NJB 2019/2790
Toepassing van art. 249 lid 1 Sr (ontucht plegen ‘met’ zijn minderjarig kind) in een geval waarin art. 250 Sr (opzettelijk teweegbrengen of bevorderen van ontucht ‘door’ zijn minderjarig kind) zou moeten zijn toegepast als geprivilegieerde specialis: de Hoge Raad doet de klacht af met toepassing van art. 81 Sr nu de verdachte onvoldoende belang bij zijn klacht heeft in aanmerking genomen dat de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte kunnen worden gekwalificeerd onder art. 250 lid 1 aanhef en onder 1° Sr zonder dat dat wijziging van het in deze zaak toepasselijke strafmaximum ten gevolge heeft
HR 03-12-2019, ECLI:NL:HR:2019:1882
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
3 december 2019
- Magistraten
Mrs. J. de Hullu, V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend
- Zaaknummer
18/02459
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Rechtsmiddelen
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2019:1882, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 03‑12‑2019
ECLI:NL:PHR:2019:909, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 01‑10‑2019
- Wetingang
Essentie
Toepassing van art. 249 lid 1 Sr (ontucht plegen ‘met’ zijn minderjarig kind) in een geval waarin art. 250 Sr (opzettelijk teweegbrengen of bevorderen van ontucht ‘door’ zijn minderjarig kind) zou moeten zijn toegepast als geprivilegieerde specialis: de Hoge Raad doet de klacht af met toepassing van art. 81 Sr nu de verdachte onvoldoende belang bij zijn klacht heeft in aanmerking genomen dat de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte kunnen worden gekwalificeerd onder art. 250 lid 1 aanhef en onder 1° Sr zonder dat dat wijziging van het in deze zaak ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.