Einde inhoudsopgave
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/5.2.4
5.2.4 Invloed vanuit de verhouding tussen de certificaathouders onderling
mr. A.M. Steegmans, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. A.M. Steegmans
- JCDI
JCDI:ADS958014:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De meeste auteurs geven voor de verhouding tussen de beheerder en de certificaathouder weer dat die, voornamelijk, is neergelegd in de contractuele beheerovereenkomst (administratievoorwaarden) en dat de verhouding daarnaast blijkt uit de statuten van de beheerder. Zie bijvoorbeeld Van Steensel 2018, p. 405 en Brink 2004, p. 235.
Zie voor de vraag in hoeverre de stak kan worden beperkt in haar vervreemdingsbevoegdheid paragraaf 5.2.3.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13 maart 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:1450, rov. 4.14.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13 maart 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:1450, rov. 4.15. Op de discussie of deze aanname juist is, wordt hier niet verder ingegaan.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13 maart 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:1450, rov. 4.17.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13 maart 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:1450, rov. 4.18.
Certificaathouders kunnen onderling nadere afspraken maken in een overeenkomst. Zij beschikken, net als de aandeelhouders bij een aandeelhoudersovereenkomst, over een ruime vrijheid ten aanzien van de te regelen onderwerpen. Voor de stichting gelden minder dwingende wettelijke bepalingen die bepalen wat in de statuten moet staan dan voor een besloten vennootschap. Daarmee worden de mogelijkheden om zaken in een certificaathoudersovereenkomst te regelen ruimer dan bij een aandeelhoudersovereenkomst.
In de literatuur wordt weinig aandacht besteed aan de overeenkomst tussen certificaathouders. De overeenkomst tussen certificaathouders is niet terug te vinden als mogelijke equivalent van de aandeelhoudersovereenkomst. Ook wordt de certificaathoudersovereenkomst niet genoemd als rechtshandeling die, mede, de verhouding tussen de certificaathouders en de stak bepaalt.1
In de rechtspraak zijn enkele voorbeelden van certificaathoudersovereenkomsten te vinden waar de inhoud ziet op de overdraagbaarheid van de certificaten. Deze uitspraken worden verder besproken in paragraaf 5.3.4 waar de invloed van de certificaathouders onderling op het behoud van het economisch belang besproken wordt.
Denkbaar is dat in een certificaathoudersovereenkomst, min of meer als equivalent van een aandeelhoudersovereenkomst, stemafspraken worden gemaakt ten aanzien van besluiten van de stak waarvoor goedkeuring van de certificaathouders is vereist. Er kan worden gedacht aan een besluit tot vervreemding van (een gedeelte van) de aandelen.2 In de statuten kan zijn opgenomen dat een dergelijk besluit enkel geldig kan worden genomen door het bestuur van de stak op het moment dat er toestemming van de certificaathouders is. Door middel van een stemovereenkomst tussen de certificaathouders over een dergelijk verzoek tot toestemming ontstaat er een invloed van de certificaathouders onderling op het al dan niet behouden van de aandelen in de familie.
Wanneer het aantal certificaathouders groter wordt en er sprake is van verschillende staken, is een stemovereenkomst tussen bepaalde certificaathouders niet ondenkbaar. Een certificaathoudersovereenkomst tussen alle certificaathouders uit eenzelfde staak kan inhouden dat alle certificaathouders binnen die staak op dezelfde manier zullen stemmen.
