Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (Stcrt. 2014, nr. 32149).
HR, 18-02-2022, nr. 21/00584
ECLI:NL:HR:2022:271, Conclusie: Contrair, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen, Conclusie: Contrair
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-02-2022
- Zaaknummer
21/00584
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2022:271, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 18‑02‑2022; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2020:9334, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:806, Contrair
ECLI:NL:PHR:2021:806, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 10‑09‑2021
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:271, Contrair
Beroepschrift, Hoge Raad, 11‑02‑2021
- Vindplaatsen
PFR-Updates.nl 2022-0052
JPF 2022/58 met annotatie van prof. mr. P. Vlaardingerbroek
JPF 2022/58 met annotatie van prof. mr. P. Vlaardingerbroek
Uitspraak 18‑02‑2022
Inhoudsindicatie
Personen- en familierecht. Curatele. Curator verzoekt vaststelling beloning. Beroep op art. 1 lid 8 Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren wegens uitzonderlijke omstandigheden.
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 21/00584
Datum 18 februari 2022
BESCHIKKING
In de zaak van
[de curator] ,wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: de curator,
advocaat: H.J.W. Alt,
tegen
[de dochter] ,wonende te [woonplaats] ,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: [de dochter] ,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de beschikking in de zaak 7867084 van de kantonrechter te Zutphen van 29 oktober 2019;
de beschikking in de zaak 200.274.196 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 november 2020.
De curator heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
[de dochter] heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de curator heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In deze procedure verzoekt de curator om vaststelling van een beloning over de periode van 2006 tot en met 2019, waarvan in cassatie nog aan de orde zijn de jaren 2015-2019. De curator is de moeder van een in 1986 geboren dochter. De dochter is op jonge leeftijd door een ongeval invalide geraakt en behoeft sindsdien maximale fysieke en psychische zorg. In 2006 is zij onder curatele gesteld. Zij woont bij de curator in huis. De financiering van de zorg vergt onder meer veel administratief werk en overleg met instanties.
2.2
De kantonrechter heeft de jaarlijkse beloning van de curator vastgesteld overeenkomstig art. 1 lid 2 onder a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (hierna: de Regeling).1.Daarbij heeft de kantonrechter bepaald dat de curator deze beloning wat betreft het verleden uitsluitend in rekening mag brengen voor de jaren waarvan de rekening en verantwoording nog niet is vastgesteld (2017 en 2018).
2.3
In hoger beroep heeft de curator verzocht, voor zover in cassatie van belang, haar vanaf 1 januari 2015 een beloning toe te kennen overeenkomstig art. 2 lid 2 onder a in verbinding met art. 2 lid 5 onder c van de Regeling.
2.4
Het hof heeft de jaarbeloning voor de curator voor de jaren 2015 tot en met 2019 vastgesteld op € 1.080,-- voor 2015, € 1.078,70 voor 2016-2018 en € 1.106,-- voor 2019, en het meer of anders verzochte afgewezen.2.Het hof heeft daartoe onder meer overwogen:
“5.1 Op grond van artikel 1:386 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de curator aanspraak op een beloning overeenkomstig de regels die daaromtrent bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie zijn vastgesteld.
5.2
De enkele omstandigheid dat er al rekening en verantwoording is afgelegd (behalve over 2017 en 2018) staat er niet aan in de weg dat op grond van artikel 1:386 lid 1 BW een beloning voor deze jaren kan worden toegekend aan de curator. Er is geen sprake van een wettelijke bepaling die aan een vaststelling als zodanig in de weg staat. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de curator ter zitting heeft verklaard dat zij er nooit op is gewezen dat zij een financiële vergoeding voor haar werkzaamheden kon aanvragen. Ook heeft de curator met bescheiden aangetoond dat haar werkzaamheden, gelet op de problematiek van haar dochter, uitzonderlijk omvangrijk waren. Tevens heeft zij gemotiveerd gesteld dat de financiële middelen van [de dochter] de verzochte vast te stellen beloning op dit moment toelaten. (…)
5.3
De curator heeft verzocht de beloning vast te stellen overeenkomstig artikel 2 lid 2 sub a juncto artikel 2 lid 5 sub c van de Regeling. Dit betreft een beloning voor professionele curatoren. Het hof zal dit verzoek afwijzen nu de curator een familielid is, daarmee behoort tot de groep van personen als vermeld in artikel 1:383 lid 3 BW en niet voldoet aan de in artikel 1:338 lid 7 BW genoemde kwaliteitseisen voor professionele curatoren. De beloning zal worden vastgesteld
overeenkomstig artikel 1 lid 2 sub a van de Regeling.”
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel III van het middel klaagt over de verwerping door het hof van het verzoek van de curator om wat betreft de hoogte van de haar toe te kennen beloning aan te sluiten bij de beloning geldend voor professionele curatoren. Het wijst erop dat de curator niet heeft gesteld dat zij een professionele curator is, maar heeft verzocht toepassing te geven aan art. 1 lid 8 van de Regeling en voor de hoogte van de beloning aansluiting te zoeken bij de beloning voor professionele curatoren. Het betoogt voorts dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan de in dit verband door de curator gestelde uitzonderlijke omstandigheden.
3.2
Op grond van art. 1:386 lid 1, laatste volzin, BW heeft de curator aanspraak op beloning overeenkomstig de regels die daaromtrent bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie zijn vastgesteld. Met ingang van 1 januari 2015 is de beloning van curatoren geregeld in de Regeling. Art. 1 lid 1 van de Regeling bepaalt dat indien de curator verzoekt om een beloning, de kantonrechter die hem benoemt diens beloning vaststelt overeenkomstig het bepaalde in het tweede tot en met zevende lid, tenzij het gaat om een professionele curator, bewindvoerder of mentor. Voor die laatste categorie bevatten de art. 2-4 hogere beloningen dan de beloningen die in art. 1 leden 2-7 voor niet-professionele curatoren, bewindvoerders en mentoren zijn bepaald. Art. 1 lid 8 van de Regeling bepaalt dat de kantonrechter in afwijking van het eerste lid wegens uitzonderlijke omstandigheden de beloning van de curator, bewindvoerder of mentor op andere wijze kan vaststellen.
3.3
De curator heeft in haar beroepschrift verzocht om, met toepassing van art. 1 lid 8 van de Regeling, voor de hoogte van haar beloning aan te sluiten bij de beloning voor professionele curatoren. Daartoe heeft zij gesteld en onderbouwd dat zij een grote hoeveelheid werk dient te verrichten voor de dochter, die 24 uur per dag zorg nodig heeft en gebruikmaakt van een persoonsgebonden budget. Het hof heeft in rov. 5.2 overwogen dat de curator met bescheiden heeft aangetoond dat haar werkzaamheden, gelet op de problematiek van haar dochter, uitzonderlijk omvangrijk zijn geweest en dat de financiële middelen van de dochter de verzochte vast te stellen beloning op dit moment toelaten. Het heeft de beloning echter bepaald op de standaardbedragen die gelden voor niet-professionele curatoren. De daarvoor gegeven motivering, inhoudend dat de curator, kort gezegd, geen professionele curator is, is niet toereikend. Het verzoek om wat betreft de hoogte van de beloning aan te sluiten bij de beloning voor professionele curatoren berust immers op art. 1 lid 8 van de Regeling. Deze bepaling voorziet nu juist in de mogelijkheid om voor niet-professionele curatoren wegens uitzonderlijke omstandigheden een hogere dan de standaardbeloning vast te stellen. Het onderdeel slaagt dus.
3.4
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 november 2020;
- verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, C.E. du Perron en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 18 februari 2022.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 18‑02‑2022
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9334.
