Procestaal: Italiaans.
HvJ EU, 29-07-2019, nr. C-38/18
ECLI:EU:C:2019:628
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
29-07-2019
- Magistraten
J.-C. Bonichot, C. Toader, A. Rosas, L. Bay Larsen, M. Safjan
- Zaaknummer
C-38/18
- Conclusie
Y. Bot
- Roepnaam
Gambino en Hyka
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2019:628, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 29‑07‑2019
ECLI:EU:C:2019:208, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 14‑03‑2019
Uitspraak 29‑07‑2019
J.-C. Bonichot, C. Toader, A. Rosas, L. Bay Larsen, M. Safjan
Partij(en)
In zaak C-38/18*,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunale di Bari (rechter in eerste aanleg Bari, Italië) bij beslissing van 10 oktober 2017, ingekomen bij het Hof op 19 januari 2018, in de strafzaak tegen
Massimo Gambino,
Shpetim Hyka,
in tegenwoordigheid van:
Procura della Repubblica presso il Tribunale di Bari,
Ernesto Lappostato,
Banca Carige SpA — Cassa di Risparmio di Genova e Imperia,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: J.-C. Bonichot, kamerpresident, C. Toader, A. Rosas, L. Bay Larsen en M. Safjan (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: Y. Bot,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door P. G. Marrone en D. Di Giorgio, avvocati dello Stato,
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door A. Kasalická, J. Vláčil en M. Smolek als gemachtigden,
- —
de Duitse regering, aanvankelijk vertegenwoordigd door T. Henze, M. Hellmann en E. Lankenau, vervolgens door M. Hellmann en E. Lankenau, als gemachtigden,
- —
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en M. A. M. de Ree als gemachtigden,
- —
de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door G. Hesse als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Cattabriga en S. Grünheid als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 maart 2019,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 16 en 18 alsmede van artikel 20, onder b), van richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad (PB 2012, L 315, blz. 57).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafzaak die tegen Massimo Gambino en Shpetim Hyka is aangespannen wegens de strafbare feiten van witwassen van geld en oplichting.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
De overwegingen 11, 12, 20, 58 en 66 van richtlijn 2012/29 luiden:
- ‘(11)
Deze richtlijn stelt minimumvoorschriften vast. De lidstaten mogen de in deze richtlijn opgenomen rechten uitbreiden teneinde in een hoger niveau van bescherming te voorzien.
- (12)
De in deze richtlijn opgenomen rechten laten de rechten van de dader onverlet. De term ‘dader’ verwijst naar een persoon die is veroordeeld voor een strafbaar feit. Voor de toepassing van deze richtlijn verwijst de term evenwel ook naar een verdachte of beklaagde voorafgaand aan enige vaststelling van schuld of veroordeling, zonder afbreuk te doen aan het vermoeden van onschuld.
[…]
- (20)
De rol van het slachtoffer in het strafrechtstelsel en of het slachtoffer actief kan deelnemen aan de strafprocedure verschilt van lidstaat tot lidstaat, afhankelijk van het nationale stelsel, en wordt bepaald door één of meerdere van de volgende criteria: of volgens het nationale stelsel het slachtoffer juridisch partij in de strafprocedure is; of het slachtoffer wettelijk verplicht is of wordt verzocht actief deel te nemen aan de strafprocedure, bijvoorbeeld als getuige; en/of het slachtoffer volgens het nationale recht het recht heeft actief deel te nemen aan de strafprocedure en hierom te verzoeken, terwijl slachtoffers volgens het nationale stelsel juridisch geen partij zijn in de strafprocedure. De lidstaten moeten bepalen volgens welke van deze criteria de reikwijdte van de in deze richtlijn opgenomen rechten wordt vastgesteld, indien in het toepasselijke strafrechtstelsel wordt verwezen naar de rol van het slachtoffer.
[…]
- (58)
Aan slachtoffers die als kwetsbaar voor secundaire en herhaalde victimisatie, voor intimidatie en voor vergelding zijn geïdentificeerd, moeten passende maatregelen worden aangeboden om hen in de loop van de strafprocedure te kunnen beschermen. De exacte aard van deze maatregelen moet op basis van de individuele beoordeling worden bepaald, rekening houdend met de wens van het slachtoffer. De reikwijdte van deze maatregelen moet worden bepaald onverminderd de rechten van de verdediging en overeenkomstig de regels inzake de beoordelingsvrijheid van de rechter. Of het slachtoffer behoefte heeft aan bijzondere maatregelen moet in belangrijke mate worden bepaald door de bezorgdheid en de vrees die hij ervaart.
[…]
- (66)
In deze richtlijn worden de grondrechten en de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende beginselen in acht genomen. Deze richtlijn streeft er met name naar het recht op waardigheid, leven, lichamelijke en geestelijke integriteit, vrijheid en veiligheid, eerbiediging van het privéleven en familie- en gezinsleven, het recht op eigendom, het non-discriminatiebeginsel, het beginsel van gelijkheid tussen vrouwen en mannen, de rechten van het kind, van ouderen en van personen met een handicap, en het recht op een eerlijk proces te bevorderen.’
4
Artikel 1 van deze richtlijn, met als opschrift ‘Doelstellingen’, bepaalt in lid 1:
‘Deze richtlijn heeft tot doel ervoor te zorgen dat slachtoffers van strafbare feiten passende informatie, ondersteuning en bescherming krijgen en aan de strafprocedure kunnen deelnemen.
De lidstaten zorgen ervoor dat slachtoffers op een respectvolle, tactvolle, geïndividualiseerde, professionele en niet-discriminerende manier worden erkend en bejegend in alle contacten met slachtofferhulp- of herstelrechtorganisaties of een bevoegde autoriteit, die in het kader van de strafprocedure optreedt. De in deze richtlijn opgenomen rechten worden jegens slachtoffers op niet-discriminerende wijze toegepast, mede wat hun verblijfsstatus betreft.’
5
Artikel 10 van deze richtlijn, met als opschrift ‘Recht te worden gehoord’, bepaalt:
- ‘1.
