V-N 2025/34.17
Strafkamer van de Hoge Raad oordeelt dat het BTW-nultarief terecht is geweigerd, omdat de (rechts)personen zelf BTW-fraude hebben gepleegd
HR 08-07-2025, ECLI:NL:HR:2025:1100, m.nt. Redactie Vakstudie Nieuws
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
8 juli 2025
- Magistraten
Van den Brink, Röttgering, Trotman
- Zaaknummer
24/02469
- Noot
Redactie Vakstudie Nieuws
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD18139:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Intracommunautaire transactie
Materieel strafrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1100, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑07‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:451, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 22‑04‑2025
- Wetingang
Essentie
De Hoge Raad oordeelt dat er voldoende bewijs is voor het “onjuist of onvolledig” doen van de BTW-aangiften. De groep heeft zelf de BTW-fraude gepleegd, in die zin dat zij wist dat de vele verschillende Britse vennootschappen aan wie het nultarief werd gefactureerd niet aan hun daaruit voortvloeiende BTW-verplichtingen zouden voldoen.
Samenvatting
De acht strafrechtelijke zaken waarin A-G Wattel had geconcludeerd (zie V-N 2025/34.18), gaan over het valselijk claimen van het BTW-nultarief in verband met levering van metaalschroot vanuit Nederland naar het Verenigd Koninkrijk (toen nog EU-lid). De verdachten in de acht strafzaken zijn drie Nederlandse rechtspersonen ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.