NJ 1925, p. 609
HR, 23-02-1925
HR 23-02-1925, ECLI:NL:HR:1925:143
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23 februari 1925
- Magistraten
Mrs. Fentener van Vlissingen, Segers, Hesse, Ort, Taverne.
- Zaaknummer
[23021925/NJ_1925,_p._609]
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1925:143, Uitspraak, Hoge Raad, 23‑02‑1925
- Wetingang
(Sr art. 280J.)
Samenvatting
De verklaring van den bekl. dat hij wist dat de minderjarige zich ophield in een hotel te Emmerik moet kennelijk worden opgevat in den zin waarin deze in het dagelijksch leven pleegt te worden gebezigd en waarbij zij niet meer te kennen geeft dan dat bekl. zich naar zijn beste weten overtuigd hield dat de minderjarige nog in het bedoelde hotel verblijf hield.
Het Hof heeft uit de in het arrest opgenomen bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de bekl. de bij dagv. genoemde minderjarige, die zich onttrokken had aan het ouderlijk gezag, opzettelijk aan de nasporingen van de politie ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.