De lidstaten zorgen ervoor dat het slachtoffer in de loop van de strafprocedure kan worden gehoord en bewijselementen kan aanvoeren. Wanneer een kindslachtoffer gehoord moet worden, moeten de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van het kind op passende wijze in aanmerking worden genomen.
- 2.
De procedurevoorschriften op grond waarvan het slachtoffer tijdens de strafprocedure kan worden gehoord en bewijselementen kan aanvoeren, worden door het nationale recht bepaald.’
6
Artikel 16 van dezelfde richtlijn, met als opschrift ‘Recht op een beslissing inzake schadevergoeding door de dader in de loop van de strafprocedure’, luidt:
- ‘1.
De lidstaten waarborgen het slachtoffer het recht om in de loop van de strafprocedure binnen een redelijke termijn een beslissing inzake schadevergoeding door de dader te verkrijgen, tenzij in het nationale recht is bepaald dat deze beslissing in een andere gerechtelijke procedure moet worden genomen.
- 2.
De lidstaten bevorderen maatregelen om de dader ertoe te bewegen de schade op passende wijze aan het slachtoffer te vergoeden.’
7
Artikel 18 van richtlijn 2012/29, met als opschrift ‘Recht op bescherming’, is als volgt geformuleerd:
‘Onverminderd de rechten van de verdediging zorgen de lidstaten ervoor dat er maatregelen beschikbaar zijn die het slachtoffer en zijn familieleden bescherming bieden tegen secundaire en herhaalde victimisatie, tegen intimidatie en tegen vergelding, alsook tegen het risico van emotionele of psychologische schade bij het slachtoffer, en die de waardigheid van het slachtoffer beschermen bij ondervraging of bij verhoor als getuige. Zo nodig omvatten dergelijke maatregelen ook door het nationale recht bepaalde procedures voor de fysieke bescherming van het slachtoffer en zijn familieleden.’
8
Artikel 20 van deze richtlijn, met als opschrift ‘Recht op bescherming van slachtoffers tijdens het strafrechtelijk onderzoek’, bepaalt:
‘Onverminderd de rechten van de verdediging en in overeenstemming met de regels inzake de beoordelingsvrijheid van de rechter, zorgen de lidstaten ervoor dat tijdens het strafrechtelijk onderzoek:
[…]
- b)
het aantal ondervragingen van het slachtoffer tot het minimum wordt beperkt en ondervraging alleen plaatsvindt als dat strikt noodzakelijk is met het oog op het strafrechtelijk onderzoek;
[…]’
9
Artikel 22 van dezelfde richtlijn, met als opschrift ‘Individuele beoordeling van slachtoffers om specifieke beschermingsbehoeften te bepalen’, luidt:
- ‘1.
De lidstaten zorgen ervoor dat het slachtoffer, volgens de nationale procedures, aan een tijdige en individuele beoordeling wordt onderworpen om specifieke beschermingsbehoeften te onderkennen en om te bepalen of en in welke mate het slachtoffer tijdens de strafprocedure van bijzondere maatregelen in de zin van de artikelen 23 en 24 gebruik moet kunnen maken, gelet op zijn bijzondere kwetsbaarheid voor secundaire en herhaalde victimisatie, voor intimidatie en voor vergelding.
- 2.
De individuele beoordeling houdt in het bijzonder rekening met:
- a)
de persoonlijke kenmerken van het slachtoffer;
- b)
het soort strafbaar feit of de aard van het strafbare feit; en
- c)
de omstandigheden van het strafbaar feit.
- 3.
In het kader van de individuele beoordeling gaat bijzondere aandacht uit naar slachtoffers die aanzienlijke schade hebben geleden als gevolg van de ernst van het strafbare feit; slachtoffers van strafbare feiten die zijn ingegeven door vooroordelen of discriminatie die in het bijzonder verband kunnen houden met hun persoonlijke kenmerken; slachtoffers wier relatie met en afhankelijkheid van de dader hen bijzonder kwetsbaar maken. In dit verband worden slachtoffers van terrorisme, georganiseerde criminaliteit, mensenhandel, gendergerelateerd geweld, geweld in een hechte relatie, seksueel geweld, uitbuiting of haatmisdrijven; en slachtoffers met een handicap naar behoren in overweging genomen.
- 4.
Voor de toepassing van deze richtlijn worden kindslachtoffers beschouwd als slachtoffers met specifieke beschermingsbehoeften, gelet op hun kwetsbaarheid voor secundaire en herhaalde victimisatie, voor intimidatie en voor vergelding. Om te bepalen of en in welke mate zij gebruik zouden kunnen maken van bijzondere maatregelen in de zin van de artikelen 23 en 24, worden kindslachtoffers onderworpen aan een individuele beoordeling in de zin van lid 1 van dit artikel.
- 5.
De individuele beoordeling kan, afhankelijk van de ernst van het strafbare feit en de schade die het slachtoffer kennelijk heeft geleden, meer of minder uitgebreid zijn.
- 6.
Het slachtoffer wordt nauw bij een dergelijke individuele beoordeling betrokken en er wordt rekening gehouden met zijn wensen, waaronder de wens om geen aanspraak te maken op bijzondere maatregelen in de zin van de artikelen 23 en 24.
- 7.
Indien de elementen die ten grondslag liggen aan de individuele beoordeling aanzienlijk zijn gewijzigd, zorgen de lidstaten ervoor dat de beoordeling tijdens de gehele strafprocedure wordt geactualiseerd.’
10
Artikel 23 van dezelfde richtlijn, met als opschrift ‘Recht op bescherming van slachtoffers met specifieke beschermingsbehoeften tijdens de strafprocedure’, luidt:
- ‘1.
Onverminderd de rechten van de verdediging en in overeenstemming met de regels inzake de beoordelingsvrijheid van de rechter, zorgen de lidstaten ervoor dat het als gevolg van een individuele beoordeling in de zin van artikel 22, lid 1, geïdentificeerde slachtoffer met bijzondere beschermingsbehoeften dat in aanmerking komt voor bijzondere maatregelen, gebruik kan maken van de maatregelen in de zin van de leden 2 en 3 van dit artikel. Een op grond van de individuele beoordeling voorziene bijzondere maatregel wordt niet ter beschikking gesteld indien deze wegens operationele of praktische beperkingen niet realiseerbaar is, of wanneer het noodzakelijk is het slachtoffer dringend te ondervragen en het slachtoffer zelf of een derde schade kan leiden of afbreuk kan worden gedaan aan de rechtsgang, indien dat niet gebeurt.