Naast de invloed die certificaathouders onderling kunnen uitoefenen op besluitvorming binnen de stak en daarmee, onder meer op het behoud van de aandelen in de familie, hebben de certificaathouders mogelijk ook invloed op besluitvorming binnen de onderliggende BV. In de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 maart 20193 werd bepaald dat een certificaathoudersovereenkomst onder omstandigheden vennootschappelijke werking kan hebben. De vennootschappelijke werking heeft tot gevolg dat een besluit dat is genomen door de vennootschap waarvan de aandelen zijn gecertificeerd en dat in strijd is met de certificaathoudersovereenkomst mogelijk vernietigbaar is. De casus is, zeer vereenvoudigd weergegeven, als volgt. Er is een familiebedrijf met verschillende ondernemingstakken waarin vader lange tijd aan het roer heeft gestaan en zijn drie kinderen uit zijn eerste huwelijk verschillende bestuurlijke taken hadden. De aandelen in de holding BV van het familiebedrijf zijn gecertificeerd. De certificaten zijn ondergebracht in een nv naar Curaçaos recht. De drie kinderen van vader zijn allemaal voor 1/3e (indirect) aandeelhouder in de NV. Na het overlijden van vader worden de posities die vader innam op de verschillende plekken in het familiebedrijf overgenomen door de drie kinderen. Enige tijd na het overlijden van vader ontstaan enkele geschillen tussen de kinderen. Naar aanleiding daarvan wordt een zogenoemde ‘Settlement Agreement’ (de certificaathoudersovereenkomst) gesloten waarbij onder andere de drie kinderen partij zijn, maar niet de holding BV. De bedoeling van de Settlement Agreement is onder meer om ervoor te zorgen dat de invloed van de familie een doorslaggevende rol zal blijven spelen in het bedrijf. De afspraken in de Settlement Agreement worden niet nageleefd met als gevolg dat één zoon buiten zijn medeweten zijn invloed in de holding BV en haar dochtervennootschappen kwijtraakt. Ook hebben enkele besluiten van het bestuur van de holding BV tot gevolg dat de familie geen doorslaggevende rol meer heeft. De zoon start een procedure waarin hij een groot aantal besluiten wil laten vernietigen, omdat ze in strijd met de Settlement Agreement zijn gesloten. Volgens de zoon moet aan de Settlement Agreement vennootschappelijke werking worden toegekend. De holding BV verweert zich door te stellen dat alle besluiten zijn genomen in het belang van de vennootschap en dat de Settlement Agreement niet in het belang van de vennootschap was.
De rechtbank begint haar overwegingen met het schetsen van het juridisch kader. Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon is vernietigbaar op grond van art. 2:15 lid 1 sub b BW op het moment dat dat besluit in strijd is met de redelijk en billijkheid die op grond van art. 2:8 BW worden geëist. De maatstaf bij art. 2:15 lid 1 sub b BW is of het orgaan alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid tegen elkaar heeft afgewogen. Het bestaan van een aandeelhoudersovereenkomst met vennootschapsrechtelijke werking heeft invloed op de inkleuring van de redelijkheid en billijkheid.4
Vervolgens kijkt de rechtbank wat de gevolgen van dit juridisch kader zijn voor de casus. Daarbij geeft de rechtbank allereerst aan dat de zoon kan worden gezien als iemand met een redelijk belang in de zin van art. 2:15 lid 3 sub a BW, omdat hij als houder van risicodragend kapitaal een economisch belang heeft dat op één lijn kan worden gesteld met het belang van een aandeelhouder. En daarmee behoort de zoon tot de kring van betrokkenen zoals bedoeld in art. 2:8 lid 1 BW.5
