Overeenkomst tot arbitrage
Einde inhoudsopgave
Overeenkomst tot arbitrage (BPP nr. 13) 2011/3.2.3.2:3.2.3.2 Burgerlijke rechten en verplichtingen
Overeenkomst tot arbitrage (BPP nr. 13) 2011/3.2.3.2
3.2.3.2 Burgerlijke rechten en verplichtingen
Documentgegevens:
Mr. G.J. Meijer, datum 20-07-2011
- Datum
20-07-2011
- Auteur
Mr. G.J. Meijer
- JCDI
JCDI:ADS503489:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
STAAL (diss.), blz. 315 e.v.
Zie bijvoorbeeld EHRM 9 december 1994 (Stran en Stratis Andreadis/Griekenland) (nos. 38-41), NJ 1996, 592, m.nt. EJD; vgl. ook VIERING (diss.), blz. 51 e.v., Smrrs (diss.), blz. 25-30 en VAN DIJK & VAN HOOF, blz. 326 e.v.
EHRM 23 oktober 1985 (Benthem/Nederland), NJ 1986, 102, m.nt. EAA.
Arbitragerecht (SNIJDERS), 2.3.4 en Burg. Rv. (SNIJDERS), art. 1047, aant. 2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ingevolge art. 6 EVRM heeft een ieder bij de vaststelling van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht op toegang tot bij de wet ingestelde gerechten.1 Het begrip "burgerlijke rechten en verplichtingen" moet ruim worden uitgelegd.2
Veelal zal het bij de zaken die partijen aan arbitrage onderwerpen "burgerlijke rechten en verplichtingen" betreffen in de zin van art. 6 EVRM. De overeenkomst tot arbitrage mag krachtens art. 1020 lid 3 Rv immers slechts leiden tot de vaststelling van rechtsgevolgen die ter vrije bepaling van partijen staan. Het zal daarbij veelal gaan om zaken op het gebied van het burgerlijk recht of het handelsrecht. Het vorenstaande geldt overigens ook als het gaat om een arbitraal kort geding (zie 4.7.4.5 voor art. 6 EVRM en het arbitraal kort geding).
Vraag is of het bij de zaken buiten geschil die partijen ingevolge art. 1020 lid 4 Rv aan arbitrage mogen onderwerpen eveneens gaat om de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen als bedoeld in art. 6 EVRM. Indien dit niet het geval is, zullen de uit art. 6 EVRM voortvloeiende eisen voor afstand van het recht op toegang niet hebben te gelden voor de arbitrageovereenkomst waarmee partijen zaken buiten geschil aan arbitrage onderwerpen. Evenmin zal het arbitraal geding alsdan aan de in art. 6 EVRM opgenomen waarborgen hebben te voldoen, dit voorzover die waarborgen voor arbitrage gelden.
Uit het arrest van het Europese Hof voor de rechten van de mens in de bekende zaak Benthem/Nederland wordt — mede gelet op de weergave van voorgaande jurisprudentie duidelijk wat met "vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen" wordt bedoeld: "32. The principles that emerge from the Court's case-law include the following:
a. Conformity with the spirit of the Convention requires that the word "contestation" (dispute) should not be "construed too technically" and should be "given a substantive rather than a formal meaning" (see the Le Compte, Van Leuven and De Meyere judgment of 23 June 1981, [NJ 1982, 602] para. 45).
b. The "contestation" (dispute) may relate not only to "the actual existence of a ... right" but also to its scope or the minner in which it may be exercised (see the same judgment, loc. cit., p. 22, para. 49). /t may concern both "questions of fact" and "questions of law" (see the same judgment, loc. cit., p. 23, para. 51 in fine, and the Albert and Le Compte judgment of 10 Febr. 1983, Series A no. 58, p. 16, [NJ 1987, 315] para. 29 in fine, and p. 19, para. 36).
c. The "contestation" (dispute) must be genuine and of a serious nature (see the Sporrong and Lonnroth judgment of 23 Sept. 1982, Series A no. 52, p. 30, para. 81).
d. According to the Ringeisen judgment of 16 July 1971, "the ... expression "contestations sur (des) droits et obligations de caractere civil" (disputes over civil rights and obligations) covers all proceedings the result of which is decisive for (such) rights and obligations" (Series A no. 13, p. 39, para. 94). However, "a tenuous connection or remote consequences do not suffice for Art. 6 para. 1 ...: civil rights and obligations must be the object — or one of the objects — of the "contestation" (dispute); the result of the proceedings must be directly decisive for such a right" (see the above-mentioned Le Compte, Van Leuven and De Meyere judgment, [NJ 1982, 602] para. 47)."3 [tekst en cursief toegevoegd]
Ik meen dat wij voor het antwoord op de gestelde vraag onderscheid zullen moeten maken tussen de soort zaken die partijen buiten geschil aan arbitrage kunnen onderwerpen. De vaststelling van de hoedanigheid of van de toestand van zaken als bedoeld in art. 1020 lid 4 (a) Rv (ook wel met "kwaliteitsarbitrage" aangeduid) zal mijns inziens in het licht van het arrest van het Hof niet spoedig als vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen mogen worden aangemerkt. Uiteindelijk zal de vaststelling als bedoeld in art. 1020 lid 4 (a) Rv wel gevolgen voor de burgerlijke rechten en verplichtingen van partijen kunnen hebben, doch de enkele vaststelling regardeert die burgerlijke rechten en verplichtingen nog niet. Daarentegen zal de bepaling van de hoogte van een schadevergoeding of een verschuldigde geldsom als bedoeld in art. 1020 lid 4 (b) Rv veelal wél als de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen mogen worden aangemerkt, met name als het de bepaling van de hoogte van een verschuldigde geldsom betreft. Ook de aanvulling of wijziging van een rechtsbetrekking als bedoeld in art. 1020 lid 4 (c) Rv zal veelal kunnen worden aangemerkt als vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen.
Het vorenstaande brengt met zich dat een arbitrageovereenkomst waarbij partijen zaken als bedoeld in art. 1020 lid 4 (a) Rv aan arbitrage onderwerpen, niet behoeft te worden getoetst aan de uit art. 6 lid 1 EVRM voortvloeiende eisen voor afstand van recht op toegang en voorts dat het arbitraal geding in dergelijke zaken niet volgens de minimumwaarborgen van art. 6 lid 1 EVRM zal hebben te verlopen. Overigens strookt dit met het bepaalde in art. 1047 Rv dat de art. 1036-1048 Rv buiten toepassing verklaart als het kwaliteitsarbitrage betreft. Strikt genomen zullen ook de dwingendrechtelijke bepalingen (als bijvoorbeeld het in art. 1039 lid 1 Rv opgenomen beginsel van hoor en wederhoor) niet van toepassing zijn.
Verdedigd wordt wel dat, als arbiters enige toelichting van partijen wensen, zij partijen in gelijke mate daartoe in staat dienen te stellen.4 Vorenstaande verplichting zal uit de Nederlandse openbare orde kunnen voortvloeien (bij schending waarvan het arbitraal vonnis kan worden vernietigd) (art. 1065 lid 1 (e) Rv). Het standpunt vloeit op grond van het vorenstaande mijns inziens evenwel niet uit art. 6 lid 1 EVRM voort, dit voorzover art. 6 lid 1 EVRM überhaupt op het arbitraal geding van toepassing kan worden geacht (zie 3.3).