Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/14.5
14.5 De rol van nationale parlementen en subsidiariteit
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS454596:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie R. Barents, Het Verdrag van Lissabon. Achtergronden en commentaar (serie Europa in beeld, deel 1), Deventer: Kluwer 2008, p. 607; P. Craig, The Lisbon Treaty. Law, Politics, and Treaty Reform, Oxford: Oxford University Press 2010, p. 346; en J.-C. Piris, The Lisbon Treaty. A Legal and Political Analysis (serie Cambridge studies in European law and policy), Cambridge: Cambridge University Press 2010, p. 188.
Zie hierover nader R. Barents, Het Verdrag van Lissabon. Achtergronden en commentaar (serie Europa in beeld, deel 1), Deventer: Kluwer 2008, p. 397 e.v. en J.-C. Piris, The Lisbon Treaty. A Legal and Political Analysis (serie Cambridge studies in European law and policy), Cambridge: Cambridge University Press 2010, p. 127 e.v.
Zie R. Barents, Het Verdrag van Lissabon. Achtergronden en commentaar (serie Europa in beeld, deel 1), Deventer: Kluwer 2008, p. 404.
J.-C. Piris, The Lisbon Treaty. A Legal and Political Analysis (serie Cambridge studies in European law and policy), Cambridge: Cambridge University Press 2010, p. 129.
In klassiek-verdragsrechtelijk verband beslist het parlement mee over de totstandkoming van verdragsverplichtingen. Verdragen dienen immers te worden geratificeerd en daarmee moet het parlement als medewetgever instemmen. Op die wijze is er op nationaal niveau enige democratische invloed uit te oefenen op de totstandkoming van verdragsrechtelijke verplichtingen tot samenwerking met andere staten. Daarbij kan in elk geval in theorie het in de beoogde verdragspartner te stellen vertrouwen worden meegewogen. Uit deze vaststelling, die in het verlengde ligt van de dimensie van de juridische grondslag van het vertrouwen en de dimensie van de betrokken staat, vloeit de vraag voort welke rol de nationale parlementen spelen bij de totstandkoming van wetgeving en dus van concrete samenwerkingsinstrumenten binnen de EU.
De nationale parlementen van de lidstaten spelen in het algemeen een expliciete rol in de Unie (zie art. 12 VEU) en dus ook in de Ruimte van Vrijheid, Veiligheid en Recht. Niet alleen worden zij op de hoogte gebracht van de inhoud en de resultaten van de evaluatie conform artikel 70 VWEU van de uitvoering, door de autoriteiten van de lidstaten, van het door titel V (inzake de Ruimte van Vrijheid, Veiligheid en Recht) bestreken beleid van de Unie, ook zien zij toe op de eerbiediging van het subsidiariteitsbeginsel (art. 5, derde lid, VEU en 69 VWEU).1 De nationale parlementen doen dat overeenkomstig het protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.2 Het voert te ver om die hier uitvoerig uiteen te zetten. Slotsom is echter dat de nationale parlementen formeel geen zelfstandig vetorecht hebben. Onder omstandigheden kunnen zij, te weten een meerderheid van de nationale parlementen, wel samen met een meerderheid van 55% in de Raad of een meerderheid in het Parlement een voorstel tegenhouden vanwege strijd met het subsidiariteitsbeginsel.3Terecht merkt Piris op dat het ondanks dit formeel indirecte vetorecht van de parlementen politiek moeilijk zal zijn voor de Commissie om een door die nationale parlementen getrokken ‘oranje’ kaart (meer dan ‘geel’ maar net geen ‘rode’ kaart; bovendien in het institutioneel kader opgenomen op initiatief van Nederland en ook daarom met onze nationale kleur aangeduid) te negeren.4
Indien de hier beschreven procedure wordt afgezet tegen de rol die het Parlement, als onderdeel van de wetgevende macht, heeft bij de ratificatie van verdragen, dan wordt evenwel duidelijk dat het om een veel minder ingrijpende bevoegdheid gaat dan de goedkeuring in de vorm van ratificatie. Niet alleen kan het parlement van een enkele lidstaat geen oranje kaart trekken, ook ziet de bevoegdheid specifiek op het bewaken van de subsidiariteit. Van een algemene bevoegdheid waarvan naar politiek believen gebruik kan worden gemaakt is geen sprake. Deze procedure maakt het voor individuele parlementen niet mogelijk om het bestaan van vertrouwen in het rechtsstelsel van een andere lidstaat te beoordelen, althans om aan een eventueel negatieve uitkomst van zo’n beoordeling juridisch doorslaggevende consequenties te verbinden. De democratische controle op het onderling vertrouwen, of beter: het vertrouwen in een andere lidstaat, is aldus beperkt. Dat daarvoor democratische controle door het Europees Parlement voor in de plaats is gekomen – die is immers zoals in paragraaf 14.4 bleek op Europees niveau medewetgever – is voor het onderling vertrouwen minder relevant; op dat supranationale niveau zal het concrete vertrouwen dat de ene lidstaat in de andere heeft immers niet of nauwelijks een rol kunnen spelen.