Conclusie 10‑09‑2021
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/00584
Zitting 10 september 2021
CONCLUSIE
G.R.B. van Peursem
In de zaak
[de curator]
(hierna: de curator)
verzoekster tot cassatie
adv. mr. H.J.W. Alt
Overige belanghebbende:
[de dochter]
(hierna: [de dochter] )
niet verschenen
1. Inleiding en samenvatting
Deze zaak gaat over de jaarbeloning van de curator (moeder) van [de dochter] .
De curator verzoekt om vaststelling van de jaarbeloning voor de jaren 2006 tot en met 2019 overeenkomstig de regeling voor professionele curatoren.
Het hof wijst het verzoek voor de jaren 2006 tot en met 2014 af en neemt daarbij in aanmerking dat de algemene verjaringstermijn voor rechtsvorderingen vijf jaar bedraagt.
Het hof wijst het verzoek voor de jaren 2015 tot en met 2019 toe maar overeenkomstig de regeling voor gewone (familie)curatoren.
In cassatie wordt volgens mij tevergeefs geklaagd dat het bewijsrecht in deze rekestzaak van toepassing is en het hof daarom de verzochte beloning als niet weersproken had moeten toewijzen. Ook de klacht dat het hof art. 24 Rv heeft geschonden door de verjaring ambtshalve toe te passen zie ik niet opgaan.
Verder wordt geklaagd over het passeren van essentiële stellingen, in het bijzonder het passeren van het verzoek van de curator om wegens uitzonderlijke omstandigheden de beloning op een andere wijze vast te stellen dan uit art. 1 lid 2-7 van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren voortvloeit (art. 1 lid 8 van die regeling). Ook die klachten, treffen volgens mij geen doel.
2. Feiten en procesverloop1.
2.1 [de dochter] is geboren op [geboortedatum] 1986 te [plaats] . De curator is de moeder van [de dochter] . [de dochter] woont bij de curator in huis. Zij is op jonge leeftijd door een ongeval invalide geraakt en behoeft sindsdien maximale fysieke en psychische zorg. De financiering van deze zorg vergt onder meer veel administratief werk en overleg met instanties.
2.2 Bij beschikking van 15 maart 2006 heeft de rechtbank Arnhem [de dochter] onder curatele gesteld wegens een geestelijke stoornis.
2.3 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Gelderland op 25 juni 2019, heeft de curator verzocht om een beloning betreffende de regeling beloning curatoren voor de jaren 2006 tot en met 2019. Over het jaar 2019 verzoekt de curator een vergoeding van € 2.764,- en voor de jaren ervoor een beloning met terugwerkende kracht.
2.4 Bij eindbeschikking van 29 oktober 2019 heeft de kantonrechter de jaarlijkse beloning van de curator, inclusief onkostenvergoeding en exclusief omzetbelasting, voor zover van toepassing, vastgesteld overeenkomstig art. 1 lid 2 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (hierna: de Regeling).De kantonrechter heeft in zijn overwegingen opgenomen (eindbeschikking p. 1-2) dat de curator deze beloning uitsluitend voor de jaren waarvan de rekening en verantwoording nog niet is vastgesteld in rekening mag brengen. Dit zijn de jaren 2017 en 2018. Voor de jaren 2017 en 2018 moet de curator op de jaarbeloning de reeds in rekening gebrachte kosten voor de accountant in mindering brengen. Vanaf 2019 brengt de curator alleen de jaarbeloning in rekening bij [de dochter] . De kosten van de accountant zijn vanaf 2019 voor rekening van de curator.
2.5 De curator is in hoger beroep gekomen. Zij heeft verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat aan haar alsnog een beloning voor haar werkzaamheden als curator wordt toegekend waarbij de hoogte van deze beloning moet worden gebaseerd op het volgende:
- vanaf maart 2006 tot 1 januari 2010: de beloning overeenkomstig de Aanbevelingen meerderjarigenbewind voor een professionele (niet bij een branchevereniging aangesloten) bewindvoerder (bewindvoerder categorie b) met correctiefactor 1,5;
- in de periode 1 januari 2010 tot 1 januari 2015: de beloning overeenkomstig de Aanbevelingen curatele voor een professionele (niet bij een branchevereniging aangesloten) curator (curator categorie b);
- vanaf 1 januari 2015: de beloning overeenkomstig art. 2 lid 2 sub a jo. art. 2 lid 5 sub c van de Regeling.
2.6 In de bestreden beschikking van 12 november 2020 heeft het hof de eindbeschikking van de kantonrechter vernietigd en opnieuw beschikkende de jaarbeloning voor de curator voor de jaren 2015 tot en met 2019, inclusief onkostenvergoeding en exclusief omzetbelasting, voor zover van toepassing, vastgesteld op:
2015: € 1.080,-2016: € 1.078,702017: € 1.078,702018: € 1.078,702019: € 1.106,-;
en het meer af anders verzochte afgewezen.
2.7 Voor zover in cassatie van belang is daartoe het volgende overwogen:
“5.1 Op grond van artikel 1:386 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de curator aanspraak op een beloning overeenkomstig de regels die daaromtrent bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie zijn vastgesteld.
5.2 De enkele omstandigheid dat er al rekening en verantwoording is afgelegd (behalve over 2017 en 2018) staat er niet aan in de weg dat op grond van artikel 1:386 lid 1 BW een beloning voor deze jaren kan worden toegekend aan de curator. Er is geen sprake van een wettelijke bepaling die aan een vaststelling als zodanig in de weg staat. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de curator ter zitting heeft verklaard dat zij er nooit op is gewezen dat zij een financiële vergoeding voor haar werkzaamheden kon aanvragen. Ook heeft de curator met bescheiden aangetoond dat haar werkzaamheden, gelet op de problematiek van haar dochter, uitzonderlijk omvangrijk waren. Tevens heeft zij gemotiveerd gesteld dat de financiële middelen van [de dochter] de verzochte vast te stellen beloning op dit moment toelaten. Het hof neemt bij de vaststelling van de beloning in aanmerking dat de algemene verjaringstermijn voor rechtsvorderingen vijf jaren bedraagt en dat de financiële situatie van [de dochter] per 2015 is gewijzigd doordat aan haar in 2019 met terugwerkende kracht vanaf 2015 huurtoeslag is toegekend. Het hof ziet daarin aanleiding een machtiging te verlenen om een beloning over de jaren 2015, 2016, 2017, 2018 en 2019 toe te kennen en het verzoek voor zover het betreft de jaren daarvoor afwijzen.
5.3 De curator heeft verzocht de beloning vast te stellen overeenkomstig artikel 2 lid 2 sub a juncto artikel 2 lid 5 sub c van de Regeling. Dit betreft een beloning voor professionele curatoren. Het hof zal dit verzoek afwijzen nu de curator een familielid is, daarmee behoort tot de groep van personen als vermeld in artikel 1:383 lid 3 BW en niet voldoet aan de in artikel 1:338 lid 7 BW2.genoemde kwaliteitseisen voor professionele curatoren. De beloning zal worden vastgesteld overeenkomstig artikel 1 lid 2 sub a van de Regeling. Het hof zal de jaarbeloning voor de curator voor de respectieve jaren vaststellen op:
2015: € 1.080,-
2016: € 1.078,70
2017: € 1.078,70
2018: € 1.078,70
2019: € 1.106,-.”
2.8 De curator heeft tijdig cassatieberoep ingesteld; [de dochter] is niet verschenen3..
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel richt zich tegen rov. 5.1-5.3 en het dictum, waarin het hof de jaarbeloning voor de curator voor de jaren 2015 tot en met 2019 heeft vastgesteld op de hiervoor in 2.6 weergegeven bedragen en het meer of anders verzochte heeft afgewezen. Het bestaat uit een weergave van de feiten en het procesverloop (“Feitelijk verloop”) die geen klachten bevat (nrs. 1.1-1.7) en twee onderdelen (nrs. 2.1-2.2).
