Hof 's-Hertogenbosch, 27-09-2022, nr. 200.283.576, 01
ECLI:NL:GHSHE:2022:3266
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
27-09-2022
- Zaaknummer
200.283.576_01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2022:3266, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 27‑09‑2022; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHSHE:2021:2192, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 13‑07‑2021; (Hoger beroep)
- Wetingang
- Vindplaatsen
ERF-Updates.nl 2022-0300
JERF Actueel 2022/321
ERF-Updates.nl 2021-0206
JERF Actueel 2021/327
Uitspraak 27‑09‑2022
Inhoudsindicatie
Uitleg testament. Toezeggingen erflater. Gronden in Brazilië vallen niet in de verdeling van de nalatenschap van vader. Geen rechtsmacht om over overige gronden te oordelen.
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.283.576/01
arrest van 27 september 2022
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. C.A. van Kooten-de Jong te Montfoort,
tegen
1. [geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
hierna gezamenlijk aan te duiden als [geïntimeerden] en geïntimeerde sub 1 als [geïntimeerde 1] en geïntimeerde sub 2 als [geïntimeerde 2] ,
advocaat: mr. L.P.J. Krijgsman te Hardinxveld-Giessendam,
als vervolg op het door het hof gewezen arrest in incident van 13 juli 2021 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/360735 / HA ZA 19-440 gewezen vonnis van 11 maart 2020.
5. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het arrest in incident ex artikel 843a Rv en artikel 3:173 BW van 13 juli 2021 waarbij de op deze artikelen gebaseerde incidentele vorderingen van [appellant] zijn afgewezen met compensatie van kosten in het incident, in die zin dat ieder zijn eigen kosten draagt en waarbij de zaak voor memorie van antwoord is verwezen naar de rol;
- -
de memorie van antwoord van [geïntimeerden] met een productie;
- -
H16-formulier van 24 juni 2022 van [appellant] met het verzoek om de zitting digitaal bij te wonen;
- -
H12-formulier van 30 juni 2022 van [appellant] met productie 14 (brief [appellant] );
- -
H12-formulier van 30 juni 2022 van [geïntimeerden] productie 6;
- -
H16-formulier van 5 juli 2022 van [geïntimeerde 2] met het verzoek om de zitting digitaal bij te wonen;
- -
H12-formulier van 11 juli 2022 van [geïntimeerden] met productie 7 (volmacht [geïntimeerde 2] );
- -
het ter zitting overgelegde bezwaar van mr. Van Kooten-de Jong namens [appellant] van 11 juli 2022 tegen het niet (digitaal) aanwezig zijn van [geïntimeerde 2] bij de mondelinge behandeling;
- -
de mondelinge behandeling, waarbij partijen spreeknotities hebben overgelegd.
Het bezwaar van [appellant] betreffende het niet-digitaal verschijnen ter zitting van [geïntimeerde 2]
Bij de mondelinge behandeling heeft mr. Van Kooten-de Jong het bezwaar nader toegelicht, waarna mr. Krijgsman daarop kort heeft gereageerd. Na een korte schorsing heeft het hof het bezwaar verworpen en beslist dat er geen aanleiding is om de zitting aan te houden.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
6. De beoordeling
6.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
a. Partijen zijn broers van elkaar. Zij zijn alle drie in gelijke delen erfgenaam van [vader] (hierna: vader), die is overleden op [datum 1] 2017. Vader heeft een testament gemaakt op 18 oktober 1999.
b. Het testament is opgemaakt naar het oude erfrecht en in het testament is een ouderlijke boedelverdeling opgenomen ten gunste van de echtgenote van vader. Ook was in het testament voorzien dat zij executeur zou zijn. Door haar vooroverlijden op [datum 2] 2015 is er niet langer een testamentair executeur aangewezen en ook daarna is er geen nieuwe executeur aangesteld.
c. Het testament bevat onder meer de volgende bepalingen:
“II. RECHTSKEUZE
Ik bepaal, dat op de uitleg van dit testament en op de erfopvolging en afwikkeling van mijn nalatenschap Nederlands recht van toepassing is.
(…)
VII. SLOTBEPALINGEN
(…)
B. VRIJSTELLING INBRENG
Ik stel mijn afstammelingen vrij van de verplichting tot inbreng van schenkingen in mijn nalatenschap, tenzij en voor zover bij enige schenking anders is bepaald.
(…)”
d. [appellant] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] hebben de nalatenschap van vader zuiver aanvaard.
Procedure bij de rechtbank
6.2.
Voor de duidelijkheid meldt het hof dat in eerste aanleg [geïntimeerde 1] eiser in conventie en verweerder in reconventie was, [appellant] gedaagde in conventie en eiser in reconventie en [geïntimeerde 2] gedaagde in conventie en verweerder in reconventie. [geïntimeerde 2] is in eerste aanleg niet verschenen.
6.2.1.
