NJB 2024/2682:Mededelingsplicht recht op rechtsbijstand voorafgaand aan het eerste verhoor van verdachte, art. 27c lid 2 jo 28 lid 1: in deze zaak – over het verlaten van de plaats van het ongeval, art. 7 lid 1 WVW 1994 – heeft het Hof geoordeeld dat geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit (art. 27 lid 1 Sv) toen de opsporingsambtenaren aan de verdachte in zijn woning vroegen ‘wat hij vanochtend had gedaan’ en – na zijn antwoord dat hij zijn dochter naar school had gebracht – ‘of er ook niet iets was wat zij moesten weten’. Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk erop gelet dat de verdachte voldeed aan het signalement van de betrokken bestuurder en gezien een tip dat hij de eigenaar was van de in zijn straat geparkeerde auto – met mogelijke schade aan de voorzijde – die wat betreft merk, type, kleur en het door getuigen waargenomen deel van het kenteken overeenkwam met de bij het ongeval betrokken auto. Daarop gelet kunnen de aan de verdachte gestelde vragen niet anders worden opgevat dan als verhoorvragen.