Einde inhoudsopgave
De Nederlanden en het Vrijgraafschap Bourgondië tussen paus en keizer (SteR nr. 21) 2015/VIII.1
VIII.1 Afzonderlijke kardinalen in dienst van kerk en staat?
dr. P.P.J.L. Van Peteghem, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
dr. P.P.J.L. Van Peteghem
- JCDI
JCDI:ADS382950:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Staatsrecht / Staatsinrichting
Voetnoten
Voetnoten
P.S. Allen, Opus epistolarum, XI, nr. 3066, 241, l. 22-23: Peter Tomiczki schreef uit Krakau aan Erasmus over de ‘cardines adamantinos, quos nullius furor perfringere posset’, toen hij zich verwonderd afvroeg, waarom Erasmus niet inging op de uitnodiging van Paulus III om de rode hoed te aanvaarden.
Chr. Weber, Senatus divinus: verborgene Strukturen im Kardinalskollegium der frühen Neuzeit (1500-1800), Frankfurt-am-Main 1996.
CT, IX 749, l. 28-29.
J. Paquet, Une ébauche, o.c., 98.
COGD, II, 2, 1380, lijn 1693 – 1385, lijn 1862: De cardinalibus.
Zie ook: ASV, Reg. Vat. 1442, fo 300 ro – vo, 28-1-1523 een pauselijke provisie voor Willem als proost van Bonn.
C. Molinaeus, Opera Omnia, Parisiis 1681, V, 37-38, nr. 163.
A. Germonius, Tractatus de indultis apostolicis, Rome 1591.
De ‘codicia de los Flamencos’, die zorgde voor de aanstelling van geestelijken in het buitenland. Spanjaarden wensten voor hun beneficies in de eerste plaats Spaanse kandidaten.
F. Winspeare, La Congiura dei cardinali contro Leone X, Firenze 1957. Zie ook: M. Pellegrini, Leone X, in: DBI 64 (2005) 517.
Een naam van een ambassadeur werd al gesuggereerd voor de periode, voorafgaand aan de regering van Karel V: de Bourgondiër Philibert Naturelli. Voor een lijst van medewerkers uit de Nederlanden met diplomatische opdrachten in Rome, zie bijlage XIV.
Deze kardinaal was de vertrouwensman van Ferdinand van Aragón geweest: J.M. Doussinague y Teixidor, El testamento político de Fernando el Católico, Madrid 1950, nr. 64: 379, nr. 91: 472 en nr. 105: 507-508.
A. Krarup en J. Lindbæk, Acta pontificum danica. Pavelige Aktstykker Vedrørende Danmark, Kopenhagen 1915, VI (1513-1549), nr. 4605, 173-176.
L. Nanni, Epistolae ad Principes, Vaticaanstad 1992, dl. I (1513-1565); L. Nanni en T. Mrkonjić, idem, 1994 en 1997, dl. II (1566-1585) en III (1585-1605). In I, 30 en 584 vindt men het indultum vermeld, maar niet het indultum van deze studie.
W. Munier, Correspondentie van Jan Slacheck uit de jaren 1529-1530, in: Mededelingen van het Nederlands Historisch Instituut te Rome 32 (1965), aflevering 11, 47. Zie ook 29, noot 10: hetzelfde gebeurde bij de aanvraag van Margareta van Oostenrijk.
Op 29 juli 1530 wordt deze heer van Noircarmes als ambassadeur van de keizer in Frankrijk vermeld: Zie A. Castan, Catalogue général, II, 4. Vroeger was deze instructie aan hem te raadplegen op www.memoirevive.besancon.fr.
W. Munier, Correspondentie, 23.
Een goede kerk was hier gewoon een ‘beneficium pingue’: een vette kluif. Slacheck drong er regelmatig bij landvoogdes Margareta van Oostenrijk op aan dat ze kardinaal Antonio Pucci ruim zou belonen.
W. Munier, Correspondentie, 13.
Calendar of Letters V, 2, 294.
W. Friedensburg, Aktenstücke zur Politik Kaiser Karls V. im Herbst 1541, in: Archiv für Reformationsgeschichte 29 (1932) 35-66, vooral 38-40 en 66.
P.S. Allen, Opus epistolarum, XI, nr. 3033, 187.
J. Kuys, Repertorium, 83.
P.S. Allen, Opus epistolarum, XI, nr. 3052, 226, l. 34. Met ‘sacerdotia’ verwees Erasmus niet meteen naar het ambt van priester, maar in het algemeen naar ‘prebenden’, XI, nr. 3124, l. 7-8.
P.S. Allen, Opus epistolarum, IX, nr. 2375, 26, l. 46-53: Freiburg, 1 september 1530. Hiervoor zagen we dat voor Clemens VII geld niet stonk bij de aanstelling van kardinalen.