In de onderhavige procedure vorderde [geïntimeerde 1] (in conventie) – uitvoerbaar bij voorraad – samengevat:
Primair en subsidiair
1. [appellant] en [geïntimeerde 2] te veroordelen tot medewerking aan de verdeling van de woning aan [adres 1] [plaats] (hierna: de woning) op de manier zoals nader in de inleidende dagvaarding door [geïntimeerde 1] omschreven;
2. [appellant] en [geïntimeerde 2] te veroordelen tot medewerking aan de verdeling van een perceel grond te [plaats] sectie [x] nummer [nummer] (hierna: het perceel grond te [plaats] ) op de wijze zoals nader in de inleidende dagvaarding door [geïntimeerde 1] omschreven;
3. een onzijdig persoon te benoemen, te weten notaris mr. S.J.G. de Kort te [plaats] , om [geïntimeerde 2] en [appellant] te vertegenwoordigen bij de levering van de woning en het perceel grond, dit voor het geval [geïntimeerde 2] en [appellant] weigeren om over te gaan tot de nodige leveringshandelingen;
4. een onzijdig persoon te benoemen die inzage krijgt in de hoogte van het aanwezige banksaldo en een verdeling bewerkstelligt in drie gelijke delen;
5. een verklaring voor recht te geven met de inhoud dat de tot de nalatenschap behorende bankrekeningen kunnen worden opgeheven zodra verdeling van het banksaldo heeft plaatsgevonden;
Meer subsidiair:
6. de wijze van verdeling vast te stellen;
Zowel primair, subsidiair als meer subsidiair:
7. [appellant] en [geïntimeerde 2] te veroordelen tot betaling van de kosten die [geïntimeerde 1] buitengerechtelijk heeft moeten maken;
8. [appellant] en [geïntimeerde 2] in de proceskosten te veroordelen.
6.2.2.
[appellant] heeft verweer gevoerd en op zijn beurt vorderingen in reconventie ingesteld. Aangezien deze vorderingen in hoger beroep zijn gewijzigd, verwijst het hof voor de inhoud van deze vorderingen in reconventie naar het beroepen vonnis.
6.2.3.
In het tussenvonnis van 9 oktober 2019 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast, welke op 25 februari 2020 heeft plaatsgevonden. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.
6.2.4.
In het eindvonnis van 11 maart 2020 heeft de rechtbank in conventie en reconventie de nalatenschap van vader tussen de drie erfgenamen verdeeld waarbij – kort gezegd – de drie erfgenamen zijn veroordeeld om over te gaan tot verdeling van de woning en het perceel grond te [plaats] op de wijze zoals bepaald in het vonnis. De rechtbank heeft ten aanzien van de woning overwogen dat de woning wordt verkocht door de in het vonnis genoemde makelaar, dat tegenover de schuld aan de Staat het equivalent van de waarde van de door de Staat te leveren grond staat, dat deze schuld dus bij de woning hoort en wordt verdisconteerd in de verkoop van de woning. Verder is overwogen dat partijen het eens zijn dat het perceel grond te [plaats] kan worden toegedeeld aan [geïntimeerde 1] waarbij [geïntimeerde 1] verplicht is om ter zake overbedeling aan beide broers ieder 1/3e deel van de waarde uit te betalen. Partijen zijn het tevens eens geworden dat ingeval de bestemming van het perceel binnen tien jaar na toedeling aan [geïntimeerde 1] gaat wijzigen en hierdoor meerwaarde kan worden gerealiseerd [geïntimeerde 1] aan beide broers 1/3e deel van de meerwaarde uit zal betalen.
De rechtbank heeft vervolgens de wijze van verdeling van de banktegoeden gelast in de zin dat ieder van de erfgenamen recht heeft op 1/3e deel van het gezamenlijk banktegoed en dat dit tegoed dient te worden uitgekeerd tegelijk met opheffing van de rekeningen.
De overige vorderingen in conventie en de vorderingen in reconventie zijn afgewezen en de proceskosten zijn gecompenseerd in die zin dat ieder zijn eigen kosten draagt.
Procedure in hoger beroep
6.3.
[appellant] is het niet eens met dit vonnis en heeft in hoger beroep acht grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en hierbij tevens zijn eis in reconventie gewijzigd. Ter zitting heeft hij vervolgens zijn vordering ten aanzien van de inventaris van de woning ingetrokken zodat de vorderingen van [appellant] thans als volgt luiden:
Primair
A.
I. toescheiding van de onroerende zaak [naam 1] aan [appellant] en [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot medewerking aan de levering c.q. tenaamstelling van deze onroerende zaak binnen 60 dagen na betekening van dit arrest; dan wel
II. toescheiding van de onroerende zaak in Brazilië , zijnde 200 hectare cultuurgrond behorende tot de 432 hectaren van de oorspronkelijke boerderij [naam 2] aan [appellant] en [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot medewerking aan de levering c.q. tenaamstelling van deze onroerende zaak binnen 60 dagen na betekening van dit arrest;
III. bij gebreke waarvan [geïntimeerden] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan [appellant] bestaande uit:
1. de levering van de woning;
2. de banktegoeden die behoren tot de nalatenschap van vader;
3. de waarde in het vrije economische verkeer van het perceel grond te [plaats] ;
alles vrij van lasten, beslagen, rechten van derden en voor kosten van die [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] , binnen 30 dagen na betekening van het arrest bij gebreke waarvan [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] voor elke dag of gedeelte daarvan dat zij in gebreke blijven aan dit arrest te voldoen een dwangsom verbeuren van € 5.000,-, een en ander tot een maximum van € 1.000.000,-;
En verder voor de situatie dat A onder I of II wordt toegewezen:
B.
I. de omvang van de (resterende) nalatenschap van vader vast te stellen als volgt:
a. de woning;
b. het perceel grond te [plaats] ;
c. de banktegoeden die behoren tot de nalatenschap van vader.