De volgende stap die de rechtbank maakt is dat zij bepaalt in hoeverre de Settlement Agreement inderdaad vennootschappelijke werking heeft. Daarbij geeft de rechtbank aan dat het van belang is dat de Settlement Agreement is gesloten op het niveau van de ‘UBO’s’. In deze casus zijn dat niet de certificaathouders, maar de personen die (indirect) de aandelen houden in de NV waarin de certificaten zijn ingebracht. Voor een overeenkomst op het niveau van de certificaathouders zal echter hetzelfde gelden in een situatie dat zij de uiteindelijk belanghebbenden zijn. De certificaathouders zijn immers ook houder van risicodragend kapitaal. Uit de Settlement Agreement volgde de intentie om de leden van de familie doorslaggevende invloed te geven in het familiebedrijf. Deze intentie is door de besluiten van de holding BV doorbroken doordat de zoon door die besluiten bewust buitenspel is gezet. Het bestaan van de Settlement Agreement, die daarmee vennootschappelijke werking krijgt, leidt er volgens de rechtbank toe dat de genomen besluiten in strijd zijn met art. 2:8 BW. De rechtbank merkt nog op dat niet van belang is dat de holding BV geen partij was bij de Settlement Agreement, omdat de intentie uit die overeenkomst eigenlijk niet meer is dan een bevestiging van de reeds bestaande gezamenlijke invloed van de familie.6
Het verweer van de holding BV dat de Settlement Agreement niet in het belang is van de vennootschap en dat er daarom geen rekening mee hoefde te worden gehouden bij de besluitvorming gaat niet op. De rechtbank overweegt:
“Onder het belang van de vennootschap dient immers meer te worden verstaan dan alleen het bestendig succes van de onderneming die [gedaagde sub 1] (holding BV, ms) doet voeren (HR 4 april 2014, NJ 2014, 286, Cancun). In geval van een vennootschapsstructuur zoals de onderhavige, waarin de zeggenschap altijd in handen is geweest van de familie en [eiser sub 1], [C] en [D] (de kinderen van vader, ms) als leden van die familie al sinds 1997 als commissaris van de raad van commissarissen van de vennootschap hebben gefunctioneerd, door welke positie zij beslissende zeggenschap konden uitoefenen over de wijze waarop de onderneming van [gedaagde sub 1] werd gedreven en de inkomsten die uit [gedaagde sub 1] werden gerealiseerd, wordt het belang van de vennootschap mede bepaald door de aard en inhoud van de tussen die leden van de familie overeengekomen gezamenlijke invloed binnen de [gedaagde sub 1] Groep.”7
Deze uitspraak laat zien dat er redenen zijn om aan te nemen dat een certificaathoudersovereenkomst vennootschappelijke werking kan hebben. Zou dit de heersende leer zijn dan kan er door de certificaathouders indirect invloed uitgeoefend worden op de besluitvorming in de BV waarvan de aandelen zijn gecertificeerd. In bovenstaande uitspraak betrof het de zeggenschap van de familie in het familiebedrijf in verschillende organen van de holding BV. Komt uit de certificaathoudersovereenkomst duidelijk naar voren dat de beslissende zeggenschap bij de familie moet blijven, dan heeft dat wellicht ook gevolgen voor besluiten die de vennootschap bijvoorbeeld neemt op het gebied van het uitgeven of intrekken van aandelen. Dergelijke besluiten kunnen gevolgen hebben voor het behoud van de aandelen binnen de familie. En in het verlengde daarvan ook voor de zeggenschap van de familie.
Een tweede aspect van de uitspraak dat in het kader van dit onderzoek van belang is, is de conclusie dat een al lang bestaande en algemeen bekende invloed van een familie binnen een bedrijf ertoe kan leiden dat deze invloed het belang van de vennootschap mede bepaalt. De invloed van de familie kleurt daarmee de redelijkheid en billijkheid die door het bedrijf en zijn betrokkenen in acht moet worden genomen in hun onderlinge verhoudingen. Dit is een erkenning van de gevolgen die de invloed van een familie op een bedrijf kan hebben.
Met betrekking tot de invloed die certificaathouders onderling hebben op het behoud van het vermogen in de familie kan geconcludeerd worden dat die invloed op twee niveaus bestaat. Allereerst kunnen de certificaathouders gezamenlijk invloed uitoefenen op de besluitvorming door de stak die ziet op het behoud van het aandelenkapitaal. De omvang van de invloed hangt af van de inspraak die certificaathouders hebben op de besluitvorming in de stak.
Daarnaast zijn er argumenten aanwezig voor het standpunt dat een certificaathoudersovereenkomst vennootschappelijke werking heeft. Is dat het geval, dan hebben de certificaathouders een mogelijkheid om invloed uit te oefenen op het behoud van de aandelen op het niveau van de BV.