3.2
Op grond van art. 1:386 lid 1 BW heeft de curator aanspraak op beloning overeenkomstig de regels die daaromtrent bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie zijn vastgesteld4.. Met ingang van 1 januari 2015 is de beloning van curatoren geregeld in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren5.(hierna: de Regeling). De Regeling is van toepassing op werkzaamheden die op of na 1 januari 2015 worden verricht (art. 14). Indien de curator verzoekt om een beloning, stelt de kantonrechter die hem benoemt diens beloning vast overeenkomstig art. 1 lid 2-7 van de Regeling6.(art. 1 lid 1).
3.3
Voor zover in cassatie van belang vermeldt de toelichting op de Regeling het volgende:
“ TOELICHTING
1. Algemeen
De Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap is grotendeels met ingang van 1 januari 2014 in werking getreden.7.De wet bevat onder meer een grondslag voor een ministeriële regeling inzake de beloning van curatoren, bewindvoerders en mentoren in artikel 380, vijfde lid, in artikel 386, eerste lid, in artikel 410, tweede lid, in artikel 420, derde lid, in artikel 447, eerste lid, en in artikel 460, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: ‘BW’). Deze regeling bevat voorschriften voor de vaststelling van de beloning van de provisionele bewindvoerder, van de curator, van de bewindvoerder in geval van afwezigheid en vermissing, van de beschermingsbewindvoerder en van de mentor.
In de praktijk baseren kantonrechters zich bij de vaststelling van de beloning doorgaans op de aanbevelingen van het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton (LOVCK), laatstelijk gewijzigd per 21 januari 2014 (hierna: ‘de (LOVCK-) aanbevelingen’).8.Een bezwaar van deze aanbevelingen is dat ze voor de individuele kantonrechter, die gaat over de benoeming en beloning van curatoren, bewindvoerders en mentoren, niet bindend zijn. Vertegenwoordigers die aan meer dan één kantonrechter rekening en verantwoording schuldig zijn, kunnen daardoor ondanks de aanbevelingen met verschillende normen voor de beloning worden geconfronteerd. Daarom stel ik in deze regeling eenduidige bindende regels voor de beloning vast.
Deze regeling bouwt voort op de systematiek van de aanbevelingen. Er wordt uitgegaan van een forfaitaire jaarbeloning op basis van het aantal uren waarin de werkzaamheden jaarlijks worden uitgeoefend, inclusief een onkostenvergoeding.
Voor de beloning wordt een onderscheid gemaakt tussen enerzijds ‘gewone’ curatoren, bewindvoerders en mentoren (hierna: ‘familiecurator, -bewindvoerder en -mentor’, of ‘familievertegenwoordigers’) en anderzijds curatoren, bewindvoerders en mentoren als bedoeld in de artikelen 383, 435 en 452, telkens zevende lid, Boek 1 BW (hierna: ‘professionele curatoren, bewindvoerders en mentoren’, of ‘professionele vertegenwoordigers’, hoewel de mentoren ook vrijwilligers kunnen zijn). De eerstbedoelde zijn bijvoorbeeld de partner, een familielid, vriend of buurvrouw, terwijl de laatstbedoelde ten minste drie personen onder hun hoede hebben en aan kwaliteitseisen moeten voldoen.
(…)
Uitgangspunt is dat de curator, bewindvoerder en mentor adequaat worden beloond voor de uitoefening van hun taken. De beloning komt voor rekening van de betrokkene. Indien de betrokkene de kosten van de beloning zelf niet kan dragen komen die kosten in aanmerking voor vergoeding uit de bijzondere bijstand.9.Vanwege de kosten die voor rekening van de betrokkene dan wel van de gemeente komen, is het zaak om de tijd die een vertegenwoordiger aan een betrokkene kan besteden zo effectief mogelijk in te zetten om de zelfredzaamheid van de betrokkene, waar mogelijk, te vergroten. Een adequate beloning betekent ook dat vertegenwoordigers in staat moeten worden gesteld om hun werkzaamheden in het belang van de betrokkene naar behoren uit te voeren.
De jaarbeloning geldt als gemiddelde. Het ene mentorschap of bewind zal meer tijd vergen dan het andere. Het zal ook voorkomen dat gedurende een aantal jaren veel uren aan een betrokkene worden besteed en de volgende jaren minder dan het gemiddelde aantal uren waarop de forfaitaire jaarbeloning is gebaseerd. Het voordeel van het hanteren van een forfaitaire beloning is dat de administratieve afhandeling relatief eenvoudig is. Daarmee wordt beoogd de regeldruk voor de vertegenwoordigers en de rechterlijke macht te verminderen.
Om tot forfaitaire beloningen te komen en in uitzonderlijke omstandigheden extra werkzaamheden te kunnen belonen, wordt een uurtarief gehanteerd. Ingevolge de LOVCK-aanbevelingen bedraagt het uurtarief voor professionele vertegenwoordigers in 2014 € 64 (de jaarbeloning € 1.024 gedeeld door het aantal uren voor ‘standaardwerkzaamheden’, te weten 16 uren).
Het uurtarief verhoog ik met 1,5% naar € 65. Met deze verhoging wordt het achterwege blijven van een indexering voor het kalenderjaar 2015 gecompenseerd.
(…)
De forfaitaire jaarbeloning is inclusief onkostenvergoeding en exclusief BTW. Met onkosten wordt bedoeld de kosten die de vertegenwoordiger in het belang van de goede uitoefening van zijn taken maakt. Het betreft eventuele reiskosten, telefoonkosten, kosten van het opmaken van de rekening en verantwoording, kosten van het uitbesteden van taken voor zover de betrokkene deze voorheen zelf verrichtte. Indien de betrokkene bijvoorbeeld gebruik maakte van vermogensbeheer, mag de curator of bewindvoerder deze situatie voortzetten en de kosten ervan ten laste brengen van de betrokkene. De onkosten zien ook op de kosten die verbonden zijn aan het voldoen aan de kwaliteitseisen en het overleggen van de eigen verklaring, het verslag aan de accountant dan wel, in geval van mentorschap, een door de kantonrechter aangewezen deskundige, en de verklaring van de accountant. Voor deze onkosten kan geen aparte vergoeding worden verzocht. De onkostenvergoeding is verdisconteerd in het uurtarief ten behoeve van de administratieve eenvoud en omdat sommige kosten kunnen toenemen bij elk uur extra dat werkzaamheden worden verricht.
In deze regeling worden voor de professionele curator, bewindvoerder en mentor naast de ‘standaard-werkzaamheden’ uren toegekend voor extra werkzaamheden in verband met ‘problematische schulden’ in geval van curatele en beschermingsbewind, en in het kader van de begeleiding van ‘een persoon in de leeftijd van 18 tot en met 23 jaar die jeugdhulp heeft gehad in verband met een psychisch of psychosociaal probleem, psychische stoornis, gedragsproblemen of verstandelijke beperking’ in geval van mentorschap. Voorstelbaar is dat tijdens de curatele, het bewind of het mentorschap blijkt dat deze extra werkzaamheden niet langer plaatsvinden omdat de beschreven situatie zich niet langer voordoet. In dat geval dient de vertegenwoordiger de kantonrechter te verzoeken om de jaarbeloning aan te passen. De kantonrechter kan de jaarbeloning ook ambtshalve aanpassen, bijvoorbeeld naar aanleiding van de periodieke evaluatie.