CT, XIII, nr. 57, 263 sqq. Zie ook: R. Ancel, L’activité réformatrice de Paul IV. Le choix des cardinaux, in: Revue des questions historiques 1909, 67-103, vooral 95.
Kardinalen waren de scharnieren (cardo),1 waarop de kerk van Christus draaide. Zij vormden als het ware een goddelijke vergadering.2 Elke kardinaal van de Heilige Roomse Kerk (S.R.E. cardinalis) was bij zijn uitverkiezing of bisschop of priester of diaken.3 De Bourgondische hertogen, die de paus tijdens het Westers Schisma gehoorzaam (oboedientia) waren gebleven, konden al rekenen op speciale beloningen vanwege de paus. Het feit dat één van de hertogelijke kandidaten voor de rode hoed ook kardinaal werd, betekende een hoogtepunt in de relaties van Kerk en Staat in de vijftiende eeuw. ‘Uwe pauselijke Heiligheid’, zo schreef de legaat Lucas de Tolentis aan Sixtus IV, ‘kan zich inbeelden hoe deze vorst (Karel de Stoute) zich in deze zaak moet voelen, wat hij denkt en wat hij zou willen. Acht jaar heeft hij onophoudelijk verzoekschriften gestuurd. Zoals men zegt, heeft hij in de laatste twintig jaar niet één kardinaal gehad, die zijn zaken in Rome trouw wilde en kon uitvoeren.’4
Hieruit blijkt dat de relatie van de paus met de ‘genationaliseerde’ kardinalen een pijnpunt vormde in de Westerse wereld. Aangezien de relatie van de paus met zijn kardinalen van kapitaal belang was en het probleem van de relatie tussen hoofd en leden hoog op de agenda van het Concilie van Lateranen V stond, verdiende de hervorming van de Curie alle aandacht.5 Zou het niet nuttig zijn dat er per land een kardinaal was, die rechtstreeks met de paus kon spreken?
Welk verband was er tussen de kardinalen en de indulten? Aangezien de kardinalen in het consistorie (geheim of openbaar) de raadgevers van de paus waren, verleende de paus hen soms een gunst; in tweede instantie konden zij voor hun vorst een indult bevorderen. Zo stond Clemens VII in 1529 aan kardinaal Jean de Lorraine een indult toe. Kardinaal Willem van Enckevoirt kreeg een persoonlijk indult.6 Paulus III gaf naar aanleiding van zijn verkiezing tot paus zijn ‘bulla* compacti’ van 28 mei 1555, waarbij alle kardinalen een indult kregen.7 Anastasius Germonius werd in 1591 de eerste kardinaal die het indult van Geronimo Della Rovere, de kardinaal van Turijn, van commentaar voorzag en het indult wetenschappelijk op de kaart bracht.8
De politieke polarisatie tussen Karel V en Frans I zou Europa opdelen in twee kerkelijke clusters: het gebied van de imperialen en dat van de Franse koning. Zo ook werden de kardinalen gerangschikt volgens hun connecties met de zeer christelijke koning of met de katholieke koning. Uiteraard bracht deze gang van zaken misbruiken mee, waardoor afvalligheid ten overstaan van de ene partij soms betekende dat men werd opgenomen in de andere partij. Politieke intriges waren hier niet vreemd aan en staatsvorming veronderstelde een belangenstrijd, die tot in Rome kon doorstoten.
De eerste kardinaal voor de Nederlanden sinds de meerderjarigverklaring van Karel van Oostenrijk was de uit Utrecht afkomstige Adriaan Florenszoon d’Edel. Samen met een groep van dertig kardinaal-diakens, kardinaal- priesters of kardinaal-bisschoppen werd hij op 1 juli 1517 als kardinaalpriester opgenomen bij de grootste creatie van kardinalen sinds de H. Petrus. Adriaan, hoewel als kardinaal gehouden aan residentie nabij de paus, zou vooral in Spanje actief zijn. Op dezelfde dag zou Willem de Croy kardinaal worden. Het feit dat twee kardinalen voor de Nederlanden in één creatie werden aangesteld, was een precedent. Toen Willem, nauwelijks negentien jaar, in Toledo primaat van Spanje werd, veroorzaakte dat grote opschudding. Twee kardinalen uit de Nederlanden in Spanje werden aldus voorbeelden van een laakbare constructie in geestelijke zin.9 In dezelfde periode deed zich onder Leo X een gebeurtenis voor, die niet alleen laakbaar was, maar die Rome deed schudden: een samenzwering van kardinalen tegen de paus.10
Informatie over de kardinaal-protectoren is voor de Nederlanden nog niet systematisch verzameld, laat staan over de ambassadeurs bij de H. Stoel.11 Uiterst zelden is de informatie over de persoonlijke kardinaal-protector van een afzonderlijke vorst. In het jaar 1516 overleed Marco Vogerio Della Rovere. Hij was aartsbisschop van Sinigaglia en kardinaal-protector van Christiern II, koning van Denemarken. Deze koning was getrouwd met de zus van Karel, sinds dat jaar koning van Spanje. In die periode waren er wrijvingen met Stheno Christierni, een Zweedse pretendent voor het koningschap. Deze kon gebruik maken van de diensten van Francesco Cibo, de zwager van paus Leo X. De boodschapper, die in opdracht van de Deense koning, deze informatie in Rome vernam, maande de Deense instanties tot voorzichtigheid.