II. de waarde van de (resterende) nalatenschap van vader te (doen) bepalen door:
A. de onroerende zaken zoals omschreven I sub a en b te doen waarderen tegen de [vrije] waarde in het economisch verkeer tegen de datum van toedeling door benoeming van een daartoe gekwalificeerde registertaxateur;
B. de tegoeden van de bankrekeningen omschreven I sub c vast te stellen op de saldi per verdeeldatum.
III. en – vervolgens – die nalatenschap te verdelen in dier voege dat:
i. de woning wordt verkocht;
ii. het perceel grond te [plaats] wordt toegescheiden aan [geïntimeerde 1] ;
iii. de tegoeden zoals omschreven onder I sub c worden toegescheiden aan de erven;
iv. aan hetzij [geïntimeerde 2] , hetzij [geïntimeerde 1] hetzij [appellant] dan wel één of twee hunner, een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag wegens overbedeling van die [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 1] en [appellant] ten laste wordt gebracht van hetzij die [geïntimeerde 2] , die [geïntimeerde 1] die [appellant] dan wel één of twee hunner.
IV. [geïntimeerden] te veroordelen tot medewerking aan de verkoop en levering van de woning.
V. [appellant] te machtigen alle beschikkings- en beheershandelingen te verrichten ten aanzien van de bankrekeningen die aan vader behoren waaronder, doch niet uitsluitend, het inzien van die bankrekeningen, het verrichten van betalingen en opheffen van die bankrekeningen.
Althans, een zodanige beslissing te geven als het hof in goede justitie juist acht.
C.
[geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van beide instanties, het salaris van de advocaat van [appellant] daaronder begrepen alsmede de nakosten.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
6.4.
Deze zaak heeft internationale aspecten, aangezien [appellant] en [geïntimeerde 2] beiden in Brazilië wonen. Daarom dient het hof allereerst ambtshalve te beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt en zo ja, welk recht op de beoordeling van het geschil van toepassing is.
6.5.
Op grond van artikel 6 aanhef en onder g Rv heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht in zaken betreffende nalatenschappen, indien de erflater zijn laatste woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland had. Vaststaat dat vader laatstelijk woonde in [plaats] , zodat de Nederlandse rechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen.
6.6.
Het hof zal Nederlands recht toepassen met betrekking tot de gevorderde verdeling van de vermogensbestanddelen in Nederland omdat vader in zijn testament een geldige rechtskeuze heeft gemaakt voor Nederlands recht (zie 6.1 sub c). Ook partijen en de rechtbank zijn onbetwist uitgegaan van de toepasselijkheid van het Nederlands recht op deze vermogensbestanddelen.
Welk recht van toepassing is op de door [appellant] gevorderde toedeling van de Braziliaanse onroerende zaken op de (meer en meest) subsidiair gestelde grondslagen zal hierna aan de orde komen.
Verdeling van de nalatenschap
6.7.
Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen. Zowel [appellant] als [geïntimeerden] vorderen op grond van artikel 3:178 lid 1 BW jo. artikel 3:185 BW de verdeling van de nalatenschap van vader, maar zij zijn het niet eens over de wijze waarop de vermogensbestanddelen moeten worden verdeeld. Op grond van het bepaalde in artikel 3:185 BW geldt dat voor zover deelgenoten over een verdeling niet tot overeenstemming komen, de rechter op verzoek van een van hen de wijze van verdeling gelast, dan wel dat de rechter de verdeling zelf vaststelt. Hij dient hierbij zowel rekening te houden met de belangen van de partijen als met het algemeen belang. De betrokken partijen kunnen naar voren brengen hoe deze verdeling naar zijn/haar zienswijze moet plaatsvinden. De rechter is volgens vaste rechtspraak echter niet gebonden aan hetgeen partijen ter zake over en weer hebben verzocht en behoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren. Voor deze zaak acht het hof van belang, dat de afwikkeling en verdeling van de nalatenschap een puur interne aangelegenheid is in die zin, dat er buiten partijen/erfgenamen geen externe schuldeisers of schuldenaren van de nalatenschappen van vader (meer) zijn.
6.8.
De kern van het geschil ziet met name op de vraag of de gronden in Brazilië ook in de verdeling van de nalatenschap van vader betrokken moeten worden, zoals [appellant] stelt doch [geïntimeerden] gemotiveerd betwisten. Tussen partijen is niet in geschil dat tot de nalatenschap van vader de volgende Nederlandse vermogensbestanddelen horen: de woning, het perceel grond te [plaats] en de banktegoeden.
Het onroerend goed in Brazilië
6.9.
Over de in de verdeling te betrekken gronden in Brazilië stelt [appellant] het volgende. Vader had een agrarisch bedrijf in [plaats] . In 1975 heeft vader 432 ha. Land in Brazilië gekocht ( [naam 2] ) maar vanwege juridische bureaucratische redenen is dit perceel in 1977 op naam van [geïntimeerde 2] gezet omdat [geïntimeerde 2] al in Brazilië woonde. Vader heeft de koopsom voldaan en partijen gingen ervan uit dat de boerderij eigendom was van vader.
In 1988 heeft vader besloten om de boerderij van de buurman, [naam 1] , aan te kopen met de gelden uit de opbrengsten van boerderij [naam 2] . Ook [naam 1] werd om dezelfde formele redenen op naam van [geïntimeerde 2] gezet.