Met deze regeling wordt beoogd het overgrote deel van de gevallen van curatele, bewind en mentorschap te bestrijken. Niet uit te sluiten is echter dat zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen, waarop deze regeling niet onverkort kan worden toegepast. De kantonrechter wordt daarom de ruimte gelaten om vanwege uitzonderlijke omstandigheden in het specifieke geval de beloning van de vertegenwoordiger op andere wijze vast te stellen (vgl. art. 1, achtste lid, art. 2, zesde lid, art. 3, zesde lid, art. 4, vijfde lid, art. 6, zesde lid, art. 7, zesde lid, art. 8, zesde lid, art. 9, zevende lid, art. 10, vijfde lid). In geval van bewind kan daarnaast worden afgeweken van de regeling indien het bewind zich niet uitstrekt over alle goederen (vgl. art. 3, zesde lid, art. 7, zesde lid en art. 9, zevende lid). Naar aanleiding van reacties op de conceptregeling is de formulering gewijzigd van ‘bijzondere omstandigheden’ in ‘uitzonderlijke omstandigheden’, om te benadrukken dat niet te snel mag worden aangenomen dat van de regeling kan worden afgeweken. Indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen, kan de kantonrechter door deze ingebouwde ‘noodklep’ bijvoorbeeld een hogere beloning toekennen dan door deze regeling wordt voorgeschreven. Een bijstelling van de jaarbeloning naar beneden is evenwel ook mogelijk. Wat onder uitzonderlijke omstandigheden wordt verstaan, kan niet in een limitatieve opsomming in deze regeling worden vastgesteld. Deze omstandigheden zijn immers toegesneden op de omstandigheden die zich in een specifiek geval kunnen voordoen en zijn naar hun aard niet alle voorzienbaar. Als voorbeeld noem ik extra werkzaamheden vanwege het feit dat de betrokkene is vertrokken naar het buitenland en de vertegenwoordiger allerlei extra inspanningen moet doen om hem naar Nederland te laten brengen. Wat in geen geval onder uitzonderlijke omstandigheden kan worden verstaan zijn de werkzaamheden die blijkens de toelichting vallen onder de verschillende voor professionele vertegenwoordigers onderscheiden categorieën werkzaamheden (zie voor een omschrijving van deze werkzaamheden de toelichting bij art. 2, tweede lid, art. 3, tweede lid, en art. 4, tweede lid). Van belang is om te benadrukken dat het dient te gaan om incidentele extra werkzaamheden.”10.(Onderstrepingen A-G)
3.4
De Aanbevelingen curatele van het Landelijk Overleg Vakinhoud Toezicht, laatstelijk gewijzigd per 4 maart 2021 bepalen het volgende over de beloningen van de curator:
“C Beloning van de curator
1. De curator heeft recht op een beloning11.. De Minister van Justitie en Veiligheid heeft de regels daarvoor vastgelegd in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.
2. Het uitgangspunt van de Regeling beloning is dat de regeling een forfaitair karakter heeft. Bij professionele curatoren geldt de beloning als een gemiddelde. Het systeem gaat uit van de solidariteitsgedachte dat de eenvoudige curatelen mede de lasten van ingewikkelder curatelen dragen. Inherent hieraan is dat niet voor alle extra werkzaamheden een extra beloning kan worden gevraagd. In de toelichting op de regeling is expliciet aangegeven dat extra beloning alleen mogelijk is in uitzonderlijke situaties en dat niet te snel mag worden overgegaan tot afwijking van de regeling. Verzoeken om extra beloning zullen worden getoetst aan dit criterium.” (Onderstreping A-G)
3.5
Onderdeel 2.1 vangt aan met een samenvatting van rov. 5.1-5.3 en bevat geen klachten. Die volgen in de subonderdelen 2.1.I-2.1.III.
3.6
Subonderdeel 2.1-I stelt voorop dat art. 284 lid 1 Rv bepaalt dat het bewijsrecht in beginsel van toepassing is (op verzoekschriftprocedures als de onderhavige, A-G), tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. Betoogd wordt dat deze tenzij-uitzondering zich in onze zaak niet voordoet, omdat er een wederpartij/belanghebbende is ( [de dochter] ; de curanda) en van spoedeisendheid geen sprake is. Volgens de klacht brengt dit mee dat artt. 149 en 150 e.v. Rv in onze zaak van toepassing zijn, en het hof daarom: “de door de curator gevraagde bedragen vanaf de gevraagde datum ter hoogte van het gevraagde had moeten toewijzen, nu die bedragen niet- of niet voldoende zijn weersproken.” Het hof zou dit hebben miskend, althans zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) hebben gemotiveerd.
3.7
Dat lijkt mij niet. Anders dan de klacht tot uitgangspunt neemt is de onderhavige procedure geen contentieuze verzoekschriftprocedure, waarbij de rechter optreedt als een geschilbeslechter. Onze zaak betreft voluntaire rechtspraak (ook wel: oneigenlijke rechtspraak), waar het gaat om het vaststellen van rechten en verplichtingen waarover partijen niet de vrije beschikking hebben. De curator heeft immers recht op beloning die (niet door procespartijen maar) door de rechter wordt vastgesteld overeenkomstig art. 1 lid 2-7 van de Regeling, zoals uiteengezet in 3.2. In zaken betreffende voluntaire rechtspraakverzet de aard van de zaak zich tegen toepassing van het bewijsrecht12.. Het is dan ook niet zo dat indien de curator verzoekt om een beloning, de rechter de beloning moet vaststellen conform het verzoek, indien curandus zich hiertegen niet verzet. De klacht is zodoende tevergeefs voorgesteld.
3.8
Subonderdeel 2.1-II richt zich kennelijk tegen de passage in rov. 5.2 dat het hof bij de vaststelling van de beloning in aanmerking neemt dat de algemene verjaringstermijn voor rechtsvorderingen vijf jaar bedraagt. Het klaagt voorwaardelijk, voor het geval het bewijsrecht niet van toepassing is in verzoekschriftprocedures als de onderhavige, dat de bestreden passage rechtens onjuist, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is: het hof zou in strijd met art. 24 Rv de verjaring ambtshalve hebben toegepast, terwijl geen procespartij daarop een beroep heeft gedaan.
3.9
Ik zie dit ook niet opgaan. Ook hier miskent de klacht volgens mij dat onze zaak voluntaire rechtspraak betreft en de beloning wordt vastgesteld door de rechter en niet in de beschikkingsmacht van procespartijen ligt. Uit de toelichting op de Regeling volgt dat de rechter de beloning ambtshalve kan aanpassen, zoals weergegeven in 3.313.. Dat impliceert volgens mij dat het hof bij de vaststelling van de beloning zonder schending van art. 24 Rv ambtshalve rekening kon houden met het feit dat de algemene verjaringstermijn voor rechtsvorderingen vijf jaar bedraagt, ook indien daar geen beroep op is gedaan. Dit behelst geen verboden ambtshalve toepassing van de verjaringsregeling, maar een aan de rechter voorbehouden wijze van vaststellen van een curatorvergoeding, in welk kader steun is gezocht bij de algemene verjaringsregeling. Dat lijkt mij geen verboden gezichts- of oriëntatiepunt voor de rechter in zo’n geval; integendeel.
3.10
Subonderdeel 2.1-III neemt tot uitgangspunt dat de curator expliciet een beroep heeft gedaan op art. 1 lid 8 van de Regeling (“In afwijking van het eerste lid kan de kantonrechter wegens uitzonderlijke omstandigheden de beloning van de curator, bewindvoerder of mentor op andere wijze vaststellen.”) en heeft gesteld dat “de beloning hoger (conform de vergoeding voor een professioneel curator dan wel een vergoeding die het hof juist acht) moet worden vastgesteld, vanwege de uitzonderlijke omstandigheden.” (verzoekschrift tot cassatie p. 6).
