De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/12.2.1:12.2.1 Inleiding
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/12.2.1
12.2.1 Inleiding
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS363647:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken 32887, nr. 7 (NvW), p. 3 en 4 en nr. 9 (Amendement Van der Steur en Van Toorenburg).
Kamerstukken TK 18905, nr. 3 (MvT), p. 28.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De afdeling van Boek 2 BW waarin het enquêterecht is geregeld, bevat slechts een zeer beperkte regeling ten aanzien van de rechtsgevolgen van het vernietigen van een beschikking waarin (onmiddellijke) voorzieningen zijn getroffen. De tekst van de desbetreffende afdeling van Boek 2 bevat één enkel artikel, te weten: art. 2:359 lid 2 BW. Dat artikel bepaalt voor zover hier van belang dat, indien aan een beschikking waarbij een persoon is aangesteld als bestuurder, commissaris of beheerder van aandelen, door vernietiging de grondslag komt te ontbreken, de door de ondernemingskamer aan die persoon toegekende beloning geacht wordt niet onverschuldigd te zijn. Uit de parlementaire toelichting blijkt dat de wetgever ervan uitgaat dat een dergelijke vernietiging het gevolg heeft dat de grondslag wegvalt onder het recht op een beloning. Dat acht de wetgever niet redelijk.1
Deze regeling is ingevoerd in het kader van de aanpassing van het enquêterecht in 2013. Art. 2:359 lid 2 BW maakte geen deel uit van het oorspronkelijke wetsvoorstel. Pas in de nota van wijziging is art. 2:359 lid 2 BW voorgesteld, maar dat voorstel zag toen nog louter op de vergoeding voor de onderzoekers. Door middel van een amendement is deze regeling ook uitgebreid tot tijdelijke functionarissen. De toelichting bij art. 2:359 lid 2 BW is vrij summier en bevat geen breder discours over de gevolgen van de vernietiging van een beschikking waarin (onmiddellijke) voorzieningen zijn getroffen.
Daarnaast is uit de wetsgeschiedenis nog een andere, min of meer toevallig ontstane, regeling te destilleren. In de jaren ’80, tijdens de parlementaire behandeling van de invoering van de (onmiddellijke) voorziening tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer, werd opgemerkt dat de bepalingen van de geschillenregeling analoog kunnen worden toegepast op tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer.2 Twee decennia later voerde de wetgever een regeling in voor de gevolgen van de vernietiging van een vonnis op grond waarvan in het kader van de geschillenregeling aandelen zijn overgedragen. Men zou kunnen betogen dat die regeling analoog kan worden toegepast op de vernietiging van een beschikking waarin aandelen tijdelijk ten titel van beheer zijn overgedragen.
Uit de hierboven besproken wetsgeschiedenis is niet af te leiden dat de wetgever de desbetreffende regelingen uitputtend bedoeld zou hebben. Ook zwijgt de wetsgeschiedenis over wat geldt in andere gevallen waarin een beschikking waarin (onmiddellijke) voorzieningen zijn getroffen, wordt vernietigd. Bijvoorbeeld wat geldt ten aanzien van vertegenwoordigingshandelingen die zijn verricht door een tijdelijk aangestelde bestuurder en de benoemingsbeschikking achteraf wordt vernietigd, of wat geldt als de vernietiging ziet op een beschikking waarin is bepaald dat tijdelijk wordt afgeweken van één of meer bepalingen van de statuten. Om te kunnen achterhalen wat de rechtsgevolgen zijn van het vernietigen van een beschikking waarin (onmiddellijke) voorzieningen zijn getroffen, zit er derhalve weinig anders op dan te rade te gaan bij wat geldt ten aanzien van andere civielrechtelijk rechterlijke uitspraken. Dit zal in deze paragraaf worden besproken. In par. 12.2.3.4 wordt bovendien stilgestaan bij de (aansprakelijkheids)gevolgen van de vernietiging van bestuursrechtelijke besluiten van toezichthouders.
Hierna zal eerst worden ingegaan op de vraag of de vernietiging van een civielrechtelijke uitspraak terugwerkende kracht heeft (par. 12.2.2). In par. 12.2.3 zal worden ingegaan op de vraag in hoeverre de vernietiging van een civielrechtelijke uitspraak kan leiden tot aansprakelijkheid. In par. 12.2.2.4 worden daaruit enkele algemene conclusies getrokken.