In 1990 is [appellant] met zijn gezin naar Brazilië geëmigreerd omdat met de aankoop van [naam 1] land beschikbaar was voor [appellant] . De bedoeling en afspraak was dat [appellant] een deel daarvan zou gaan bewerken en bestieren, zodat alle drie de zonen een agrarisch bedrijf hadden: [geïntimeerde 1] in Nederland, [geïntimeerde 2] en [appellant] de Braziliaanse bedrijven.
Medio jaren 90 van de vorige eeuw wilde vader zijn boerderijen overdragen aan alle drie de zoons: [geïntimeerde 1] de boerderij van vader in Nederland, [geïntimeerde 2] de boerderij in Brazilië ( [naam 2] ) en [appellant] de boerderij in Brazilië ( [naam 1] ). Deze verdeling blijkt volgens [appellant] uit brieven van vader uit 1998 en 4 juli 1999 en vader ging ervan uit dat [geïntimeerde 2] de formele kant, te weten het op naam van [appellant] stellen van [naam 1] , in orde zou maken. Dit is echter niet gebeurd waardoor de feitelijke situatie niet in overeenstemming is met de door vader bepaalde verdeling en gemaakte afspraken.
[appellant] stelt dat vader [naam 1] aan hem heeft geschonken en dat tussen vader en de drie zoons is afgesproken dat dit nog geëffectueerd moest worden door wijziging van de tenaamstelling, hetgeen niet is gebeurd. Vanwege het overlijden van vader is deze verplichting op de erfgenamen komen te rusten.
6.10.
[appellant] stelt verder dat aan de in het testament opgenomen bepaling over de vrijstelling van inbreng van schenkingen voorbij moet worden gegaan, omdat [appellant] uit de bewoordingen van het testament opmaakt dat vader in de onjuiste veronderstelling verkeerde dat voornoemde toedeling van [naam 1] aan [appellant] al was gerealiseerd. Als vader van de werkelijke situatie op de hoogte zou zijn geweest had hij deze bepaling niet in het testament opgenomen. [appellant] stelt dat het in deze in strijd met de redelijkheid en billijkheid is wanneer strikt wordt vastgehouden aan de letterlijke tekst van het testament. Volgens [appellant] moet het testament op grond van artikel 4:46 BW uitgelegd worden in die zin dat het de kennelijke bedoeling van vader was dat [appellant] een gelijk deel van het vermogen van vader zou ontvangen als [geïntimeerden] . Strikte naleving van de schenkingsclausule staat aan het bereiken van dat doel in de weg, zo begrijpt het hof de stellingen van [appellant] . Dat leidt er volgens [appellant] toe dat – na inbreng van alle geschonken Braziliaanse en Nederlandse onroerende zaken en na verdeling daarvan op de wijze zoals omschreven in randnummer 19 van de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, in eerste aanleg – [naam 1] aan hem toekomt en [geïntimeerden] gehouden zijn mee te werken aan de tenaamstelling op naam van [appellant] . Indien dit niet mogelijk is, dient [geïntimeerde 2] de helft van de door vader aangekochte 432 hectaren van [naam 2] aan [appellant] over te dragen. Mocht dit niet geschieden dan komt de volledige nalatenschap in Nederland toe aan [appellant] , aangezien [geïntimeerden] hun delen van het familiebedrijf al hebben ontvangen.
6.11.
[geïntimeerden] betwisten de door [appellant] gestelde afspraken van vader over het aan [appellant] in eigendom overdragen van [naam 1] en voeren aan dat vader deze afspraken niet kon maken omdat vader geen eigenaar was van [naam 2] en [naam 1] , maar [geïntimeerde 2] . Beide onroerende goederen staan op zijn naam. Zij erkennen wel dat vader de koopsom van [naam 2] in 1975 heeft voldaan door dit bedrag te lenen aan [geïntimeerde 2] , maar op deze lening heeft vader kwijtscheldingen gedaan. Zij betwisten verder dat vader toegezegd heeft [naam 1] aan [appellant] te schenken en voor het geval hij dit wel zou hebben gedaan, heeft deze schenking geen rechtsgevolg omdat [geïntimeerde 2] eigenaar is.
[geïntimeerden] concluderen dat [naam 2] en [naam 1] geen onderdeel uit maken van de nalatenschap, dat er op de nalatenschap ook geen verplichting rust om aan [appellant] meer toe te delen dan in het testament is bepaald en dat er geen verplichtingen op [geïntimeerde 1] of [geïntimeerde 2] rusten om een vermogensbestanddeel in Brazilië over te dragen aan [appellant] .
6.12.
Het hof overweegt als volgt.
Vaststaat dat [naam 2] en [naam 1] op naam van [geïntimeerde 2] staan en zijn eigendom zijn. Uit de stukken en overgelegde producties volgt verder dat vader nooit eigenaar is geweest is van [naam 2] en evenmin van [naam 1] , zodat deze onroerende zaken dus nooit tot het vermogen van vader hebben behoord. Dit betekent dat deze Braziliaanse onroerende zaken geen deel uitmaken van de nalatenschap van vader.
6.13.
Het hof komt dan toe aan de vraag of het testament van vader uitgelegd moet worden in die zin dat [naam 1] door een toezegging van vader in 1998/1999 aan [appellant] toekomt en dat [geïntimeerden] moeten mee werken aan de tenaamstelling op naam van [appellant] .
