Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/8.2.3.4
8.2.3.4 Onrechtmatige daad
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS972063:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Assink/Slagter 2013, p. 198; Asser/Kroeze 2-I 2021, nr. 231; en Verdam 2017.
Zie bevestigend Assink/Slagter 2013, p. 704; De Groot & Bakker 2011, p. 252. Anders kennelijk Van der Korst (in Van der Korst 2022, p. 1083 en Van der Korst (diss.) 2007, p. 175-176) en Dortmond (zie Handboek 2013, nr. 203.1), die overigens wel de mogelijkheid openhouden van een vordering uit hoofde van onrechtmatige daad tegen leden van de vennootschapsleiding.
Een vergelijkbare benadering wordt in Duitsland genomen voor de AG in het kader van het Auskunftsrecht van §131 AktG, de Duitse van het Nederlands recht op inlichtingen (zie ook par. 4.3.2.3 hiervoor). De Duitse wettekst gaat, net als de Nederlandse, uit van informatieverstrekking door de vennootschapsleiding, maar de informatieplicht wordt toegerekend aan de vennootschap (zie Wilde 1998, p. 441). Eenzelfde benadering wordt overigens gehanteerd bij het Auskunfts- und Einsichtsrecht ex §51a GmbHG, waarover Schmidt 2021, p. 1254-1255: “Die Geschäftsführer erfüllen lediglich die Informationspflicht der Gesellschaft als deren Organe, aber sie sind nicht selbst die Informationsschuldner. Diese Auffassung hat sich durchgesetzt.”
Voor de goede orde merk ik op dat misleiding op de kapitaalmarkt valt buiten de reikwijdte van dit onderzoek, omdat dit de bredere markt raakt en niet uitsluitend de aandeelhouder in hoedanigheid.
Artikel 3:296 jo. 6:162 BW.
Artikel 6:103 BW. Vgl. Van der Korst (diss.) 2007, p. 176.
Zie Decher 2018, p. 281 (nr. 87).
Zie Decher 2018, p. 281 (nr. 88).
Relevante Duitse wettekst: “Ist einem Aktionär wegen seiner Eigenschaft als Aktionär eine Auskunft außerhalb der Hauptversammlung gegeben worden, so ist sie jedem anderen Aktionär auf dessen Verlangen in der Hauptversammlung zu geben, auch wenn sie zur sachgemäßen Beurteilung des Gegenstands der Tagesordnung nicht erforderlich ist. (...).”
Zie Decher 2018, p. 282 (nr. 88). Daarbij moet worden bedacht dat de reikwijdte van het Auskunftsrecht normaliter beperkt is tot die informatie die nodig is om de agendapunten te kunnen beoordelen (namelijk “soweit sie zur sachgemäßen Beurteilung des Gegenstands der Tagesordnung erforderlich ist.”, zie §131 (1) AktG).
Vgl. Wilde 1998, p. 460; en Decher 2018, p. 183-184 (nrs. 450 en 452).
Zie de schakelbepaling van § 51b GmbhG.
Zie artikel 3:303 BW.
Zie par. 8.4 hierna.
De ontoereikend geïnformeerde aandeelhouder kan de vennootschap onder omstandigheden aanspreken uit hoofde van onrechtmatige daad, mits aan de overige vereisten van artikel 6:162 BW is voldaan. Om een beroep te kunnen doen op artikel 6:162 BW, zal de ontoereikend geïnformeerde aandeelhouder voldoende onderbouwd moeten aantonen dat sprake is van een onrechtmatige gedraging, namelijk de schending van het informatierecht, dat de aandeelhouder als gevolg daarvan schade heeft geleden en dat de geschonden norm is gericht tot die aandeelhouder. Daarbij dient een causaal verband, in de zin van condicio sine qua non, te bestaan tussen de onrechtmatige gedraging en de geleden schade.
In voorkomende gevallen rust op de vennootschap een verplichting tot het verstrekken van bepaalde informatie uit hoofde van artikel 2:8 BW. De heersende leer is dat een verplichting uit artikel 2:8 BW dient te worden gekwalificeerd als een na te leven verbintenis uit de wet van eigen aard, als gevolg waarvan de schending daarvan een onrechtmatige daad kan opleveren, mits aan de overige vereisten van artikel 6:162 BW is voldaan.1 De schending van een informatierecht uit hoofde van artikel 2:8 BW kan derhalve een onrechtmatige daad van de vennootschap opleveren.
Discussie bestaat over de vraag of de vennootschap onrechtmatig handelt bij een schending van het recht op inlichtingen.2 Ik ben geneigd deze vraag bevestigend te beantwoorden. Een schending van deze wettelijke plicht door de vennootschapsleiding kan mijns inziens in redelijkheid aan de vennootschap worden toegerekend.3 Die onrechtmatige daad is dan gepleegd jegens iedere aandeelhouder die, als onderdeel van de algemene vergadering, informatie is ontzegd.
