Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/1.11.2:1.11.2 Het vestigen van een beperkt recht op de hoofdzaak na de vereniging
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/1.11.2
1.11.2 Het vestigen van een beperkt recht op de hoofdzaak na de vereniging
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644875:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dernburg behandelde de interessante vraag wat de rechtspositie was van de beperkt gerechtigde, in zijn geval de pandhouder, wanneer het pandrecht tijdens de verbinding op de samengestelde zaak werd gevestigd en een bestanddeel vervolgens werd losgemaakt. Dernburg liet het antwoord op deze vraag afhangen van de wil der partijen bij het aangaan van de pandovereenkomst. Als de partijen over de rechtspositie niets hadden afgesproken, dan veronderstelde Dernburg bij hen de wil dat het pandrecht ook kwam te rusten op de afgescheiden bestanddelen als deze op het ogenblik van de verpanding van de hoofdzaak “eine erkennbare Individualität hatten”.1 Als een fabriek werd verpand, dan vielen onder het pandrecht ook de nagetrokken machines. Als de machines uit de fabriek werden gesloopt, dan waren de machines nog steeds verpand.
“Wurde z.B. ein Pfandvertrag über eine Fabrik abgeschlossen, in der eine oder mehrere Dampfmaschinen angebracht waren, so werden diese auch nach der Wegnahme als verhypothecirt anzusehen sein.”2
Dernburg gaf voorts het voorbeeld van een huis dat door de eigenaar (A) was verhypothekeerd aan een schuldeiser (B). Als het huis werd afgebroken, rees de vraag of de losse materialen nog steeds onder de hypotheek (pand) vielen. De materialen waren na de verwijdering uit het huis immers weer individuele zaken geworden. Dernburg stelde:
“(…) daβ der Zweck der Pfandcaution möglichst vollständige Sicherung des Eigenthümers nur erreicht wird, wenn die Einzelbestandtheile nicht nur in ihrer Verbindung zum Ganzen, sondern ohne Rücksicht hierauf als verpfändete gelten.”3
De hypotheek op het huis had tot doel om de hypotheekhouder zoveel mogelijk zekerheid te geven.
Volgens Dernburg was het daarom gerechtvaardigd om ook op de afgescheiden materialen een pandrecht aan te nemen.4 Hij maakte een analogie met de koop van een huis. Als iemand een huis kocht van een ander, dan ging de eigendom van zowel het huis als geheel als de individuele materialen bij de levering over. Het was ondenkbaar (“absurdum”) dat, in het geval het huis werd neergehaald, de koper geen zakelijke actie had op de materialen. De verkoper droeg immers het huis als geheel, dat wil zeggen inclusief de afzonderlijke materialen, aan de koper over. Uit zijn betoog blijkt dat Dernburg het geval voor ogen had waarin het huis was gebouwd met eigen materialen. Was het huis echter gebouwd met materialen van een ander dan de eigenaar van het gebouw, dan was er geen sprake van een overdracht van de afzonderlijke zaken. De eigenaar van het huis was immers niet beschikkingsbevoegd om de zaken individueel over te dragen. Hetzelfde gold voor het pandrecht: als de materialen niet van de pandgever waren, dan was uiteraard ook geen sprake van een pandrecht op deze zaken.