De rechts-, althans motiveringsklacht is kennelijk dat het hof ten onrechte dit beroep en daarmee samenhangende “essentiële” stellingen van de curator heeft gepasseerd. Althans is de klacht dat onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is waarom het hof (op grond van art. 1 lid 8 van de Regeling) niet een hogere beloning dan die uit art. 1 lid 2 sub a van de Regeling voortvloeit heeft vastgesteld. De motivering dat de curator geen professioneel curator is, is volgens de klacht onvoldoende, omdat de curator dat niet heeft gesteld; en sterker nog: de curator zou hebben gesteld dat zij een familiair curator is14.. Dit wordt uitgewerkt in drie nadere subonderdelen (nrs. 2.I-IIIa-2.I-IIIc).
3.11
Subonderdeel 2.I-IIIa luidt als volgt:
“De curator heeft niet gesteld dat zij een professioneel curator is. Als zij een professioneel curator was, had zij ook geen uitdrukkelijk verzoek om een beloning hoeven doen. Blijkens de literatuur bij artikel 1:386 BW wordt de jaarbeloning aan de familiecurator alleen op diens verzoek door de kantonrechter toegekend en is m.b.t. de professionele vertegenwoordiging voor het verkrijgen van de geldende standaardbeloning en voor extra beloningen aan te nemen dat geen uitdrukkelijk verzoek nodig is.15.De curator heeft puur verzocht om aansluiting bij de beloning voor professioneel curatoren, dan wel een door het hof zelf te bepalen hoogte van de vergoeding, in verband met uitzonderlijke omstandigheden (zie hierna sub b). Het hof laat dit ten onrechte onbesproken.”
3.12
Voor zover het subonderdeel klaagt dat het hof er bij zijn beoordeling vanuit is gegaan dat de curator heeft gesteld dat zij een professioneel curator is, mist dat feitelijke grondslag: het arrest biedt geen aanknopingspunten voor die lezing, zie ook hierna in 3.15.
3.13
Voor zover het subonderdeel klaagt dat het hof het beroep van de curator op art. 1 lid 8 van de Regeling ten onrechte onbesproken heeft gelaten, mist het volgens mij ook feitelijke grondslag: in rov. 5.3 ligt besloten dat het hof het verzoek van de curator om de beloning op grond van art. 1 lid 8 van de Regeling op een andere wijze vast te stellen dan uit art. 1 lid 2-7 van de Regeling voortvloeit, onder ogen heeft gezien, maar heeft verworpen, zie ook hierna in 3.15.
3.14
Subonderdeel 2.I-IIIb en subonderdeel 2.I-IIIc klagen in essentie dat het bestreden oordeel onjuist althans onbegrijpelijk is in het licht van de volgende stellingen van de curator16.:
- Door het dramatische ongeval van haar dochter, de verstrekkende gevolgen daarvan en de hectische periode daarna, heeft ze de omvang van de werkzaamheden onvoldoende kunnen inschatten (punt 2).
- [de dochter] is zowel fysiek als psychisch vrijwel volledig afhankelijk van derden. Sedert het ongeval, en in ieder geval vanaf het moment dat appellante tot curator werd benoemd, neemt appellante de (organisatie van deze) complexe zorg en behartiging van de belangen van [de dochter] voor haar rekening (punt 4).
- Naast het gegeven dat appellante zich niet kan verenigen met de periode waarover de rechtbank haar beloning heeft vastgesteld, kan zij zich tevens niet vinden in de hoogte van de vergoeding. De rechtbank heeft de hoogte van de beloning overeenkomstig artikel 1 lid 2 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren vastgesteld. Appellante is echter van mening dat deze vergoeding niet toereikend is en verzoekt om deze vergoeding wegens uitzonderlijke omstandigheden op een andere wijze vast te stellen (artikel 1 lid 8 van de Regeling) (punt 6).
- [de dochter] heeft als gevolg van het ongeval ernstige hersenschade opgelopen en is hierdoor zowel lichamelijk als psychisch ernstig beperkt geraakt. [de dochter] beschikt over een indicatie voor zorgzwaartepakket ZZP 7 LG, wonen met zeer intensieve begeleiding en zeer intensieve verzorging. Deze indicatie wordt gegeven aan personen die zeer ernstig lichamelijk gehandicapt zijn en sociaal zeer beperkt zelfstandig functioneren. Het merendeel van de patiënten die een vergelijkbaar niet aangeboren hersenletsel hebben opgelopen, woont in een zorginstelling waar de benodigde zorg (24 uur per dag) kan worden gegeven. [de dochter] woont als één van de weinige bij haar moeder. Dit betekent dat de woning van appellante volledig moest worden aangepast en er een zorgteam van minstens zeven personen moest worden ingeschakeld en aangestuurd om dit mogelijk te maken (punt 7).
- Als gevolg van de hoge zorgbehoefte en het feit dat [de dochter] thuis is blijven wonen is appellante de afgelopen jaren veel tijd en geld kwijt geraakt aan het regelen van de benodigde zorg. [de dochter] heeft een hoog PGB (€ 121.850,76 totaal). Deze inkoop, de organisatie en de aansturing van de zorg worden door appellante als curator gedaan. Appellante is hier vele uren per maand mee bezig (punt 8).
- (…)17.: vanwege de medische situatie van [de dochter] is appellante genoodzaakt om 24 uur, 7 dagen in de week bereikbaar te zijn. Zij heeft een groot PGB budget in haar beheer en coördineert ongeveer zeven tot tien zorgverleners die appellante helpen bij de dagelijkse zorg. Daarnaast heeft appellante één keer per week een gesprek met de ambulant begeleider van [de dochter] om zorg te evalueren en waar nodig aan te passen. Appellante ziet er verder dagelijks op toe dat de kwaliteit van de zorgverlening naar behoren is en bij afwezigheid van zorg houdt appellante toezicht op [de dochter] middels camera-observatie; indien nodig springt zij bij. Vanwege het hoge PGB-budget en de volledige afhankelijkheid van [de dochter] , is ze daarnaast veel tijd kwijt aan administratie en het regelen van benodigdheden, zoals o.a. bijzondere bijstand en huursubsidie. Zij heeft veelvuldig contact met o.a. de Sociale Verzekeringsbank, de zorgverzekeraar en zorgverleners om de belangen van [de dochter] te waarborgen. Ook zaken m.b.t. medisch specialisten die bij de behandeling van [de dochter] betrokken zijn, worden door appellante geregeld (denk aan psychiater, revalidatiearts, neuroloog, oogarts, tandarts, fysiotherapeut, logotherapeut en verpleegkundigen). Appellante gaat mee als [de dochter] een afspraak, onderzoek of behandeling heeft.
- Vanaf 1 januari 2015 dient er te worden aangeknoopt bij de Regeling. Appellante acht het redelijk en billijk om voor wat betreft de hoogte van haar beloning aan te knopen bij de normen voor een professioneel curator (artikel 2 lid 2 sub a van de Regeling) met een verhoging van de beloning voor het beheren van een persoonsgebonden budget (artikel 2 lid 5 sub c van de Regeling), gelet op de omvang van haar werkzaamheden zoals hiervoor bij punt 9 omschreven (punt 11).
Ook wordt een beroep gedaan op de volgende passages uit het P-V van de mondelinge behandeling van 9 oktober 2020 (met onderstreping cassatieadvocaat)18.:
De moeder:
“(...) Ik heb mezelf uitgekleed in dienst van mijn dochter. Ook ik word ouder. Ik vind het werk dat ik ervoor doe meer dan gemiddeld. Niet iedereen heeft 7 mensen onder zich en NAH. Het vergt heel veel tijd (...). Ik ben altijd bezig met dingen uitzoeken en telefoneren.”19.
Mr Meijer:
“(...) Cliënte verzoekt het hof een vergoeding vast te stellen op grond van de vergoedingen voor een professionele curator, gelet op de complexe problematiek en de vele werkzaamheden die zij verricht. Als er geen vergoeding wordt vastgesteld voor professionele curator, verzoekt de cliënte een vergoeding vast te stellen die het hof juist oordeelt.”20.