[appellant] stelt hiertoe – kort gezegd – dat vader in 1998/1999 heeft toegezegd dat [naam 1] aan hem geschonken zou worden, want vader wilde aan ieder kind een boerderij overdragen. Deze toezegging blijkt volgens [appellant] uit de brieven van vader uit 1998 en van 4 juli 1999. Als vader wist dat [appellant] [naam 1] nog niet op naam had zou hij de bepaling over de vrijstelling van inbreng niet in het testament hebben opgenomen. Het testament dient dan ook in die zin te worden uitgelegd, aldus [appellant] .
6.14.
Op grond van artikel 4:46 lid 1 BW moet bij die uitleg worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil slechts dan voor uitlegging van een beschikking mogen worden gebruikt, indien deze zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft. Dit betekent dat eerst indien de bewoordingen van een testament – gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt – onduidelijk zijn doordat ze geen duidelijke zin hebben, de bedoeling van de erflater op de in het tweede lid omschreven wijze mag en moet worden achterhaald.
6.15.
Uit het testament van 18 oktober 1999 volgt onder meer dat vader zijn kinderen, [appellant] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] , tezamen en voor gelijke delen tot erfgenaam heeft benoemd (artikel IV van het testament) en dat deze afstammelingen vrijgesteld zijn van de verplichting tot inbreng van schenkingen in zijn nalatenschap, tenzij bij enige schenking anders is bepaald (artikel VII B van het testament).
Het hof is van oordeel dat de door [appellant] gestelde toezegging niet leidt tot een rechtens afdwingbare vordering op de nalatenschap. Immers, vader was geen eigenaar van de onroerende zaken in Brazilië en kon dus niet een (gedeelte) van deze onroerende zaken aan [appellant] schenken. Verder acht het hof van belang dat vader tijdens het opmaken van zijn testament wist dat [appellant] geen onroerend goed in Brazilië op naam had en [geïntimeerde 2] wel en dat dit voor hem geen reden was om de bepaling over de vrijstelling van de verplichting tot inbreng van schenkingen niet op te nemen. Ook in de jaren daarna heeft vader geen aanleiding gezien om zijn testament aan te passen, dit ondanks het feit dat volgens [appellant] geregeld over deze kwestie is gesproken.
Gelet op deze omstandigheden en de verhoudingen die vader wenste te regelen acht het hof het testament duidelijk. Dit heeft tot gevolg dat het hof niet toekomt aan artikel 4:46 lid 2 BW. Dit betekent dat de brieven van vader waarop [appellant] zich beroept niet in de beoordeling betrokken kunnen worden. Deze brieven mogen immers alleen voor de uitlegging van het testament gebruikt worden wanneer het testament zonder deze brieven geen duidelijke zin heeft en die situatie doet zich hier niet voor. Om die reden gaat het hof aan het bewijsaanbod van [appellant] als niet relevant voorbij.
Dat het volgens [appellant] in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou zijn om strikt aan de letterlijke bewoordingen van het testament vast te houden acht het hof ook in hoger beroep onvoldoende onderbouwd, nog daargelaten dat bij de uitleg van testamenten die zogenaamde Haviltex-formule niet geldt.
6.16.
[appellant] stelt verder dat de verdeling van de nalatenschap van vader en de nakoming van de afspraak strekkende tot het op naam stellen van [appellant] van [naam 1] onverbrekelijk met elkaar samenhangen, aangezien de ratio van de afspraken gelegen is in de honorering van de wensen van vader en uitvoering van diens wil ten aanzien van zijn nalatenschap.
[appellant] stelt dat [geïntimeerden] in verzuim zijn ten aanzien van het nakomen van de overeenkomst van opdracht dan wel last die vader hen heeft gegeven en geeft aan dat hij zijn vordering mede baseert op artikel 6:253 BW, ongerechtvaardigde verrijking dan wel onrechtmatige daad.
6.17.
Het hof is van oordeel dat deze grondslagen (nakoming van de overeenkomst van opdracht, derdenbeding, onrechtvaardigde verrijking dan wel onrechtmatige daad) – los van de vraag of het hof ter zake rechtsmacht heeft – onvoldoende samenhang hebben met de gevorderde verdeling van de nalatenschap van vader op grond van artikel 3:185 BW. Voor het geval al een toezegging in de door [appellant] gestelde zin door vader zou zijn gedaan – wat overigens door [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] gemotiveerd wordt betwist – leidt dat niet tot een rechtsgeldige toezegging. Vader was immers geen eigenaar van de Braziliaanse gronden en kan ten aanzien daarvan geen toezeggingen doen. Uit de gestelde grondslagen zou mogelijk een toezegging van [geïntimeerde 2] kunnen worden afgeleid en dat zou, indien een dergelijke toezegging zou komen vast te staan, hoogstens tot een aanspraak van [appellant] op [geïntimeerde 2] kunnen leiden. Een dergelijk geschil staat los van de verdeling van de nalatenschap van vader.
6.18.
Het hof heeft echter geen rechtsmacht om daarover te oordelen. Het gaat hier immers om een juridisch geschil tussen twee ingezetenen van Brazilië over onroerend goed in Brazilië dat op naam staat van [geïntimeerde 2] en op naam gezet zou moeten worden van [appellant] . Het hof is niet bevoegd kennis te nemen van de vordering op [geïntimeerde 2] .
De Nederlandse vermogensbestanddelen van de nalatenschap
6.19.