- 2.
Tijdens het strafrechtelijk onderzoek kan het overeenkomstig artikel 22, lid 1, geïdentificeerde slachtoffer met specifieke beschermingsbehoeften, aanspraak maken op de volgende maatregelen:
- a)
ondervragingen van het slachtoffer gedaan in een daarvoor ontworpen of aangepaste ruimte;
- b)
ondervragingen van het slachtoffer gedaan door of via personen die daarvoor professioneel zijn opgeleid;
- c)
alle ondervragingen van het slachtoffer gedaan door dezelfde personen, tenzij dit indruist tegen de goede rechtsbedeling;
- d)
alle ondervragingen van het slachtoffer van seksueel geweld, gendergerelateerd geweld of geweld in hechte relaties wordt, tenzij hij door een openbare aanklager of een rechter wordt ondervraagd, indien het slachtoffer dat wenst, gedaan door een persoon van hetzelfde geslacht als het slachtoffer, mits dit geen afbreuk doet aan het verloop van de strafprocedure.
- 3.
Tijdens de strafprocedure komt het overeenkomstig artikel 22, lid 1, geïdentificeerde slachtoffer met specifieke beschermingsbehoeften in aanmerking voor de volgende maatregelen:
- a)
dat tussen slachtoffer en daders, onder meer tijdens het afleggen van een getuigenverklaring, geen oogcontact kan plaatsvinden, doordat gebruik wordt gemaakt van passende middelen, waaronder communicatietechnologie;
- b)
dat het slachtoffer in de rechtszaal kan worden gehoord zonder daar aanwezig te zijn, met name door middel van geschikte communicatietechnologie;
- c)
dat over zijn privéleven geen nodeloze vragen worden gesteld, die geen verband houden met het strafbare feit, en
- d)
dat de zitting achter gesloten deuren kan plaatsvinden.’
Italiaans recht
11
Artikel 511 van de codice di procedura penale (wetboek van strafvordering), met als opschrift ‘Geoorloofde lezing’, bepaalt in de leden 1 en 2:
- ‘1.
Met het oog op de debatten beslist de rechter, in voorkomend geval ambtshalve, tot integrale of gedeeltelijke lezing van de processtukken.
- 2.
Over het lezen van de processen-verbaal van de getuigenverklaringen wordt pas beslist na verhoor van de getuige, tenzij geen verhoor plaatsvindt.’
12
Artikel 525 van het wetboek van strafvordering, met als opschrift ‘Onmiddellijkheid van de beslissing’, bepaalt in de leden 1 en 2:
- ‘1.
Het vonnis wordt onmiddellijk na sluiting van de debatten gewezen.
- 2.
Aan de beraadslaging wordt, op straffe van absolute nietigheid, deelgenomen door dezelfde rechters als de rechters die aan de terechtzitting hebben deelgenomen. Indien plaatsvervangende rechters worden opgeroepen om de rechtsprekende formatie aan te vullen en de verhinderde rechters te vervangen, blijven de reeds genomen en niet uitdrukkelijk herroepen beslissingen van kracht.’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
13
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat Gambino en Hyka voor de Tribunale di Bari (rechter in eerste aanleg Bari, Italië) worden vervolgd voor de in het Italiaanse wetboek van strafrecht opgenomen strafbare feiten van witwassen van geld en oplichting.
14
Tevens blijkt uit die beslissing dat volgens de beschrijving van de ten laste gelegde feiten de slachtoffers van deze vermeende oplichting Ernesto Lappostato en Gianluca Menini zijn. Lappostato heeft zich burgerlijke partij gesteld, met het verzoek om Gambino te veroordelen tot vergoeding van de schade die hij hem met zijn strafbare gedrag heeft berokkend.
15
Tijdens een terechtzitting op 14 april 2015 zijn Lappostato en Menini als getuigen verhoord door een rechtsprekende formatie van de Tribunale di Bari, bestaande uit drie rechters.
16
Op 21 februari 2017 heeft een nieuwe terechtzitting plaatsgevonden ten overstaan van dezelfde rechtsprekende formatie, waarvan de samenstelling evenwel was gewijzigd ten gevolge van de overplaatsing naar een ander gerecht van een van de drie magistraten die op 14 april 2015 hadden gezeteld.
17
De raadsman van Gambino heeft ter terechtzitting van 21 februari 2017 overeenkomstig de artikelen 511 en 525 van het wetboek van strafvordering verzocht om alle getuigen die tot aan die datum waren verhoord, waaronder de slachtoffers van de oplichting, opnieuw te verhoren. Hij heeft dit verzoek herhaald tijdens een terechtzitting op 10 oktober 2017.
18
De verwijzende rechter merkt op dat artikel 525 van het wetboek van strafvordering het onmiddellijkheidsbeginsel vastlegt, dat niet alleen waarborgt dat het vonnis onmiddellijk na de sluiting van de debatten wordt gewezen, maar ook dat dezelfde rechters het vonnis wijzen als die welke aan de terechtzitting hebben deelgenomen. Dit laatste vereiste berust op de gedachte dat de rechters die beslissen over de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte, dezelfde moeten zijn als de rechters die aanwezig waren bij de bewijsvoering.
19
Deze rechter koestert twijfels over de verenigbaarheid met het Unierecht van de nationale regeling zoals die door de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië) wordt uitgelegd, namelijk dat in geval van herhaling van de mondelinge behandeling wegens een wijziging in de samenstelling van een rechtsprekende formatie — een college of een alleenzetelende rechter — het vonnis niet mag worden gebaseerd op de getuigenverklaring die is afgelegd voor de oorspronkelijke rechtsprekende formatie waarbij het proces-verbaal eenvoudigweg wordt voorgelezen, zonder dat de getuige opnieuw wordt verhoord, indien de mogelijkheid daartoe nog bestaat en een van de partijen daarom verzoekt.