De moeder:
“Ik verzoek een vergoeding als professioneel curator, omdat het gaat om een groot budget en om gecompliceerde en ook veel juridische stukken. Ik moet veel stukken bekijken en veel dingen uitzoeken.”21.
3.15
Ook deze klachten kunnen volgens mij niet tot cassatie leiden.
In rov. 5.3 ligt naar ik meen besloten dat het hof het verzoek van de curator om de beloning op grond van de beloning voor professionele curatoren vast te stellen onder ogen heeft gezien, maar heeft verworpen. Kennelijk is het hof van oordeel dat er in onze zaak geen sprake is van de volgens de Toelichting beperkt op te vatten ‘uitzonderlijke omstandigheden’ waarop de Regeling niet onverkort kan worden toegepast. Hoewel een motivering op dit punt zeker niet had misstaan, meen ik dat dit kennelijke – aan de feitenrechter voorbehouden – oordeel, ook in het licht van de door het middel genoemde stellingen en verklaringen, in cassatie-technisch opzicht niet onbegrijpelijk is. Daarop lopen de klachten stuk, maar ik geef toe dat daar ook anders over geoordeeld kan worden in de zin dat hier een expliciete motivering van het hof had mogen worden verlangd waarom de normen voor professionele curatoren hier niet per analogie kunnen worden toegepast, nu daar door de curator immers een gemotiveerd en onderbouwd beroep op is gedaan. Dat is een beslispunt voor Uw Raad. De doorslag geeft hier voor mij evenwel dat het blijkens de Toelichting op de Regeling voor afwijking van de forfaitaire bedragen moet gaan om (niet slechts bijzondere, maar sterker:) uitzonderlijke omstandigheden en dat dit een feitelijke beoordeling door het hof behelst die in impliciet afwijzende zin kan worden begrepen te zijn gegeven in rov. 5.3.
3.16
De slotsom is dat de klachten van onderdeel 2.1 tevergeefs zijn voorgesteld.
3.17
Onderdeel 2.2 bevat de alleen voortbouwende klacht dat bij het slagen van één van de voorgaande klachten van onderdeel 2.1 ook rov. 5.3, 6 en het dictum niet in stand kunnen blijven. Dat behoeft geen afzonderlijke bespreking.
4. Conclusie
Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 10‑09‑2021
De feiten zijn ontleend aan rov. 3.1-3.3 van de bestreden beschikking: Hof Arnhem-Leeuwarden 12 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9334. Zie voor de feitenvaststelling in eerste aanleg onder het kopje ‘De feiten’ de beschikking in eerste aanleg: Rb. Gelderland 29 oktober 2019, zaaknummer: 7867084 BH VERZ 19-23964 (niet gepubliceerd). Het procesverloop is gebaseerd op rov. 3.3 en 4.1-4.3 van de bestreden beschikking.
Omdat [de dochter] niet in de vorige instantie is verschenen (rov. 2.2 van de bestreden beschikking), is zij ook niet opgeroepen in cassatie. Zie art. 326b Rv (oud) en art. 3.5.5.(1.) van het procesreglement Hoge Raad der Nederlanden.
In gelijke zin rov. 5.1 van de bestreden beschikking. Deze bepaling is op 1 januari 2015 in werking getreden. Tot 1 januari 2015 kwam de curator in het algemeen een beloning toe van vijf procent van de netto-opbrengst van de door hem beheerde goederen.
Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (stcrt. 2014, nr. 32149). Deze regeling is met ingang van 1 oktober 2016 gewijzigd bij Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 7 juli 2016, nr. 781078, houdende wijziging van de indexeringsbepaling en enige andere bepalingen in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (stcrt. 2016, nr. 36900). Artikel 13 van de Regeling bepaalt dat de indexering van de beloningen in de regeling eens per drie jaar plaatsvindt, tenzij het indexeringspercentage met betrekking tot één jaar hoger is dan 1% of lager is dan -1%. De beloningen zijn voor het laatst geïndexeerd bij Regeling indexering beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren 2021 (stcrt. 2020, nr. 54611).
Tenzij het een professionele curator betreft in de zin van art. 1:383 lid 7 BW. Dat is in onze zaak niet het geval, zoals volgt uit rov. 5.3 (“(…) nu de curator een familielid is, daarmee behoort tot de groep van personen als vermeld in artikel 1:383 lid 3 BW en niet voldoet aan de in artikel 1:338 lid 7 BW genoemde kwaliteitseisen voor professionele curatoren.”). In gelijke zin subonderdeel 2.I-IIIa (“De curator heeft niet gesteld dat zij een professioneel curator is (…)”).
Op deze plaats staat in het citaat vtn 1: “Stb. 2013, 414.”
Idem vtn 2: “De aanbevelingen voor onderscheidenlijk curatele, meerderjarigenbewind en mentorschap zijn te raadplegen via <www.rechtspraak.nl>.”
Idem vtn 3: “Vgl. Centrale Raad van Beroep 9 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO4439.”
Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (stcrt. 2014, nr. 32149), p. 6-7.
Zie ook J.H.M. ter Haar, GS Personen- en familierecht, art. 1:386 BW, aant. 3.1.4:“Ten slotte: ambtshalve aanpassing van de beloningsbedragen door de rechter (naar boven en naar beneden) is ook mogelijk (bijv. n.a.v. de evaluatie van de maatregel, zie art. 385 lid 2).”
Verwezen wordt naar beroepschrift 4.
Op deze plaats staat in het citaat vtn 3: “Mr. J.H.M. ter Haar, GS Personen- en familierecht, artikel 1:386 BW, aant. 3.1.2”.
Verwezen wordt naar het beroepschrift van de curator resp. wat zij tijdens de mondelinge behandeling op 9 oktober 2020 heeft aangevoerd.
In verzoekschrift tot cassatie p. 4 staat hier: “In punt 9 van het beroepschrift vat de curator de uitzonderlijke omstandigheden nogmaals samen.”. Dit betreft een eigen interpretatie van de betreffende passage van de steller van het middel. Volgens het kopje direct boven deze passage betreft het een samenvatting van de door de curator verrichte werkzaamheden (“Samenvatting omvang/inhoud werkzaamheden:”).
In het verzoekschrift tot cassatie zijn de betreffende passages niet geheel correct weergegeven. In deze conclusie is dat aangepast; de letterlijke tekst van het p-v is aangehouden. “NAH” staat voor: Niet Aangeboren Hersenletsel, vgl: www.hersenstichting.nl/hersenaandoeningen/niet-aangeboren-hersenletsel/
P-v mondelinge behandeling 9 oktober 2020, p. 3.
Idem.
Idem.
Beroepschrift 11‑02‑2021
VERZOEKSCHRIFT TOT CASSATIE
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Geeft eerbiedig te kennen:
[de curator], wonende te ([postcode]) [woonplaats] aan de [adres], verder te noemen: ‘de curator’, in deze zaak te Den Haag woonplaats kiezende aan de Statenlaan 28 ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. H.J.W. Alt, die door haar ten deze tot haar advocaat wordt gesteld en als zodanig dit verzoekschrift ondertekent en indient;
dat als belanghebbende is aangemerkt [de dochter], hierna te noemen: ‘de curanda)’, eveneens wonende te ([postcode]) [woonplaats] aan de [adres];
dat dit verzoekschrift strekt tot het instellen van cassatie tegen de beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem d.d. 12 november 2020, gewezen onder nummer 200.274.196, waarvan een afschrift aan dit verzoekschrift wordt gehecht, tussen de vrouw als appellante en de man als geïntimeerde.
dat de curator daartoe aanvoert aan het navolgende:
Middel van cassatie:
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt, doordat het Hof in de aangevallen beschikking heeft overwogen en beslist zoals hier als herhaald en ingelast wordt beschouwd.
