Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/5.1.2
5.1.2 De stel- en bewijsplicht in het kader van de vergoeding van kosten/schade bij (niet-)nakoming van de bereddingsplicht
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS355880:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van de vergoeding van de bereddingskosten kan - bij niet bedrijfsmatig gesloten overeenkomsten - niet worden afgeweken. Dat is vanwege de angst voor onbeheersbare kosten (denk aan product-recall) anders bij verzekeringen gesloten in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Zie hierna onder hoofdstuk 8.
Zie hiervoor onder 5.1.1.1. alsook (o.m.) Rb. Rotterdam 22 maart 2001, te kennen uit Hof Den Haag 16 juli 2002, S&S 2003, 48 (r.o. 5.8).
Zie ook hiervoor onder 5.1.1.2.
T.J. Dorhout Mees, Nederlands handels- en faillissementsrecht, deel III, 7e druk, Arnhem (1980), nr. 7.201.
Stadermann, Titel 7.17 belicht 2005, p. 153.
De grondslag voor de vordering vormt primair art. 6:74 BW (wanprestatie). Niet nakoming van de bereddingsplicht heeft mitsdien niet zonder meer verval van het recht op vergoeding onder de polis tot gevolg. Zie Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 228, alsook Bijzondere contracten XI.A.283-7 en de daar genoemde verwijzingen.
De MvT noemt als voorbeeld het museum dat de inzendingen voor een tentoonstelling ten behoeve van de inzenders heeft verzekerd: de inzenders zijn verzekerden, maar bij dreigend gevaar is alleen personeel van het museum in staat maatregelen te treffen (Kamerstukken II, 1985/86, 19 529, nr. 3, p. 28).
Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 228. Zie ook MvT Kamerstukken II1985/1986, 19 529, nr. 3, p. 20.
Zie ook Wansink 2006, p. 336.
Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 229.
Kamerstukken II, 1985/1986, 19 529, nr. 3, p. 28.
Anders het Duitse recht in par. 82 abs. 4VVG 2008, waarin de bereddingsplicht een 'Obliegenheit' vormt en - in het verlengde daarvan - de verzekeraar tot vergoeding voor het geheel blijft gehouden 'soweit die Verletzung der Obliegenheit weder für die Feststellung des Versicherungsfalles noch für die Feststellung oder den Umfang der Leistungspflicht ursachlich ist (behoudens in geval van „eine arglistige Verletzung'). Zoals de Toelichting met zo veel woorden aangeeft, 'trägt der Versicherungsnehmer die Beweislast für die fehlende Kausalität der Obliegenheitsverletzung'.
Samenvattend kan gesteld worden dat de 'post' bereddingskosten1 steeds gesteld en bewezen dient te worden door degene die daarop een beroep doet: ofwel in het kader van de vordering van de verzekerde tot vergoeding van de kosten verbonden aan de door hem getroffen maatregelen ('ik, verzekeringnemer/verzekerde, heb bereddingskosten gemaakt tot een door mij gevorderd bedrag, in welk bedrag ik inzicht zal geven en waar nodig bewijzen'2), dan wel in het kader van de vordering van de verzekeraar tot vergoeding van de door hem geleden schade als gevolg van de niet-nako-ming van de bereddingsplicht ('ik, verzekeraar, heb schade geleden door het niet-beredden en ik stel en zal zo nodig bewijzen tot welke bedrag ik me beroep op bevrijding van mijn verplichtingen onder de polis'3). In die gevallen waarin de verzekeraar in die bewijslast slaagt, dient vervolgens rekening te worden gehouden met een aspect waarop Dorhout Mees heeft gewezen: de redelijkheid brengt mee dat van het aldus gevonden bedrag nog de kosten worden afgetrokken die de bereddingsmaatregelen zouden hebben meegebracht. Deze kosten zijn door het niet-beredden in feite immers bespaard gebleven.4 De stelplicht en bewijslast ter zake van de omvang van die besparing rust op de verzekeringnemer/verzekerde. De vraag tot welke kosten vergoeding nu dient plaats te hebben resp. tot welke schade de niet-nakoming van de bereddingsplicht nu leidt, is er een die veelal lastig, zo niet - in de kwalificatie van Stadermann - ondoenlijk is.5Op de inhoudelijke vaststelling van de bedoelde posten ga ik in het kader van dit boek niet in. Ik volsta hier met een (korte) bespreking van de verschillende grondslagen die voorstelbaar zijn in het kader van de hier bedoelde schadevergoeding.
De verzekeraar, immers, die zich op bevrijding van zijn verplichtingen onder de polis beroept, kan dit doen ten opzichte van zijn contractuele wederpartij, dan wel - indien dat een ander is - ten opzichte van de verzekerde derde. Ik schets de beide situaties:
De 'gewone' situatie bij verhaal van schade: verzekeringnemer en verzekerde zijn dezelfde
In geval verzekeringnemer en verzekerde dezelfde zijn, is de situatie voor de verzekeraar het meest overzichtelijk: de vordering tot schadevergoeding die hij door de niet-nakoming van de bereddingsplicht stelt te hebben is in die situatie immers verrekenbaar met de prestatie die de verzekeraar uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst dient te verrichten.6
De 'afwijkende' situatie bij verhaal van schade: de verzekerde is geen contractuele wederpartij
Zoals ik hiervoor al aangaf, ontstaat er in de situatie waarin de verzekerde een ander is dan de verzekeringnemer een andere onderlinge verhouding. Te onderscheiden valt daarbij de situatie waarin ofwel de verzekeringnemer zijn verplichting tot beredding niet nakomt, danwel de verzekerde derde dat niet doet.
Ingeval op de verzekeringnemer een (niet nagekomen) bereddingsplicht rustte, maar de verzekerde een ander is,7 dient de verzekeraar - er van uit gaand dat aan de vereisten onder de polis is voldaan - aan de verzekerde de hem toekomende schadepenningen uit te keren. Op de verzekeraar rest dan de mogelijkheid om in zijn verhouding tot de verzekeringnemer het uitgekeerde bedrag te verhalen op basis van 'wanprestatie', het toerekenbaar tekortschieten - in de zin van art. 6:74-75 BW8 - door de verzekering-nemer/niet-verzekerde in de nakoming van zijn bereddingsplicht ten opzichte van de verzekeraar.9
Wanneer vast komt te staan dat de verzekerde de op hem rustende gehoudenheid tot beperking van schade (de hiervoor onder 5.1.1 geïntroduceerde Obliegenheit) niet in acht neemt, kan de verzekeraar op basis van art. 957 lid 3 BW zijn uitkering verminderen met de schade die hij daardoor lijdt.10
Waren de verzekeringnemer en de verzekerde beiden feitelijk in de gelegenheid maatregelen te treffen en schoten zij daarin beiden tekort, dan zijn zij hoofdelijk tot vergoeding van de schade gehouden.11
Ondanks het verschil in grondslag bewijsrechtelijk geen verschillen
Het inzichtelijk maken en bij tegenspraak bewijzen van de (hoogte van de) geleden schade is, zoals in de inleiding reeds is aangegeven, aan de partij die stelt daarop recht te hebben. Ten aanzien van de stel- en bewijsplicht speelt het verschil in 'grondslag' geen rol: die rusten in ieder van de door mij besproken gevallen op de verzekeraar.12