Uitgangspunt bij de onrechtmatige daad zal echter zijn om monetaire compensatie van schade te vorderen. Het zal veelal lastig zijn om de schade geleden door de schending van een informatierecht op geld te waarderen.4 De onrechtmatige daad kan echter ook ten grondslag wordt gelegd aan een rechterlijk bevel tot informatieverstrekking.5 Daarnaast acht ik het denkbaar dat schadevergoeding in natura wordt geëist, bestaande uit de informatie die de aandeelhouder ten onrechte is onthouden.6 De informatie dient dan alsnog te worden verstrekt aan die partijen en op zodanige wijze als waartoe de vennootschap in eerste instantie reeds was gehouden. Qua uitwerking verschilt deze rechtsingang dus niet wezenlijk van de hiervoor besproken grondslagen.
Het voorgaande stuit echter op dogmatische en logistieke problemen bij een schending van het recht op inlichtingen van de algemene vergadering. Met name de vraag op welke wijze de informatie dient te worden verstrekt, leidt tot onduidelijkheid. Dient een nieuwe algemene vergadering te worden opgeroepen waar de vennootschapsleiding de ten onrechte geweigerde inlichting alsnog verschaft, of kan die informatie ook op een andere wijze worden verstrekt?
Op dit punt kan inspiratie worden geput uit de Duitse regeling van §132 AktG. Op grond van §132(4) AktG kan, indien de rechter oordeelt dat de informatieverstrekking ter vergadering ten onrechte is geweigerd, worden gekozen om de betreffende informatie ofwel buiten vergadering te verstrekken ofwel op de eerstvolgende algemene vergadering. Die keuze rust bij de aandeelhouder die op grond van § 132(1) AktG in rechte bezwaar maakt tegen de onrechtmatige weigering van informatieverstrekking.7 Indien wordt gekozen voor informatieverstrekking buiten vergadering, is het aan de vennootschap om vervolgens te kiezen of zij de betreffende informatie mondeling dan wel schriftelijk zal verstrekken.8 De rechtvaardiging voor de mogelijkheid tot verstrekking van de relevante informatie buiten vergadering, is erin gelegen dat de aandeelhouder er veelal niet mee zal zijn gediend indien hij moet wachten op de eerstvolgende algemene vergadering.
Wat betekent dit voor de overige aandeelhouders, die niet in rechte zijn verschenen? Zij kunnen op grond van §131 (4) AktG9 de betreffende informatie opvragen tijdens de eerstvolgende aandeelhoudersvergadering.10 Deze aandeelhouders zullen dus langer moeten wachten op de betreffende informatie; de procederende aandeelhouder wordt in zoverre beloond voor zijn actieve handelen ten opzichte van free riders. Belangrijk is dat alle aandeelhouders uiteindelijk toegang zullen hebben tot dezelfde informatie. Op die manier wordt de gelijke behandeling van aandeelhouders voor wat betreft informatieverstrekking zoveel mogelijk gewaarborgd.11
Deze Duitse benadering, die overigens niet slechts geldt voor de AG maar ook wordt toegepast op de GmbH,12 biedt een pragmatische oplossing voor de eerder gesignaleerde onduidelijkheden. Niettemin komt het mij wenselijk voor indien de informatieverstrekking zoveel mogelijk gelijktijdig plaatsvindt aan alle aandeelhouders. De vennootschap zou wellicht kunnen worden geboden om de betreffende informatie alsnog schriftelijk aan al haar aandeelhouders te verstrekken, bijvoorbeeld via de kanalen waarmee zij normaliter met haar aandeelhouders communiceert.
Het voorgaande neemt niet weg dat in Nederland steeds de vraag zal moeten worden gesteld of de procederende aandeelhouder nog steeds voldoende belang heeft bij de betreffende informatie.13 De betreffende informatie kan onder omstandigheden zijn waarde zijn verloren. Het achteraf verstrekken van die informatie heeft geen gevolgen voor de uitkomst van een stemming, de inhoud van een besluit of een reeds afgeronde discussie. Indien een besluit is genomen op basis van onvolledig of onjuiste informatie, ligt aantasting daarvan meer voor de hand dan het achteraf vorderen van de destijds ontbrekende informatie.14 Ook kan een schending van het recht op inlichtingen ten grondslag worden gelegd aan een enquêteverzoek. Ook indien de aandeelhouder geen toegang heeft tot een onrechtmatige daadsactie, resteren dus nog andere mogelijke sancties.