Het voorlopig getuigenverhoor
Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/27:27 De enqueste valetudinair raakt in onbruik
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/27
27 De enqueste valetudinair raakt in onbruik
Documentgegevens:
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS459465:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Eind 18e eeuw was het middel van enqueste valetudinair geheel in onbruik geraakt. De Pinto geeft daarvoor als reden het misbruik dat van het middel werd gemaakt.1 Hij geeft daarbij aan dat men er beter aan had gedaan het misbruik te weren en het middel dat “met beleid en verstand toegepast, inderdaad heilzame en nuttige uitkomsten kon opleveren, te behouden: abusus non tollit usum.”2 Een andere reden was waarschijnlijk dat de praktijk een ander middel kende, de zogenaamde Amsterdamse manier van bewijzen.3 Tijdens de gehele procedure kon een getuige door een partij worden opgeroepen om een verklaring te komen afleggen ten overstaan van een notaris in afwezigheid van de wederpartij, “blijvende aan deze partij slechts het vermogen, om naderhand die getuigen van hare zijde eenige vragen te doen voorstellen”.4 De op schrift gestelde verklaring werd ingebracht in de procedure. Als een getuige overleed of verdween vóór de fase van bewijslevering, dan werd de verklaring gehouden voor een regulier afgelegde verklaring.5 In de Briefwisseling trekt briefschrijver D. bevlogen ten strijde tegen deze Amsterdamse manier van bewijzen. Hij geeft weinig voor het waarheidsgehalte van een schriftelijke verklaring, opgesteld door een door de partij aangewezen notaris. Alleen als een getuige in het bijzijn van partijen door de rechter wordt gehoord, kan door het stellen van vragen en het kunnen waarnemen van de houding van de getuige en van de manier waarop hij verklaart, de waarheid worden ontdekt. De briefschrijver haalt daarbij Keizer Hadrianus aan, die reageerde “toen zich iemand met getuigenissen behelpen wilde, zonder de getuigen te berde te brengen; dat zijn geloof niet door getuigenissen, maar door de getuigen zelve kon worden bepaald”.6