1. Feitelijk verloop
1.1
Bij verzoek van 25 juni 2019 heeft de curator verzocht om een beschikking betreffende de regeling beloning curator voor de jaren 2006 t/m 2019, met de jaarlijkse vergoeding vanaf2006. Ze heeft daarin aangegeven dat zij sinds maart 2006 als curator werkzaamheden, alsmede PGB werkzaamheden e.d. verricht en dat zij tot voor kort niet op de hoogte was van voormelde regeling en ook door de rechtbank destijds daarvan niet op de hoogte is gebracht. Over het jaar 2019 stelt zij recht te hebben op een vergoeding van € 1.106,- + € 499,- + € 200,- + 959,-= € 2.764, -. De jaren daarvoor wil ze met terugwerkende kracht vergoed krijgen.
1.2
Op 25 september 2019 heeft de zitting plaatsgevonden.
1.3
Bij beschikking van 29 oktober 2019 heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen de jaarbeloning van de curator, inclusief onkostenvergoeding en exclusief omzetbelasting voor zover van toepassing, vastgesteld overeenkomstig artikel 1 lid 2 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren, en bepaald dat de curator jaarlijks aan de kantonrechter verslag doet van de gezondheidssituatie van curanda en de zorgverlening door de diverse hulpverleners aan curanda. In het lichaam van de beschikking heeft de rechtbank daaraan toegevoegd dat de curator deze beloning uitsluitend voor de jaren waarvan de rekeningen en verantwoordingen nog niet zijn vastgesteld (dus 2017 en 2018) in rekening mag brengen. Voor de j aren 2017 en 2018 dient de curator op de jaarbeloning de reeds in rekening gebrachte kosten voor de accountant in mindering te brengen. Vanaf 2019 brengt de curator alleen de jaarbeloning in rekening bij curanda. De kosten van de accountant zijn vanaf 2019 voor rekening van curator, aldus de rechtbank.
1.4
Hiertegen heeft de curator op 27 januari 2020 hoger beroep ingesteld en gevorderd om vanaf maart 2006 tot 1 januari 2010 de beloning toe te kennen en te baseren op de Aanbevelingen meerderjarigenbewind voor een professionele bewindvoerder met correctiefactor 1,5, vanaf 1 januari 2010 tot 1 januari 2015 overeenkomstig de Aanbevelingen curatele voor een professionele curator en vanaf 1 januari 2015 de beloning toe te kennen overeenkomstig artikel 2 lid 2 sub a juncto artikel 2 lid 5 sub c van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.
1.5
Op 9 oktober 2020 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden bij het hof Arnhem-Leeuwarden.
1.6
Bij beschikking van 12 november 2020 heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd en de jaarbeloning voor de curator voor de jaren 2015 tot en met 2019, inclusief onkostenvergoeding en exclusief omzetbelasting, voor zover van toepassing, vastgesteld op:
2015: € 1.080, -
2016: € 1.078,70
2017: € 1.078,70
2018: € 1.078,70
2019: € 1.106,-
1.7
De curator kan zich met die beschikking niet verenigen en voert daartegen de navolgende klachten aan.
2. Klachten
2.1
In rov. 5.1 overweegt het hof dat de curator op grond van artikel 1:386 lid 1 BW aanspraak heeft op een beloning overeenkomstig de regels die daaromtrent bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie zijn vastgesteld. Het hof oordeelt vervolgens in rov. 5.2 dat de enkele omstandigheid dat er al rekening en verantwoording is afgelegd (behalve over 2017 en 2018) er niet aan in de weg staat dat op grond van artikel 1:386 lid 1 BW een beloning voor deze jaren kan worden toegekend aan de curator. Er is geen wettelijke bepaling die aan een vaststelling als zodanig in de weg staat. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de curator ter zitting heeft verklaard dat zij er nooit op is gewezen dat zij een financiële vergoeding voor haar werkzaamheden kon aanvragen. Ook heeft de curator volgens het hof met bescheiden aangetoond dat haar werkzaamheden, gelet op de problematiek van haar dochter, uitzonderlijk omvangrijk waren. Tevens heeft zij gemotiveerd gesteld dat de financiële middelen van [de dochter] de verzochte vast te stellen beloning op dit moment toelaten. Het hof neemt bij de vaststelling van de beloning in aanmerking dat de algemene verjaringstermijn voor rechtsvorderingen vijf jaren bedraagt en dat de financiële situatie van [de dochter] per 2015 is gewijzigd doordat aan haar in 2019 met terugwerkende kracht vanaf 2015 huurtoeslag is toegekend. Daarin ziet het hof aanleiding een machtiging te verlenen om een beloning over de jaren 2015, 2016, 2017, 2018 en 2019 toe te kennen en het verzoek voor zover het betreft de jaren daarvoor af te wijzen. In rov. 5.3 behandelt het hof het verzoek van de curator om de beloning vast te stellen conform artikel 2 lid 2 sub a juncto artikel 2 lid 5 sub c van de Regeling. Dit wijst het hof af, omdat dat artikel ziet op een beloning voor professionele curatoren en cliënte een familielid is en daarmee tot de groep van personen als vermeld in artikel 1:383 lid 3 BW en niet voldoet aan de in artikel 1:338 lid 7 BW (bedoeld zal zijn 1:383 lid 7 BW) genoemde kwaliteitseisen voor professionele curatoren. Hiertegen richten zich de navolgende klachten.
2.1-I
Vooropgesteld zij dat artikel 284 Rv eerste lid bepaalt dat het bewijsrecht in beginsel van toepassing is, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. Dat laatste is bijvoorbeeld aan de orde wanneer er behalve verzoeker geen wederpartij (belanghebbende) is.1. Verder valt te denken aan spoedeisende procedures. 2. In casu is er (wel) een belanghebbende (te weten de curanda [de dochter]) en is er van een (noodzaak tot) spoedeisendheid geen sprake. Dat zou dus meebrengen dat in casu artt 149 en 150 Rv ev. in casu van toepassing zijn. Dat betekent dus concreet dat het hof de door de curator gevraagde bedragen vanaf de gevraagde datum ter hoogte van het gevraagde had moeten toewijzen, nu die bedragen niet- of niet voldoende zijn weersproken. Het hof heeft dat hetzij miskend in rovv. 5.1 t/m 5.3 en het dictum, hetzij heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang.
2.1-II
Indien en voor zover het in het vorige onderdeel gestelde rechtens onjuist is, te weten dat het bewijsrecht niet van toepassing is in rekestzaken als de onderhavige dan heeft nog altijd te gelden dat de rechter lijdelijk is, in die zin dat artikel 24 Rv heeft te gelden en dat de rechter lijdelijk is en (uitsluitend) beslist op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering, verzoek of verweer ten gronde hebben gelegd. Dat betekent dat, nu de rechter verjaring niet ambtshalve mag toepassen en daarop door geen partij een beroep is gedaan, het hof artikel 24 Rv miskent, althans geen inzicht geeft in zijn gedachtegang op dit punt.
2.1-III
Het hof mocht — hoe dan ook, dus bewijsrecht van toepassing of niet — niet ongemotiveerd de essentiële stellingen van de curator passeren, waar zij expliciet een beroep gedaan op artikel 1 lid 8 van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren, dat luidt:
‘In afwijking van het eerste lid kan de kantonrechter wegens uitzonderlijke omstandigheden de beloning van de curator, bewindvoerder of mentor op andere wijze vaststellen.’
- a.
