Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/4.2.1.3
4.2.1.3 De overeenkomst van goederenkrediet
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90766:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
KamerstukkenII 2015/16, 34442, 3, p. 11-12 en p. 25-28; Biemans 2017, T&C Burgerlijk Recht, art. 7:84 BW, aant. 2.
Vgl. art. 7:57 lid 1 onder m BW; Richtlijn 2011/83/EU, overweging 23.
HvJ EU 5 juli 2012, nr. C-49/11 (Content Services), r.o. 43.
Vgl. Asser/Sieburgh 6-III 2018/274-277; Van Kooten 2017, GS Vermogensrecht, art. 3:39 BW, aant. 6.1; Hijma 2017, T&C Burgerlijk Recht, art. 3:39 BW, aant. 3.
Hoofdstuk 5, paragraaf 5.3.1.4.
Vgl. HR 4 december 1998, NJ 1999/549 (Potharst/Serrée).
De leverancier kan zaken op krediet leveren aan de koper onder eigendomsvoorbehoud en hierbij onder het regime van de overeenkomst van goederenkrediet vallen. Dit is niet zozeer een nieuwe vorm van zekerheid voor de leverancier, maar een wettelijke regeling die doorwerkt in de verhouding tussen de leverancier en koper. Een overeenkomst van goederenkrediet is namelijk een kredietovereenkomst waarbij de leverancier het genot van een roerende zaak niet-registergoed verschaft aan de koper met een terugbetalingstermijn van meer dan drie maanden.1 Tot zekerheid van het verstrekte krediet kan de leverancier een eigendomsvoorbehoud of een (voorbehouden) pandrecht bedingen, zo volgt uit art. 7:84 leden 2 en 3 BW.2 Een overdracht met een eigendomsvoorbehoud of voorbehouden pandrecht kan dus onder het toepassingsbereik van de afdeling over de overeenkomst van goederenkrediet in boek 7 BW vallen.
In dat geval dient de leverancier een aantal aanvullende voorschriften in acht te nemen, mits de leverancier niet contractueel hiervan is afgeweken. Zo geldt onder meer een aantal vormvereisten die meebrengen dat het eigendomsvoorbehoud in een overeenkomst van goederenkrediet geen vormvrij te bedingen zekerheidsrecht is. Art. 7:86 lid 1 BW bepaalt bijvoorbeeld dat de overeenkomst op papier of een andere duurzame drager moet worden vastgelegd. De leverancier kan de overeenkomst dus op schrift stellen, maar ook op een usb-stick of harde schijf zetten.3 Ook informatie op een website is voldoende, mits de koper de informatie kan opslaan, gewaarborgd is dat de inhoud niet wordt gewijzigd, de informatie ongewijzigd wordt weergegeven en de informatie gedurende een passende termijn toegankelijk is.4 Wordt dit vormvereiste niet in acht genomen, dan volgt uit art. 3:39 BW dat de overeenkomst nietig is.5 Op grond van een vergelijking met art. 6:233 BW bepleit ik dat de sanctie vernietigbaarheid moet zijn. Een dergelijke sanctie staat namelijk ook op het niet bieden van een redelijke mogelijkheid aan de koper om kennis te nemen van de algemene voorwaarden.6
Naast het op schrift stellen van de overeenkomst moet de leverancier een exemplaar van de kredietovereenkomst aan de koper geven en zelf ook een exemplaar houden. Verder moet in de kredietovereenkomst de gehele kredietsom, een plan van regelmatige afbetaling, het eigendomsvoorbehoudbeding en andere bedingen die samenhangen met dit voorbehoud zoals wanneer de eigendom overgaat zijn opgenomen. Neemt de leverancier deze voorschriften niet in acht, dan bepaalt art. 7:86 lid 5 BW dat de overeenkomst geldt als een koop op afbetaling zonder eigendomsvoorbehoud. Het eigendomsvoorbehoud is met andere woorden nietig.
Afgezien van vormvoorschriften stelt de afdeling over goederenkrediet ook beperkingen aan de reikwijdte van het door de leverancier bedongen eigendomsvoorbehoud of pandrecht. Art. 7:89 BW bepaalt dat een eigendomsvoorbehoud of pandrecht dat strekt tot zekerheid van een doorlopend goederenkrediet van rechtswege eindigt als ‘de kredietnemer aflossingen heeft gedaan ter grootte van het verschil tussen de contante prijs van die zaak en het bedrag van de contante betaling betreffende het genot van die zaak, dan wel, indien geen contante betaling is gedaan, ter grootte van die contante prijs’. Wat de contante prijs is of hoe deze moet worden berekend, wordt niet uiteengezet. Het gevolg is wel duidelijk. Ik meen dat een door de leverancier bedongen kredieteigendomsvoorbehoud niet meer haar volledige werking heeft. Wordt de contante prijs van de geleverde zaken betaald, dan gaat de eigendom over. De eigendom kan niet voorbehouden worden tot zekerheid van andere koopprijsvorderingen van geleverde en nog te leveren zaken.7 Ook kan de leverancier zich niet de eigendom van de zaken voorbehouden indien alle vorderingen zijn betaald en nog slechts in de toekomst nieuwe koopprijsvorderingen te verwachten zijn.8
Voor de leverancier bestaat echter een uitweg voor deze uit hoofde van de regeling van goederenkrediet. Deze is van regelend recht tussen professionele partijen. De leverancier kan met zijn professionele koper afspreken dat één of meer bepalingen van deze afdeling niet van toepassing zijn. Hierop geldt evenwel één uitzondering die relevant is in het kader van uitoefening van het eigendomsvoorbehoud. Art. 7:98 BW bepaalt dat de verrekeningsverplichting bij de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud in art. 7:92 BW van dwingend recht is. Deze verplichting wordt in hoofdstuk 7 besproken.