Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen
Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/4.1:4.1 Inleiding
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/4.1
4.1 Inleiding
Documentgegevens:
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS400622:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk onderzoek ik wie belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting, respectievelijk de Körperschaftsteuer. In hoofdstuk 4.2 ga ik in op de subjectieve belastingplicht en subjectieve vrijstellingen in de vennootschapsbelasting. Daarbij behandel ik het onderscheid tussen de binnenlandse en buitenlandse belastingplichtigen en het onderscheid tussen onbeperkte en beperkte belastingplichtigen. Uit mijn analyse van de subjectieve belastingplicht in de vennootschapsbelasting zal blijken dat er het nodige is op te merken over de aanknopingspunten voor de subjectieve belastingplicht in de wet op de vennootschapsbelasting 1969. Dit werk ik uit in hoofdstuk 4.2.4, waarin ik deze discussiepunten nader bespreek, toets aan mijn in 1.3.2.4 weergegeven toetsingskader en mijn eigen mening daarover geef. Vervolgens onderzoek ik hoe de subjectieve belastingplicht en subjectieve vrijstellingen in de Körperschaftsteuer zijn vormgegeven. Hierbij zal voor zover mogelijk eenzelfde paragraafindeling worden gehanteerd als bij de Nederlandse uiteenzetting. Het onderzoek naar de subjectieve belastingplicht en vrijstellingen in Duitsland heeft als doel om een analyse te kunnen maken van hoe Duitsland met de in hoofdstuk 4.2.4 benoemde (Nederlandse) discussiepunten omgaat en of aldaar rechtsregels of ontwikkelingen ten aanzien van deze discussiepunten aanbevelenswaardig voor Nederland zouden kunnen zijn. Dit toets ik wederom aan de hand van mijn in hoofdstuk 1.3.2.4 opgestelde toetsingskader. Ik heb de keuze gemaakt de mijns inziens meest fundamentele en conceptuele discussiepunten omtrent de subjectieve belastingplicht uit te werken. Zoals in hoofdstuk 1.5 al aangegeven ga ik in mijn onderzoek in beginsel niet in op leerstukken met een grensoverschrijdend karakter. Vandaar dat in dit hoofdstuk (ook omwille van de omvang) niet of nauwelijks wordt ingegaan op de problematiek omtrent het begin en einde van de subjectieve belastingplicht, de belastingplicht van buitenlandse belastingplichtigen, vaste inrichtingen, de voorkoming van dubbele belasting en de eindafrekeningsbepalingen. Volledigheidshalve merk ik op dat ik in dit hoofdstuk ook niet de belastingplicht voor de Gewerbesteuer bespreek. De Gewerbesteuer betreft namelijk een objectbelasting, waarbij dus in principe onafhankelijk van het subject (en rechtsvorm) het object (Gewerbe) centraal staat.