De curator heeft niet gesteld dat zij een professioneel curator is. Als zij een professioneel curator was, had zij ook geen uitdrukkelijk verzoek om een beloning hoeven doen. Blijkens de literatuur bij artikel 1:386 BW wordt de jaarbeloning aan de familiecurator alleen op diens verzoek door de kantonrechter toegekend en is m.b.t. de professionele vertegenwoordiging voor het verkrijgen van de geldende standaardbeloning en voor extra beloningen aan te nemen dat geen uitdrukkelijk verzoek nodig is.3. De curator heeft puur verzocht om aansluiting bij de beloning voor professioneel curatoren, dan wel een door het hof zelf te bepalen hoogte van de vergoeding, in verband met uitzonderlijke omstandigheden (zie hierna sub b). Het hof laat dit ten onrechte onbesproken.
- b.
De curator heeft zowel in haar beroepschrift, als tijdens de mondelinge behandeling (blijkens het pv) een beroep gedaan op deze uitzonderlijke omstandigheden. Door hierover niets te overwegen, komt het oordeel mij op dit punt onbegrijpelijk voor. De curator heeft hieromtrent in haar beroepschrift immers gesteld:
- —
Door het dramatische ongeval van haar dochter, de verstrekkende gevolgen daarvan en de hectische periode daarna, heeft ze de omvang van de werkzaamheden onvoldoende kunnen inschatten (punt 2).
- —
[de dochter] is zowel fysiek als psychisch vrijwel volledig afhankelijk van derden. Sedert het ongeval, en in ieder geval vanaf het moment dat appellante tot curator werd benoemd, neemt appellante de (organisatie van deze) complexe zorg en behartiging van de belangen van [de dochter] voor haar rekening (punt 4).
- —
Naast het gegeven dat appellante zich niet kan verenigen met de periode waarover de rechtbank haar beloning heeft vastgesteld, kan zij zich tevens niet vinden in de hoogte van de vergoeding. De rechtbank heeft de hoogte van de beloning overeenkomstig artikel 1 lid 2 sub a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren vastgesteld. Appellante is echter van mening dat deze vergoeding niet toereikend is en verzoekt om deze vergoeding wegens uitzonderlijke omstandigheden op een andere wijze vast te stellen (artikel 1 lid 8 van de Regeling). (Punt 6).
- —
[de dochter] heeft als gevolg van het ongeval ernstige hersenschade opgelopen en is hierdoor zowel lichamelijk als psychisch ernstig beperkt geraakt. [de dochter] beschikt over een indicatie voor zorgzwaartepakket ZZP 7 LG, wonen met zeer intensieve begeleiding en zeer intensieve verzorging. Deze indicatie wordt gegeven aan personen die zeer ernstig lichamelijk gehandicapt zijn en sociaal zeer beperkt zelfstandig functioneren. Het merendeel van de patiënten die een vergelijkbaar niet aangeboren hersenletsel hebben opgelopen, woont in een zorginstelling waar de benodigde zorg (24 uur per dag) kan worden gegeven. [de dochter] woont als één van de weinige bij haar moeder. Dit betekent dat de woning van appellante volledig moest worden aangepast en er een zorgteam van minstens zeven personen moest worden ingeschakeld en aangestuurd om dit mogelijk te maken, (punt 7).
- —
Als gevolg van de hoge zorgbehoefte en het feit dat [de dochter] thuis is blijven wonen is appellante de afgelopen jaren veel tijd en geld kwijt geraakt aan het regelen van de benodigde zorg. [de dochter] heeft een hoog PGB (E 121.850,76 totaal). Deze inkoop, de organisatie en de aansturing van de zorg worden door appellante als curator gedaan. Appellante is hier vele uren per maand mee bezig, (punt 8)
- —
In punt 9 van het beroepschrift vat de curator de uitzonderlijke omstandigheden nogmaals samen: vanwege de medische situatie van [de dochter] is appellante genoodzaakt om 24 uur, 7 dagen in de week bereikbaar te zijn. Zij heeft een groot PGB budget in haar beheer en coördineert ongeveer zeven tot tien zorgverleners die appellante helpen bij de dagelijkse zorg. Daarnaast heeft appellante één keer per week een gesprek met de ambulant begeleider van [de dochter] om zorg te evalueren en waar nodig aan te passen. Appellante ziet er verder dagelijks op toe dat de kwaliteit van de zorgverlening naar behoren is en bij afwezigheid van zorg houdt appellante toezicht op [de dochter] middels camera-observatie; indien nodig springt zij bij. Vanwege het hoge PGB-budget en de volledige afhankelijkheid van [de dochter], is ze daarnaast veel tijd kwijt aan administratie en het regelen van benodigdheden, zoals o.a. bijzondere bijstand en huursubsidie. Zij heeft veelvuldig contact met o.a. de Sociale Verzekeringsbank, de zorgverzekeraar en zorgverleners om de belangen van [de dochter] te waarborgen. Ook zaken m.b.t. medisch specialisten die bij de behandeling van [de dochter] betrokken zijn, worden door appellante geregeld (denk aan psychiater, revalidatiearts, neuroloog, oogarts, tandarts, fysiotherapeut, logotherapeut en verpleegkundigen). Appellante gaat mee als [de dochter] een afspraak, onderzoek of behandeling heeft.
- —
Vanaf 1 januari 2015 dient er te worden aangeknoopt bij de Regeling. Appellante acht het redelijk en billijk om voor wat betreft de hoogte van haar beloning aan te knopen bij de normen voor een professioneel curator (artikel 2 lid 2 sub a van de Regeling) met een verhoging van de beloning voor het beheren van een persoonsgebonden budget (artikel 2 lid 5 sub c van de Regeling), gelet op de omvang van haar werkzaamheden zoals hiervoor bij punt 9 omschreven, (punt 11).
- c.
En in het pv van de zitting van 9 oktober 2020 is wederom een complete onderbouwing van de werkzaamheden van de curator opgenomen en verder is daarin te lezen (onderstreept door mij, HJWA):
‘De moeder:
(…) Ik heb mijzelf uitgekleed in dienst van mijn dochter. Ook ik word ouder. Ik vind het werk dat ik ervoor doe meer dan gemiddeld. Niet iedereen heeft 7 mensen onder zich en NAH. Het vergt heel veel tijd (…). Ik ben altijd bezig met dingen uitzoeken en telefoneren.
Mr Meijer:
(…) De curator verzoekt het hof een vergoeding vast te stellen op grond van de vergoedingen voor een professionele, curator, gelet op de complexe problematiek en de vele werkzaamheden die zij verricht. Als er geen vergoeding wordt vasteesteld voor professionele curator, verzoekt de curator een vergoeding vast te stellen die het hof juist oordeelt.
De moeder:
Ik verzoek een vergoeding als professioneel curator, omdat het mat om een groot budget en om gecompliceerde en ook veel juridische stukken. Ik moet veel stukken bekijken en veel dingen uitzoeken.’
Dit alles heeft het hof ten onrechte gepasseerd, althans niet gemotiveerd waarom het hof het door de curator verzochte afwijst.
De motivering dat de curator geen professioneel curator is, is daartoe onvoldoende, omdat zij dat ook helemaal niet heeft gesteld. Sterker nog: in punt 4 van het beroepschrift is te lezen: Appellante is een familiair curator.
De curator heeft gesteld dat de beloning hoger (conform de vergoeding voor een professioneel curator dan wel een vergoeding die het hof juist acht) moet worden vastgesteld, vanwege de uitzonderlijke omstandigheden.
2.2
Het slagen van één of meer van de bovengenoemde klachten vitiëert ook rovv 5.3, 6, en het dictum (rov 7)
Redenen waarom
Verzoeker tot cassatie zich wendt tot Uw Raad met het eerbiedig verzoek de beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem d.d. 12 november 2020, gewezen onder nummer 200.274.196 waartegen opgemeld middel is gericht, te vernietigen met zodanige verdere uitspraak als naar het oordeel van Uw Raad behoort te worden gegeven; Kosten rechtens!
's‑Gravenhage, 11 februari 2021
mr. H.J.W. Alt
advocaat bij de Hoge Raad der
Nederlanden