste wettelijke procedure heeft gevolgd. In middel 2 heeft belanghebbende zijn standpunt uiteengezet dat er na het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar correctie jaarrekening 1999 Beheer B.V. door de inspecteur rechtens op inhoudelijke gronden van de jaarrekening geen boete kan volgen.
10.8.
Belanghebbende is van mening dat zowel zelfstandig beoordeeld dan wel in samenhang beschouwd het hof rechtens ten onrechte een boete heeft opgelegd, althans aan zijn gronden een motiveringsgebrek kleeft.
Vergoeding van juridische bijstand
Belanghebbende verzoekt om vergoeding van kosten juridische bijstand volgens de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Belanghebbende VERZOEKT
Uw edel hoogachtbaar College belanghebbende in zijn beroep ontvankelijk te verklaren, dit beroep gegrond te bevinden en opnieuw recht te doen.