20
Wanneer in deze omstandigheden wordt beslist dat de mondelinge behandeling wordt herhaald ten gevolge van een wijziging in de samenstelling van de rechtsprekende formatie en de rechter het opnieuw gevraagde getuigenbewijs toestaat, kan op grond van artikel 511 van het wetboek van strafvordering enkel met toestemming van alle procespartijen worden overgegaan tot lezing van de processen-verbaal van de reeds afgelegde getuigenverklaringen.
21
Volgens de verwijzende rechter opent een dergelijke uitlegging de weg naar misbruik door de verdediging, aangezien zij mogelijk niet toestaat dat de rechters het proces-verbaal van een reeds afgelegde getuigenverklaring lezen zodat deze rechters een nieuwe ondervraging van het slachtoffer moeten gelasten.
22
Artikel 511, lid 2, en artikel 525, lid 2, van het wetboek van strafvordering, zoals uitgelegd in de nationale rechtspraak, zijn derhalve in strijd met richtlijn 2012/29, die de lidstaten ertoe verplicht om een regeling vast te stellen die de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten tijdens de strafprocedure verzekert.
23
Dienaangaande merkt de verwijzende rechter op dat het Hof met betrekking tot de uitlegging van kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure (PB 2001, L 82, blz. 1), dat door richtlijn 2012/29 is vervangen, in punt 56 van het arrest van 16 juni 2005, Pupino (C-105/03, EU:C:2005:386), heeft geoordeeld dat de verwezenlijking van de door dit kaderbesluit nagestreefde doelstellingen vereist dat een nationale rechter voor bijzonder kwetsbare slachtoffers de mogelijkheid heeft om gebruik te maken van een speciale procedure, zoals de incidentele procedure van vervroegde bewijsvoering voorzien in het recht van een lidstaat, alsmede de aldaar eveneens geldende bijzondere voorwaarden voor het afleggen van een getuigenverklaring, indien deze procedure het meest beantwoordt aan de situatie van deze slachtoffers en noodzakelijk is om het verlies van bewijsmateriaal te voorkomen, de herhaling van ondervragingen te minimaliseren en de nadelige gevolgen van het afleggen van een verklaring ter openbare terechtzitting voor deze slachtoffers te voorkomen.
24
Volgens de verwijzende rechter lijkt de herhaling van de ondervraging van het slachtoffer in strijd te zijn met de in dat arrest uiteengezette beginselen, aangezien de lezing van de processen-verbaal van de oorspronkelijke getuigenverklaringen die met inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor en voor een onpartijdige rechter in het openbaar werden afgelegd, geenszins afbreuk doet aan het recht van de verdachte op een eerlijk proces.
25
In ieder geval dient de afweging tussen de eerbiediging van de menselijke waardigheid van het slachtoffer en het recht op een eerlijk proces van de verdachte verenigbaar te zijn met het evenredigheidsbeginsel van artikel 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’). Evenzo mag het recht op een eerlijk proces, zoals neergelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: ‘EVRM’), en in artikel 47 van het Handvest, niet worden aangewend om rechtsmisbruik te plegen.
26
Afgezien van het feit dat voor het slachtoffer bijkomend psychologisch lijden zou worden veroorzaakt, zou de herhaling van de ondervraging van het slachtoffer ten slotte leiden tot een dure verlenging van de strafprocedure, zulks in strijd met het vereiste van een redelijke termijn van de procedure.
27
Daarom heeft de Tribunale di Bari de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moeten artikel 16, artikel 18, en artikel 20, onder b), van richtlijn 2012/29 aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat het slachtoffer na vervanging van een rechter opnieuw moet worden gehoord indien een van de procespartijen overeenkomstig artikel 511, lid 2, en artikel 525, lid 2, van het wetboek van strafvordering (in de vaste uitlegging die daaraan wordt gegeven in de rechtspraak van de hogere rechters) niet instemt met lezing van de verklaringen die dit slachtoffer, met inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor, in dezelfde procedure reeds voor een andere rechter heeft afgelegd?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
28
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 16, artikel 18 en artikel 20, onder b), van richtlijn 2012/29 aldus dienen te worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling op grond waarvan, wanneer het slachtoffer van een strafbaar feit een eerste keer werd ondervraagd door de rechtsprekende formatie van een strafrechtbank in eerste aanleg en de samenstelling van die formatie later wordt gewijzigd, dit slachtoffer in beginsel door de nieuw samengestelde formatie opnieuw dient te worden ondervraagd wanneer een van de procespartijen niet toestaat dat deze formatie zich baseert op het proces-verbaal van de eerste ondervraging van dat slachtoffer.
29
Volgens artikel 1, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2012/29 heeft de richtlijn tot doel, ervoor te zorgen dat slachtoffers van strafbare feiten passende informatie, ondersteuning en bescherming krijgen en aan de strafprocedure kunnen deelnemen.
30
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat krachtens artikel 20, onder b), van deze richtlijn, onverminderd de rechten van de verdediging en in overeenstemming met de regels inzake de beoordelingsvrijheid van de rechter, de lidstaten ervoor zorgen dat tijdens het strafrechtelijk onderzoek het aantal ondervragingen van het slachtoffer tot het minimum wordt beperkt en ondervraging alleen plaatsvindt als dat strikt noodzakelijk is met het oog op het ‘strafrechtelijk onderzoek’.
31
In dat verband maakt richtlijn 2012/29, zoals blijkt uit artikel 23, leden 2 en 3, een onderscheid tussen de fase van het ‘strafrechtelijk onderzoek’ en de fase van de ‘strafprocedure’.
32
Overigens werd in het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten en de bescherming van slachtoffers van misdrijven en voor slachtofferhulp [COM(2011) 275 definitief], dat aan de basis ligt van richtlijn 2012/29, verklaard dat de lidstaten ervoor dienden te zorgen dat het aantal ondervragingen tot het minimum beperkt bleef en ondervragingen alleen plaatsvonden als dat strikt noodzakelijk is voor de ‘strafprocedure’.
