Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/7.5.5
7.5.5 Het saldo van de rente betaald aan en ontvangen van verbonden vennootschappen
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS299560:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Andere gevolgen van de fiscale eenheid dan het aspect van de relatie van dit instituut tot het fenomeen onderkapitalisatie, worden buiten beschouwing gelaten. Zie paragraaf 7.5.2.3.
Verondersteld wordt dat de moedervennootschap en de dochtervennootschap deel uitmaken van een groep in de zin van art. 10d, lid 2, Wet VPB 1969.
Het niet-aftrekbare bedrag is niet hoger dan het bedrag dat in het jaar per saldo verschuldigd is aan verbonden lichamen. Deze saldotoets maakt op zichzelf geen onderscheid tussen binnenlandse en grensoverschrijdende situaties. Welke gevolgen heeft het fiscale-eenheidregime voor de toepassing van de saldotoets?1 Voor wat betreft de rente op leningen die als gevolg van de fiscale eenheid wordt ‘weggeconsolideerd’ wordt verwezen naar paragraaf 7.5.2.3. Het fiscale-eenheidregime kan echter ook consequenties hebben voor de toepassing van de saldotoets indien een dergelijke ‘wegconsolidatie’ niet aan de orde is.
In het geval van een binnenlandse moedervennootschap die geldleningen verstrekt aan verbonden lichamen en een binnenlandse dochtervennootschap die geldleningen is verschuldigd aan dergelijke lichamen is volgens art. 10d in verbinding met art. 15 Wet VPB 1969 saldering van de rente mogelijk.2 Is de moedervennootschap niet in Nederland gevestigd en heeft zij geen binnenlandse vaste inrichting dan is geen fiscale eenheid mogelijk. De rente mag dan niet worden gesaldeerd. Deze nadeliger behandeling levert een belemmering van de vrijheid van vestiging op.
Zou de fiscale eenheid in de grensoverschrijdende situatie wel worden verleend dan komen de vorderingen van de buitenlandse moedermaatschappij niet voor op de balans van de binnenlandse vaste inrichting van de fiscale eenheid. In dat geval is saldering van de rente dus niet mogelijk. De belemmering wordt dan gerechtvaardigd door het fiscale territorialiteitsbeginsel (zie paragraaf 7.5.3).
In de spiegelbeeldige casus van een binnenlandse moedervennootschap die geldleningen is aangegaan bij een gelieerde vennootschap en een buitenlandse dochtervennootschap (zonder Nederlandse vaste inrichting) die geldleningen verstrekt aan dergelijke vennootschappen, is evenmin saldering van de rente mogelijk. In de vergelijkbare binnenlandse situatie kan de rente daarentegen wel worden gesaldeerd. Deze nadeliger behandeling levert een belemmering op van de vrijheid van vestiging die niet wordt gerechtvaardigd door het territorialiteitsbeginsel.