Hij meende dat het een goed voorstel was om dezelfde kardinaal-protector te kiezen als de koning van Spanje, namelijk Francesco de Remolíns, aartsbisschop van Sorrente.12 Op deze wijze konden hun beider zaken bij de paus of anders in de Curie onder gezamenlijke supervisie afgehandeld worden. Francesco de Remolíns zou in 1518 overlijden en wie hem opvolgden gedurende de veertig jaren, die voor Karel V nog zouden volgen, moeten nog boven water gehaald worden.13 Van alle gegevens in dit werk behoren die over de persoonlijke protector van een vorst tot de meest geheime informaties. Men moet dan ook besluiten dat de nu uitgegeven Vaticaanse brieven aan de vorsten soortgelijke gegevens niet bevatten.14 Wat kon men in soortgelijke correspondentie verwachten? In dezelfde Deense bron wordt een tipje van de sluier opgelicht.
In aangelegenheden tussen de H. Stoel en de majesteit of zijn koninkrijken kwam niet een onderwerp voor, dat niet met de kardinaal-protector en zijn procuratoren was besproken en van advies voorzien. De koning moest soortgelijke onderwerpen eigenhandig ondertekenen en van zijn zegel voorzien, zoals dat het geval was met andere geheime opdrachten. De namen van de kardinaal-protector en van de procuratoren moesten erin vermeld worden. Welke waren de gevolgen van deze geheime mededelingen? De grote staten, zoals Spanje, hadden een kardinaal-protector bij de H. Stoel. Hierbij kwam nu een persoonlijke kardinaal-protector voor de jonge vorst. Bovendien was kardinaal Cisneros de spil van de katholieke hervormingen geweest in Spanje. Daaraan is nog de Spaanse ambassadeur bij de H. Stoel toe te voegen. In de instructies van de vorst kwam de creatie van nieuwe kardinalen herhaaldelijk aan bod. De jonge vorst was omgeven door clerici. De speciale positie van de persoonlijke kardinaal-protector is moeilijk in te schatten. Het Europese netwerk van kardinaal-protectoren staat nog aan het begin van de studie.
Welke gevolgen had de aanstelling door Adriaan VI van één van zijn landgenoten tot kardinaal? Toen de paus zijn datarius Willem van Enckevoirt als enige kardinaal onder zijn pontificaat aanstelde, resulteerde dat onder meer in enkele praktische gevolgen. Jan Slacheck signaleerde dat alle ‘uniones’ of samenvoegingen van kerkelijke beneficies voortaan gratis gebeurden. Dat maakte een verschil van duizenden dukaten bij de betaling van de annaten per belangrijke ‘unio’.15 Willem van Enckevoirt zette zich verder in om de overdracht van de temporaliteit van het bisdom Utrecht te regelen. Als dank voor zijn inspanningen in deze zaak kreeg kardinaal Van Enckevoirt op 10 juni 1531 een indult om beneficies te verlenen. Dit indult kwam ten goede aan Lodewijk van Vlaanderen, heer van Praat, Nicolas Perrenot en Jean de Sainte Aldegonde, heer van Noircarmes.16 Diezelfde Willem van Enckevoirt liep ook wel eens een blauwtje op. Samen met kardinaal Andrea Della Valle en met de Spaanse ambassadeur bij de H. Stoel, Micer Miguel May, hoopte hij dat de Utrechtse zaak in het consistorie door hun vertrouwelingen zou behandeld worden. Clemens VII stelde echter Antonio Pucci, Pietro de Accolto en Alessandro Cesarini aan en al het voorbereidende werk was tevergeefs geweest.17
Zelfs indien Karel V niet beschikte over de betaalde diensten van een kardinaal-protector, dan gebeurde het nog dat kardinalen hengelden naar een beloning van de keizer. Zo vertelde Andreas de Burgo, toen ambassadeur van Ferdinand I, aan Jan Slacheck dat kardinaal Antonio Pucci niet alleen de zaken van Karel en Ferdinand bevorderde, maar er zelfs voor streed. Beide ambassadeurs, Andreas de Burgo en Miguel May, hadden de keizer op de hoogte gesteld om de kardinaal uit een goede18 kerk te voorzien met tienduizend of twaalfduizend dukaten.19
De keizer zelf hield de creatie van nieuwe kardinalen ontzettend goed in de gaten. Hij gaf deze taak ook als instructie mee voor de ambassadeur van Spanje bij de H. Stoel. Het evenwicht tussen de imperialen en de aanhangers van de Franse koning mocht niet te zeer verstoord worden. De stem van de Nederlanden telde in dit concert niet zwaar. Elke grote vorst voelde zich gemachtigd om van de paus bij de creatie van nieuwe kardinalen een aantal hoeden te laten reserveren. De competitie met de andere vorsten stond bij deze verwachtingen centraal, want de volgende pauskeuze was er afhankelijk van.