33
De parlementaire stukken van richtlijn 2012/29 bevestigen derhalve dat, gelet op de bewoordingen van artikel 20, onder b), zoals door de Uniewetgever vastgesteld, de Uniewetgever ervoor heeft gekozen om de werkingssfeer van deze bepaling te beperken tot uitsluitend het strafrechtelijk onderzoek.
34
Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing, vindt de eventuele herhaling van de ondervraging van het slachtoffer in het hoofdgeding echter plaats in de fase van de strafprocedure waarin het strafvonnis wordt gewezen, aangezien Gambino voor een nieuwe rechtsprekende formatie werd gebracht.
35
In die omstandigheden is artikel 20, onder b), van richtlijn 2012/29 niet van toepassing op een geding als het hoofdgeding.
36
In ieder geval verlangt deze bepaling, door de lidstaten op te leggen het aantal ondervragingen tot het minimum te beperken, niet dat het slachtoffer van een strafbaar feit slechts één enkele keer door het vonnisgerecht wordt ondervraagd.
37
Wat de uitlegging van de artikelen 16 en 18 van richtlijn 2012/29 betreft, dient te worden opgemerkt dat deze richtlijn, volgens overweging 12, bepaalt dat de daarin opgenomen rechten de rechten van de dader onverlet laten.
38
Volgens artikel 47, tweede alinea, van het Handvest heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld, en heeft eenieder de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen. Volgens artikel 48, lid 2, van het Handvest wordt bovendien aan eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, de eerbiediging van de rechten van de verdediging gegarandeerd.
39
Voor zover het Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten die worden gewaarborgd door het EVRM, beoogt artikel 52, lid 3, van het Handvest te zorgen voor de nodige samenhang tussen de in het Handvest vervatte en de daarmee corresponderende, door het EVRM gewaarborgde rechten, zonder dat dit de autonomie van het Unierecht of van het Hof van Justitie van de Europese Unie aantast (zie in die zin arrest van 20 maart 2018, Menci, C-524/15, EU:C:2018:197, punt 23). Volgens de toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten (PB 2007, C 303, blz. 17) correspondeert artikel 47, tweede alinea, van het Handvest met artikel 6, lid 1, van het EVRM en is artikel 48 van het Handvest gelijk aan artikel 6, leden 2 en 3, van het EVRM. Bijgevolg dient het Hof erop toe te zien dat de uitlegging die het aan artikel 47, tweede alinea, en artikel 48 van het Handvest geeft, zodanig is dat het daardoor geboden beschermingsniveau niet in strijd komt met datgene wat wordt geboden door artikel 6 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens [zie naar analogie arrest van 26 september 2018, Belastingdienst/Toeslagen (Schorsende werking van het hoger beroep), C-175/17, EU:C:2018:776, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
40
In dezelfde zin heeft het Hof geoordeeld dat kaderbesluit 2001/220, dat werd vervangen door richtlijn 2012/29, zodanig diende te worden uitgelegd dat de grondrechten worden geëerbiedigd, waaronder met name het recht op een eerlijk proces, zoals neergelegd in artikel 6 van het EVRM en zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (arresten van 16 juni 2005, Pupino, C-105/03, EU:C:2005:386, punt 59, en 9 oktober 2008, Katz, C-404/07, EU:C:2008:553, punt 48).
41
In dit verband blijkt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat de beginselen van een eerlijk proces eisen dat de belangen van de verdediging in passende gevallen worden afgewogen tegen die van voor een verklaring opgeroepen getuigen of slachtoffers (EHRM, 26 maart 1996, Doorson tegen Nederland, CE:ECHR:1996:0326JUD002052492, § 70, en EHRM, 5 oktober 2006, Marcello Viola tegen Italië, CE:ECHR:2006:1005JUD004510604, § 51).
42
Wie in dit kader de verantwoordelijkheid draagt om te beslissen over de schuld of onschuld van de verdachte, dient in beginsel de getuigen persoonlijk te verhoren en hun geloofwaardigheid te beoordelen. Het beoordelen van de geloofwaardigheid van een getuige is een complexe taak die normaal gezien niet kan worden vervuld door een gewone lezing van de inhoud van zijn verklaringen zoals die in de processen-verbaal van de ondervragingen zijn opgenomen (EHRM, 5 juli 2011, Dan tegen Moldavië, CE:ECHR:2011:0705JUD000899907, § 33, en EHRM, 29 juni 2017, Lorefice tegen Italië, CE:ECHR:2017:0629JUD006344613, § 43).
43
Een van de belangrijke elementen van een eerlijk proces is derhalve de mogelijkheid voor de verdachte om ten overstaan van de rechter die uiteindelijk uitspraak doet, te worden geconfronteerd met de getuigen. Dit onmiddellijkheidsbeginsel vormt een belangrijke waarborg voor het strafproces aangezien de opmerkingen van de rechter over het gedrag en de geloofwaardigheid van een getuige zware gevolgen voor de verdachte kunnen hebben. Bijgevolg moet een wijziging in de samenstelling van het vonnisgerecht na het verhoren van een belangrijke getuige in beginsel tot een nieuw verhoor leiden (EHRM, 9 maart 2004, Pitkänen tegen Finland, CE:ECHR:2004:0309JUD003050896, § 58, en EHRM, 18 maart 2014, Beraru tegen Roemenië, CE:ECHR:2014:0318JUD004010704, § 64).
44
Het onmiddellijkheidsbeginsel kan echter niet worden geacht elke wijziging in de samenstelling van een rechtbank tijdens het verloop van een proces in de weg te staan. Er kunnen zich bijzonder voor de hand liggende administratieve of procedurele problemen voordoen die het voor een rechter onmogelijk maken om voortdurend aan het proces deel te nemen. Maatregelen kunnen worden genomen opdat de rechters die de zaak overnemen, de elementen en argumenten goed begrijpen, bijvoorbeeld door hun de processen-verbaal over te leggen wanneer de geloofwaardigheid van de betrokken getuige niet wordt betwist, of door nieuwe pleidooien te organiseren of een nieuw verhoor van de belangrijke getuigen te organiseren voor de nieuw samengestelde rechtbank (EHRM, 2 december 2014, Cutean tegen Roemenië, CE:ECHR:2014:1202JUD005315012, § 61, en EHRM, 6 december 2016, Škaro tegen Kroatië, CE:ECHR:2016:1206JUD000696213, § 24).