Nu het hof heeft geoordeeld dat de onroerende zaken in Brazilië buiten de verdeling van de nalatenschap van vader vallen en het hof geen rechtsmacht heeft om over de overige grondslagen te oordelen, zal het hof de overige grieven van [appellant] gezamenlijk behandelen. [appellant] stelt – kort samengevat – dat indien aan hem geen onroerend goed in Brazilië toegedeeld wordt dan wel op naam wordt gezet, hij recht heeft op de volledige nalatenschap van vader.
Het hof is van oordeel dat deze grieven niet kunnen slagen aangezien [appellant] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] ieder voor één derde gedeelte gerechtigd zijn tot de nalatenschap van vader. In wat [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd ziet het hof geen reden om hiervan af te wijken aangezien een andere verdeling in dit geval te zeer ten koste gaat van de belangen van de andere erfgenamen. In eerste aanleg hebben partijen overeenstemming bereikt over de verdeling van deze nalatenschap, te weten de woning, het perceel grond te [plaats] en de banktegoeden. Het hof acht deze verdeling redelijk en billijk.
6.20.
Nu de grieven van [appellant] niet slagen zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen. Vanwege de familierelatie van partijen zal het hof zal de proceskosten van het hoger beroep compenseren tussen de partijen, aldus dat elke partij de eigen kosten moet dragen (artikel 237 lid 1 Rv). Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
7. De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van 11 maart 2020;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat partijen hun eigen kosten dragen;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.W. Vermeulen, J.J.M. van Lanen en J. van der Steenhoven en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 27 september 2022.
griffier rolraadsheer
Uitspraak 13‑07‑2021
Inhoudsindicatie
Verdeling nalatenschap. Incidentele vorderingen ex artikelen 843a Rv en 3:173 BW. Rechtmatig belang bij groot deel opgevraagde stukken al gegeven door recht erfgenamen over en weer op informatie over omvang en waarde nalatenschap. Echter niet aannemelijk dat geïntimeerden meer stukken kunnen overleggen dan zij al hebben gedaan. Vordering tot afleggen rekening en verantwoording evenmin toewijsbaar, onvoldoende gesteld dat geïntimeerden daadwerkelijk beheersdaden ten aanzien van nalatenschap hebben verricht.
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team handelsrecht
zaaknummer 200.283.576
arrest van 13 juli 2021
gewezen in het incident ex artikel 843a Rv en ex artikel 3:173 BW in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] , Brazilië,
appellant in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. C.A. van Kooten-de Jong,
tegen
[geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
en
[geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] , Brazilië,
geïntimeerden in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
hierna te noemen: respectievelijk [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ,
advocaat: mr. L.P.J. Krijgsman,
op het bij exploot van 28 mei 2020 en herstelexploot van 10 juni 2020, respectievelijk 9 juni 2020 en herstelexploot van 10 juni 2020 ingeleide hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda van 11 maart 2020 tussen [geïntimeerde 1] als eiser in conventie en verweerder in reconventie, [appellant] als gedaagde in conventie en eiser in reconventie en [geïntimeerde 2] als gedaagde in conventie.
1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/360735/HA ZA 19-440)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding in hoger beroep;
- -
de memorie van grieven tevens vermeerdering en wijziging van eis en incidentele vorderingen ex artikelen 843a Rv en 3:173 BW;
- -
de antwoordmemorie in het incident van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] met producties.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest in incident bepaald.
3. De beoordeling
In het incident
3.1.
Voor de beoordeling van de incidentele vordering gaat het hof uit van de navolgende vastgestelde feiten:
3.1.1.
Partijen zijn broers van elkaar. Zij zijn alle drie in gelijke delen erfgenaam van erflater [erflater] , de vader van partijen die is overleden op 26 augustus 2017 (hierna: [erflater] ). [erflater] heeft een testament gemaakt op 18 oktober 1999.
3.1.2.
Het testament is opgemaakt onder het oude erfrecht en in het testament komt een ouderlijke bedoelverdeling voor ten gunste van de vooroverleden echtgenote van [erflater] . In het testament was voorzien dat deze echtgenote executeur zou zijn. Door haar vooroverlijden is er niet langer een testamentair executeur aangewezen en er is daarna ook geen nieuwe executeur aangesteld.
3.2.
De rechtbank heeft in eerste aanleg in conventie en reconventie partijen veroordeeld om over te gaan tot verdeling van de tot de nalatenschap van [erflater] behorende woning en het perceel grond te [plaats] op de wijze zoals aangegeven in het vonnis, de verdeling van de tot de nalatenschap behorende banktegoeden gelast op de wijze zoals aangegeven in het vonnis en het meer of anders gevorderde (waaronder een vordering van [appellant] met betrekking tot de toedeling van een perceel grond in Brazilië aan hem) afgewezen.
3.3.
[appellant] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen en vordert daarnaast in dit incident:
- op grond van artikel 843a Rv veroordeling van [geïntimeerde 1] tot verstrekking aan [appellant] van:
de bankafschriften van de bankrekeningen bij de Rabobank, ING Bank en de ABN AMRO bank die behoren tot de nalatenschap van [erflater] over de periode vanaf 1 januari 2017 tot en met heden;
de aanslagen en correspondentie gericht aan [erflater] dan wel zijn erfgenamen en/of die betrekking hebben op goederen behorend tot de nalatenschap, waaronder de tot de nalatenschap behorende woning te [plaats] , vanaf 1 januari 2017 tot en met de datum van verdeling van de nalatenschap;
de afspraken die zijn gemaakt met gebruikers/pachters ten aanzien van het gebruik van het tot de nalatenschap behorende perceel cultuurgrond te [plaats] ;
documenten en afspraken met betrekking tot de vordering van de Staat der Nederlanden ad € 16.500,00 inzake de grondverwerving van de ruimte voor de rivier;
afschriften van declaraties en facturen van schuldeisers van de nalatenschap van erflater waaronder de nota’s die betrekking hebben op de uitvaart van [erflater] ;
de agenda’s van [erflater] over de jaren 1985 tot en met 2017;
informatie over de plaats waar de trouwbijbel van [appellant] , geboren in 1899 te [geboorteplaats] , is gebleven,
een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte van een dag dat [geïntimeerde 1] in gebreke blijft hieraan te voldoen.
- hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot het doen van rekening en het afleggen van verantwoording aan [appellant] over het door hen gevoerde beheer over de goederen van de nalatenschap, een en ander binnen 30 dagen na het te wijzen arrest in dit incident en op hoofdelijke verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor elke dag of gedeelte daarvan dat zij in gebreke blijven hieraan te voldoen.
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] voeren hiertegen gemotiveerd verweer.
Artikel 843a Rv
3.4.
Voor zover [appellant] zijn incidentele vordering baseert op artikel 843a Rv stelt het hof het volgende voorop.
Artikel 843a Rv ziet niet op een algemeen recht op inzage, afschrift of uittreksel. Een vordering op grond van artikel 843a Rv kan slechts worden toegewezen indien degene van wie inzage, afschrift of uittreksel van bescheiden wordt gevorderd deze bescheiden tot zijn beschikking of onder zijn berusting heeft en daarnaast voldaan is aan alle in het eerste lid van dat artikel genoemde voorwaarden, te weten:
de eiser of verzoeker dient een rechtmatig belang te hebben;
de vordering dient betrekking te hebben op bepaalde bescheiden en
de bescheiden dienen een rechtsbetrekking te betreffen waarin de eiser of verzoeker of zijn rechtsvoorganger partij is.
Verder moet zich, indien de belanghebbende zich daarop beroept, geen van de drie in de leden 3 en 4 vervatte uitzonderingen voordoen.
3.4.1.
Het hof overweegt ten aanzien van de door [appellant] onder a tot en met e gevraagde stukken het volgende.
[appellant] legt aan zijn vordering ex artikel 843a Rv ten grondslag dat hij recht en belang heeft bij het vaststellen van de omvang en de waarde van de nalatenschap.
Als erfgenamen zijn partijen deelgenoten in de nalatenschap van [erflater] . De eisen van redelijkheid en billijkheid brengen mee dat zij over en weer recht hebben op informatie over de omvang en samenstelling van de nalatenschap (artikel 3:166 lid 3 BW). Hieruit volgt dat op een erfgenaam de verplichting rust aan zijn mede-erfgenamen inzage te geven in de gegevens die hij onder zich heeft, voor zover die mede-erfgenaam die gegevens nodig heeft voor het bepalen van zijn erfrechtelijke aanspraken. Deze informatieaanspraak verschilt niet wezenlijk van het bepaalde in artikel 4:16 lid 4 BW dat geldt bij een wettelijke verdeling van een nalatenschap als bedoeld in artikel 4:13 BW en bepaalt dat erfgenamen tegenover elkaar recht hebben op inzage in en afschrift van alle bescheiden en gegevensdragers, die zij voor de vaststelling van hun aanspraken op de nalatenschap nodig hebben. Uit de bewoordingen van artikel 4:16 lid 4 BW (‘alle bescheiden en gegevensdragers’) kan worden afgeleid dat de te verstrekken informatie zo ruim mogelijk moet worden uitgelegd. Naar het oordeel van het hof heeft datzelfde te gelden voor de op grond van artikel 3:166 lid 3 BW te verkrijgen informatie.
Naar het oordeel van het hof is in het voorgaande het rechtmatig belang van [appellant] bij de door hem gevraagde stukken onder a tot en met e in zoverre gegeven. Dat betekent echter nog niet dat zijn vordering op die punten toewijsbaar is.
3.4.2.
[geïntimeerde 1] heeft in eerste aanleg al diverse stukken overgelegd met betrekking tot de tot de nalatenschap behorende woning en cultuurgrond (producties 2 e.v. inleidende dagvaarding). Bij memorie van antwoord in dit incident hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] daarnaast afschriften van de door [appellant] genoemde bankrekeningen, facturen van de begrafeniskosten en een getekende overeenkomst met de Staat der Nederlanden met bijlagen in het geding gebracht. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] betwisten dat zij naast deze stukken nog beschikken over andere stukken die relevant zijn voor de afwikkeling van de nalatenschap en betwisten iets af te weten over afspraken over het gebruik van het perceel cultuurgrond. [appellant] heeft geen indicatie gegeven waaruit volgt dat [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 2] naast de al overgelegde stukken nog over andere informatie beschikt/beschikken die voor [appellant] relevant is voor het doel waarvoor hij deze verlangt. Het hof gaat er dan ook uit dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] alle informatie die zij beschikbaar hadden al hebben verstrekt. Gelet hierop is dus niet aannemelijk dat zij meer stukken kunnen overleggen dan zij al hebben gedaan en is de vordering wat betreft de onder a tot en met e genoemde stukken/informatie niet toewijsbaar.
3.4.3.