Zo deed in 1536 het gerucht de ronde dat Paulus III van plan was vijf kardinalen te benoemen. Karel V voelde zich verongelijkt. Aan zijn ambassadeur bij de H. Stoel deelde hij mee, dat hij zich niet minder moest achten dan andere vorsten en dat hij acht hoeden kon claimen, hoeveel we er ook zullen voorstellen. Zelf had de keizer het liefst gezien dat er geen creatie kwam, maar de paus hield vast aan zijn voornemen tot creatie en dan had hij als keizer het volle recht om een aantal hoeden te vragen.20
Met het oog op het bilateraal overleg van Karel V met Paulus III te Lucca (1541) gingen voorbereidende besprekingen vooraf over het opvoeren van het aantal aanhangers van de keizer in het college van kardinalen en over de benoeming van ‘keizerlijke kardinalen’. Daarna werd deze taak opgenomen door de Spaanse ambassadeur bij de H. Stoel, de markies van Aguilar.21
Uiteindelijk kon Karel V altijd zijn Spaanse kardinalen inschakelen met het oog op de vermindering van de te betalen annaten. Wel zou men na het overlijden van Willem van Enckevoirt in 1534 moeten wachten tot Antoine Perrenot de rode hoed kreeg, vooraleer iemand uit de Nederlanden nog tot kardinaal werd aangesteld. Bijna dertig jaar was er geen kardinaal uit de Nederlanden, noch uit het Vrijgraafschap…
Weliswaar kreeg Erasmus van Rotterdam ondertussen van Paulus III een uitnodiging om kardinaal te worden.22 Erasmus sloeg, zoals al vermeld, het aanbod af om proost van het Sint-Lebuïnuskapittel te Deventer te worden, toen Johan Ingenwinkel in Rome overleed en de paus door zijn reservatierecht (‘iure nostro, quod in hoc perspicuum est’) deze prebende mocht verlenen.23 In beide gevallen stond Erasmus model voor de ‘sublimis’ uit het canonieke recht, maar hij legde deze voorstellen op het einde van zijn leven naast zich neer, zoals hij vroeger het vooruitzicht op een plaats van kanunnik had afgewezen: ‘Ik heb geschreven dat ik geen ‘sacerdotia’ noch pensioenen zal aanvaarden.’24
Erasmus zelf was niet ingenomen met het stijgende aantal kardinalen. ‘Ik weet niet of ik de Kerk moet gelukwensen.’ In het verleden trachtte men zich niet zonder reden fanatiek te verzetten tegen vele kardinalen. Er was voldoende trots in het huis van God en nog meer personen waren er, die abdijen, bisschopsambten en waardigheden verslonden, zelfs indien hier niet een zo talrijke groep (kardinalen) bij was gekomen. Eertijds was een kardinaal de naam van een ambt, maar nu van een heerschappij. Maar daardoor versterkt de paus (Clemens VII), zoals het schijnt, zijn zaken en de vorsten hebben schitterende knechten op kosten van de Kerk.25 Erasmus kende de terminologie van de kardinaal-protector niet, maar hij omschreef het begrip zeer precies.
Met het oog op het Concilie van Trente zijn vele ontwerpen voor de verbetering van de Kerk in hoofd en leden voorgesteld. Zo heeft Paulus IV niet alleen een tekst ontworpen ‘De qualitate cardinalium creandorum’, maar hij heeft hem voor de slotceremonie van het Concilie ook al toegepast. We signaleerden al dat hij nooit zou toelaten dat iemand, die bekend stond om zijn simoniepraktijken, zijn opvolger zou worden.26 Toch kon de wereldlijke vorst nooit zijn wil opleggen aan de paus. De ‘libertas ecclesiastica’ is op het vlak van de creatie van kardinalen ongetwijfeld geweld aangedaan, maar altijd kon de paus nog voorzien in kardinalen, die hij ‘in pectore’ reserveerde. Wel bestond er toen een te grote druk vanwege de wereldlijke vorst op de aanstelling van de naaste adviseurs en medewerkers van de paus.