45
In het licht van deze overwegingen dient te worden geantwoord op de vraag met betrekking tot de artikelen 16 en 18 van richtlijn 2012/29.
46
In dit verband overweegt de verwijzende rechter dat de herhaling van de ondervraging van het slachtoffer naar aanleiding van de wijziging in de samenstelling van de rechtsprekende formatie in strijd is met artikel 16 van deze richtlijn, waarvan lid 1 bepaalt dat de lidstaten het slachtoffer het recht waarborgen om in de loop van de strafprocedure binnen een redelijke termijn een beslissing inzake schadevergoeding door de dader te verkrijgen, tenzij in het nationale recht is bepaald dat deze beslissing in een andere gerechtelijke procedure moet worden genomen.
47
De verwijzende rechter is dus van oordeel dat aan de in artikel 16 opgenomen tijdige vergoeding van de schade van het slachtoffer afbreuk zou worden gedaan door een nationale regeling die vereist dat alle procespartijen ermee instemmen dat de ondervraging van het slachtoffer niet wordt herhaald voor de rechters die deel uitmaken van de nieuw samengestelde rechtsprekende formatie. Meer bepaald overweegt deze rechter dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling misbruik door de verdediging mogelijk maakt, omdat wanneer zij niet instemt met de lezing van de reeds door het slachtoffer afgelegde getuigenverklaringen, dit een verlenging van de duur van de procedure tot gevolg heeft.
48
Evenwel dient te worden vastgesteld dat de herhaling van de ondervraging van het slachtoffer in geval van een wijziging in de samenstelling van de rechtsprekende formatie waarvoor het oorspronkelijk werd ondervraagd, niet als zodanig met zich meebrengt dat niet binnen een redelijke termijn kan worden beslist over de schadevergoeding van dit slachtoffer.
49
Zoals de advocaat-generaal in punt 128 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan het recht dat krachtens artikel 16 van richtlijn 2012/29 toekomt aan het slachtoffer van een strafbaar feit bovendien geen afbreuk doen aan het effectieve genot van de in de punten 42 en 43 van dit arrest vermelde procedurele rechten die aan de verdachte zijn toegekend — waaronder het onmiddellijkheidsbeginsel — wanneer de samenstelling van de rechtsprekende formatie is gewijzigd, aangezien deze omstandigheid niet aan de verdachte kan worden toegerekend.
50
De verwijzende rechter verwijst ook naar artikel 18 van richtlijn 2012/29, volgens hetwelk de lidstaten, onverminderd de rechten van de verdediging, ervoor zorgen dat er maatregelen beschikbaar zijn die het slachtoffer en zijn familieleden bescherming bieden tegen secundaire en herhaalde victimisatie, tegen intimidatie en tegen vergelding, alsook tegen het risico van emotionele of psychologische schade, en die de waardigheid van het slachtoffer beschermen bij ondervraging of bij verhoor als getuige, waarbij dergelijke maatregelen zo nodig ook door het nationale recht bepaalde procedures voor de fysieke bescherming van het slachtoffer en zijn familieleden omvatten.
51
Uit de bewoordingen van dit artikel volgt echter niet dat de Uniewetgever, binnen het bestek van de maatregelen ter bescherming van het slachtoffer van een strafbaar feit, de ondervraging van het slachtoffer gedurende de strafprocedure heeft willen beperken tot één enkele ondervraging.
52
Bovendien bepaalt artikel 18 van richtlijn 2012/29 dat het slachtoffer recht heeft op bescherming ‘onverminderd de rechten van de verdediging’. In dezelfde zin wordt in overweging 58 van deze richtlijn verklaard dat de reikwijdte van de passende maatregelen die in de loop van de strafprocedure worden aangeboden ter bescherming van slachtoffers die zijn geïdentificeerd als kwetsbaar voor secundaire en herhaalde victimisatie, voor intimidatie en voor vergelding, moet worden bepaald ‘onverminderd de rechten van de verdediging en overeenkomstig de regels inzake de beoordelingsvrijheid van de rechter’.
53
Zoals de advocaat-generaal in punt 73 van zijn conclusie heeft opgemerkt, heeft de Uniewetgever in richtlijn 2012/29 ten gunste van het slachtoffer rechten vastgesteld waarvan de uitoefening geen afbreuk mag doen aan het recht op een eerlijk proces, noch aan de rechten van verdediging van de verdachte, zoals vastgelegd in artikel 47, tweede alinea, respectievelijk artikel 48, lid 2, van het Handvest.
54
Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat artikel 18 van richtlijn 2012/29 in beginsel niet eraan in de weg staat dat een slachtoffer van een strafbaar feit in geval van een wijziging in de samenstelling van de rechtsprekende formatie, op verzoek van een van de procespartijen opnieuw wordt ondervraagd door deze formatie.
55
Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 116 van zijn conclusie, volgt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens evenwel dat, om uit te maken of het gebruik als bewijs van het proces-verbaal van de getuigenverklaring van een slachtoffer mogelijk is, de lidstaten moeten nagaan of de ondervraging van het slachtoffer van belang is om uitspraak te doen over de verdachte, en met voldoende procedurele waarborgen ervoor dienen te zorgen dat de bewijsvoering in het kader van de strafprocedure geen afbreuk doet aan de eerlijkheid van die procedure in de zin van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, noch aan de rechten van de verdediging in de zin van artikel 48, lid 2, van het Handvest.
56
Het staat derhalve aan de verwijzende rechter om te onderzoeken of in het hoofdgeding de in het vorige punt bedoelde bijzondere voorwaarden ertoe kunnen leiden dat het slachtoffer van het betrokken strafbaar feit niet opnieuw wordt ondervraagd.