De vordering stuit wat betreft de onder f gevraagde stukken (agenda’s van [erflater] over de jaren 1985 tot en met 2017) al af op het ontbreken van rechtmatig belang. [appellant] licht niet, althans onvoldoende toe in hoeverre deze agenda’s relevant kunnen zijn voor zijn rechtspositie in dit hoger beroep. De enkele interesse in een stuk of het enkele vermoeden dat de opgevraagde stukken mogelijk in de procedure van pas kunnen komen zijn niet voldoende voor het aannemen van een rechtmatig belang. Daar komt bij dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] betwisten beschikking te hebben over agenda’s van [erflater] . [appellant] licht ook hier niet nader toe op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat er (nog) agenda’s van [erflater] over de betreffende periode zouden moeten zijn, laat staan dat deze agenda’s in het bezit zijn van [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 2] .
3.4.4.
De vordering kan evenmin worden toegewezen voor wat betreft de onder g gevraagde informatie over de trouwbijbel van [appellant] , geboren in 1899 te [geboorteplaats] . [appellant] licht ook hier niet toe welk concreet belang hij heeft bij de gevraagde informatie. [appellant] noemt de trouwbijbel in ieder geval niet bij zijn opsomming van de onderdelen waaruit volgens hem de nalatenschap van [erflater] bestaat (punt 43 memorie van grieven).
3.4.5.
Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [appellant] op grond van artikel 843a Rv geheel zal worden afgewezen.
3.5.
Ten aanzien van de vordering van [appellant] tot hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot het afleggen van rekening en verantwoording over het door hen gevoerde beheer over de goederen van de nalatenschap overweegt het hof het volgende.
3.5.1.
Het hof stelt voorop dat de Nederlandse wet geen gesloten stelsel kent van incidentele vorderingen. Dit betekent dat ook een incidentele vordering tot het afleggen van rekening en verantwoording kan worden aangemerkt als een incident in de zin van artikel 208 Rv. Doorslaggevend bij de beoordeling is of [appellant] voldoende belang heeft bij een beslissing op zijn incidentele vordering ex artikel 3:173 BW vóórdat in de hoofdzaak een eindvonnis wordt gewezen (artikel 209 Rv in samenhang met artikel 3:303 BW). In het geval van [appellant] geldt dat het benodigde belang voortvloeit uit de rechtsverhouding die deelgenoten van een eenvoudige gemeenschap zoals de nalatenschap tot elkaar hebben. Bovendien strekt de hoofdvordering van [appellant] tot verdeling van de nalatenschap en gaat het afleggen van rekening en verantwoording door degene die voor de overige deelgenoten het beheer heeft gevoerd naar zijn aard aan de verdeling van de gemeenschap vooraf.
3.5.2.
Uitgangspunt is dat deelgenoten van een eenvoudige gemeenschap zoals de nalatenschap op grond van art 3:173 BW recht hebben op rekening en verantwoording van degene onder hen die voor de overige deelgenoten beheer heeft gevoerd. Vast staat dat partijen erfgenamen zijn van de nalatenschap. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zijn geen van beiden executeur of vereffenaar van de nalatenschap, zodat op hen niet uit die hoofde een verplichting rust tot het afleggen van rekening en verantwoording. Niet gesteld of gebleken is dat [geïntimeerde 2] na het overlijden van [erflater] het beheer over de nalatenschap heeft gevoerd. Ook op die grond is in ieder geval [geïntimeerde 2] niet gehouden tot het afleggen van rekening en verantwoording.
[appellant] stelt eigenlijk alleen dat [geïntimeerde 1] feitelijk het beheer over de nalatenschap in Nederland voert (punt 28 e.v. memorie van grieven). Dit wordt door [geïntimeerde 1] nadrukkelijk bestreden. [appellant] laat na tegenover deze betwisting feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit blijkt dat [geïntimeerde 1] ook daadwerkelijk ten aanzien van de nalatenschap beheersdaden heeft verricht. De enkele omstandigheid dat [geïntimeerde 1] over de sleutels beschikt van de woning en toegang heeft tot de bankrekeningen acht het hof daarvoor in ieder geval onvoldoende. Het dossier biedt evenmin voldoende aanknopingspunten voor de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde 1] het beheer voert, althans heeft gevoerd over de nalatenschap. Het hof neemt ten slotte ook in aanmerking dat, zoals hiervoor al is overwogen, ervan dient te worden uitgegaan dat alle bescheiden ten aanzien van de nalatenschap waarover [geïntimeerde 1] (en [geïntimeerde 2] ) kan (kunnen) beschikken al in het geding zijn gebracht.
Het hof komt dan ook tot de conclusie dat [appellant] op dit punt niet heeft voldaan aan zijn stelplicht en dat er op dit moment geen aanleiding is om [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] te veroordelen tot het afleggen van rekening en verantwoording.
3.5.3.
Het voorgaande betekent dat ook de vordering van [appellant] tot rekening en verantwoording zal worden afgewezen.
3.6.
Nu partijen familieleden zijn, zal het hof de proceskosten tussen partijen compenseren.
In de hoofdzaak
3.7.
De zaak wordt verwezen naar de rol voor memorie van antwoord aan de zijde van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] . Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4. De beslissing
Het hof:
in het incident:
wijst de incidentele vorderingen van [appellant] af;
compenseert de kosten van dit incident aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 24 augustus 2021 voor memorie van antwoord aan de zijde van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, M.G.W.M. Stienissen en, J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 juli 2021.
griffier rolraadsheer