57
Het is van belang hieraan toe te voegen dat wanneer is beslist dat het slachtoffer wordt ondervraagd door de nieuw samengestelde rechtsprekende formatie, de bevoegde nationale autoriteiten overeenkomstig artikel 22 van richtlijn 2012/29 een individuele beoordeling dienen te verrichten om na te gaan welke de specifieke beschermingsbehoeften van dit slachtoffer zijn en, in voorkomend geval, in hoeverre dit slachtoffer de beschermingsmaatregelen waarin is voorzien bij de artikelen 23 en 24 van deze richtlijn kan genieten.
58
Dus staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of het slachtoffer in het hoofdgeding geen specifieke beschermingsbehoeftes heeft in het kader van de strafprocedure.
59
Gelet op het voorgaande moet op de vraag worden geantwoord dat de artikelen 16 en 18 van richtlijn 2012/29 aldus dienen te worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een nationale regeling op grond waarvan, wanneer het slachtoffer van een strafbaar feit een eerste keer werd ondervraagd door de rechtsprekende formatie van een strafrechtbank in eerste aanleg en de samenstelling van die formatie later wordt gewijzigd, dit slachtoffer in beginsel door de nieuw samengestelde formatie opnieuw dient te worden ondervraagd wanneer een van de procespartijen niet toestaat dat deze formatie zich baseert op het proces-verbaal van de eerste ondervraging van dat slachtoffer.
Kosten
60
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
De artikelen 16 en 18 van richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad dienen aldus te worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een nationale regeling op grond waarvan, wanneer het slachtoffer van een strafbaar feit een eerste keer werd ondervraagd door de rechtsprekende formatie van een strafrechtbank in eerste aanleg en de samenstelling van die formatie later wordt gewijzigd, dit slachtoffer in beginsel door de nieuw samengestelde formatie opnieuw dient te worden ondervraagd wanneer een van de procespartijen niet toestaat dat deze formatie zich baseert op het proces-verbaal van de eerste ondervraging van dat slachtoffer.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 29‑07‑2019
Conclusie 14‑03‑2019
Y. Bot
Partij(en)
Zaak C-38/181.
Massimo Gambino,
Shpetim Hyka
tegen
Procura della Repubblica presso il Tribunale di Bari,
Ernesto Lappostato,
Banca Carige SpA — Cassa di Risparmio di Genova e Imperia
[verzoek van de Tribunale di Bari (rechter in eerste aanleg Bari, Italië) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Staat richtlijn 2012/29/EU2. in het kader van een strafprocedure met accusatoir karakter in de weg aan een nationale wettelijke regeling die voorziet in een procedureregel op grond waarvan een verdachte zich bij wijziging in de samenstelling van de rechtsprekende formatie waarvoor het slachtoffer is verhoord, tegen lezing van de processen-verbaal van ondervraging van dit slachtoffer kan verzetten en zodoende eisen dat het slachtoffer voor de nieuwe rechtsprekende formatie opnieuw wordt ondervraagd?
2.
Dit is in wezen het voorwerp van de prejudiciële vraag van de Tribunale di Bari (rechter in eerste aanleg Bari, Italië).
3.
Aanleiding voor deze vraag is een strafprocedure tegen Massimo Gambino en Shpetim Hyka wegens oplichting en witwassen van geld, waarin het slachtoffer tijdens een openbare zitting voor de verwijzende rechter als getuige à charge werd gehoord. Doordat één van de drie rechters van deze rechtsprekende formatie in eerste aanleg na die hoorzitting werd vervangen, heeft de verdediging zich op de toepasselijke bepalingen van de codice di procedura penale (Italiaans wetboek van strafvordering; hierna: ‘CPP’) gebaseerd om zich te verzetten tegen lezing van het proces-verbaal van dat verhoor voor de nieuwe rechtsprekende formatie en zodoende te eisen dat dit verhoor zou worden overgedaan.
4.
Het is niet voor het eerst dat het Hof wordt verzocht om een uitspraak over de verenigbaarheid van de bepalingen van de CPP met de Unierechtelijke beschermingsmaatregelen ten gunste van slachtoffers. In de zaken waarin de arresten van 16 juni 2005, Pupino3. en 21 december 2011, X4., werden gewezen, werd het Hof verzocht om uitlegging van de bepalingen van kaderbesluit 2001/220 in de context van de incidentele procedure van vervroegde bewijsvoering die het Italiaanse strafrecht ten gunste van bijzonder kwetsbare slachtoffers heeft ingesteld.
5.
In deze zaak wordt het Hof gevraagd naar de reikwijdte van de beschermingsmaatregelen uit richtlijn 2012/29, die in de plaats is gekomen van kaderbesluit 2001/220, wanneer een verdachte zich bij wijziging in de samenstelling van rechtsprekende formatie, krachtens de betrokken nationale wettelijke regeling kan verzetten tegen het gebruik van de processen-verbaal van ondervraging van het slachtoffer.
6.
Het Hof dient met name te bepalen welke de reikwijdte is van deze maatregelen uit hoofdstuk 4 van deze richtlijn, rekening houdend met de grondrechten van de verdachte zoals vastgelegd in de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie5. en in artikel 6, lid 1 en lid 3, onder d), van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van mens en de fundamentele vrijheden6..
7.
Deze richtlijn legt de lidstaten weliswaar de verplichting op om slachtoffers van strafbare feiten een hoog niveau van bescherming te bieden door passende maatregelen vast te stellen voor hun verhoor in de loop van de gerechtelijke procedure, maar in de onderhavige conclusie zal ik aantonen dat de Uniewetgever het aantal verhoren van een slachtoffer in openbare zitting niet heeft willen beperken, behalve indien het slachtoffer een kind is.
8.
Ik zal duidelijk maken dat in een rechtsstelsel zoals in het hoofdgeding, naleving van het recht op een eerlijk proces en naleving van de rechten van de verdediging vereisen dat de rechter die zich moet uitspreken over de vraag of een verdachte schuldig is, ook de rechter is voor wie in beginsel het verhoor van de getuige heeft plaatsgevonden, inzonderheid wanneer het gaat om een kroongetuige wiens getuigenis doorslaggevend kan zijn om te bepalen of de betrokkene onschuldig dan wel schuldig is. Dit vloeit voort uit de beginselen van mondelinge behandeling en onvervangbaarheid van de rechter, begrepen als beginsel van de rechtstreekse en onmiddellijke kennis van de zaak, en uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: ‘EHRM’). In die context heeft een wijziging in de samenstelling van de rechtsprekende formatie na ondervraging van een getuige wiens getuigenis doorslaggevend is om te bepalen of de verdachte al dan niet schuldig is, in beginsel tot gevolg dat die getuige opnieuw moet worden verhoord.
9.
Daarom zal ik het Hof voorstellen om voor recht te verklaren dat geen enkele bepaling van richtlijn 2012/29, behalve met betrekking tot de beschermingsmaatregelen voor kindslachtoffers, zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling als in het hoofdgeding, die de verdachte toestaat om zich ertegen te verzetten dat de processen-verbaal van ondervraging van het slachtoffer worden voorgelezen en zodoende te eisen dat het slachtoffer voor de nieuwe rechtsprekende formatie opnieuw wordt verhoord.
10.
Ik zal er op wijzen dat ingeval de verdachte eist dat het slachtoffer opnieuw wordt ondervraagd, de bevoegde nationale autoriteiten evenwel in overeenstemming met de regels van richtlijn 2012/29 een individuele beoordeling dienen te verrichten, om na te gaan welke de specifieke behoeften van het slachtoffer zijn en, in voorkomend geval, in hoeverre dit slachtoffer in aanmerking komt voor de specifieke beschermingsmaatregelen waarin is voorzien bij de artikelen 23 en 24 van deze richtlijn. In dat verband ben ik van mening dat het aan de nationale rechter staat om er zich van te vergewissen dat die maatregelen niet afdoen aan een eerlijk verloop van de procedure, zoals bedoeld in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, en aan de rechten van de verdediging zoals bedoeld in artikel 48, lid 2, van dit Handvest.
11.
Ten slotte zal ik erop wijzen dat richtlijn 2012/29 er zich niet tegen verzet dat een lidstaat in verband met ondervraging van slachtoffers in de loop van een strafprocedure maatregelen voor een hogere bescherming treft, op voorwaarde echter dat die maatregelen geen afbreuk doen aan de procedurele rechten van de verdachte.
II. Toepasselijke bepalingen
A. EVRM
12.
Artikel 6 EVRM heeft als opschrift ‘Recht op een eerlijk proces’ en bepaalt in lid 1 en lid 3, onder d):
- ‘1.
Bij […] het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft eenieder recht op een eerlijke […] behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een […] gerecht. […]
[…]
- 3.
Eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:
[…]
- d)
getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge.’
B. Unierecht
1. Handvest
13.
Volgens artikel 47, tweede alinea, van het Handvest heeft ‘[eenieder] […] recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld’.
14.
Volgens artikel 48, lid 2, van het Handvest wordt ‘[aan] eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, […] de eerbiediging van de rechten van de verdediging gegarandeerd’.
2. Richtlijn 2012/29
15.
Richtlijn 2012/29 beoogt een herziening en aanvulling van de beginselen uit kaderbesluit 2001/220, alsook een betere slachtofferbescherming, met name in het kader van strafprocedures.7.
16.
Deze richtlijn heeft tot doel ervoor te zorgen dat slachtoffers van strafbare feiten passende informatie, ondersteuning en bescherming krijgen en aan de strafprocedure kunnen deelnemen.8.
17.
De overwegingen 11, 12, 20, 53, 55, 58 en 66 van deze richtlijn luiden als volgt:
- ‘(11)
Deze richtlijn stelt minimumvoorschriften vast. […]
- (12)
De in deze richtlijn opgenomen rechten laten de rechten van de dader onverlet. […]
[…]
- (20)
De rol van het slachtoffer in het strafrechtstelsel en of het slachtoffer actief kan deelnemen aan de strafprocedure verschilt van lidstaat tot lidstaat, afhankelijk van het nationale stelsel, en wordt bepaald door één of meerdere van de volgende criteria: […] of het slachtoffer wettelijk verplicht is of wordt verzocht actief deel te nemen aan de strafprocedure, bijvoorbeeld als getuige […]. De lidstaten moeten bepalen volgens welke van deze criteria de reikwijdte van de in deze richtlijn opgenomen rechten wordt vastgesteld, indien in het toepasselijke strafrechtstelsel wordt verwezen naar de rol van het slachtoffer.
[…]
- (53)
Het risico op secundaire en herhaalde victimisatie, op intimidatie en op vergelding door de dader dan wel als gevolg van de deelname aan de strafprocedure moet worden beperkt door de procedure op een gecoördineerde en respectvolle manier te laten verlopen, zodat het slachtoffer vertrouwen kan krijgen in de autoriteiten. Het contact met de bevoegde autoriteiten moet zo vlot mogelijk verlopen, en onnodig contact met het slachtoffer moet zoveel mogelijk worden vermeden, bijvoorbeeld doordat ondervragingen op video worden opgenomen en het gebruik van de opnamen in de gerechtelijke procedure wordt toegelaten. […]
[…]
- (55)
Sommige slachtoffers lopen in bijzondere mate het risico van secundaire en herhaalde victimisatie, van intimidatie en van vergelding door de dader tijdens de strafprocedure. Het is mogelijk dat een dergelijk risico verband houdt met de persoonlijke kenmerken van het slachtoffer of het soort, de aard of de omstandigheden van het strafbare feit. Een dergelijk risico kan alleen daadwerkelijk worden vastgesteld aan de hand van een individuele beoordeling, die zo snel mogelijk moet worden verricht. Deze individuele beoordeling moet voor alle slachtoffers worden verricht, om te bepalen of zij risico lopen op secundaire en herhaalde victimisatie, op intimidatie en op vergelding en welke bijzondere beschermingsmaatregelen zij nodig hebben.
[…]
- (58)
Aan slachtoffers die als kwetsbaar voor secundaire en herhaalde victimisatie, voor intimidatie en voor vergelding zijn geïdentificeerd, moeten passende maatregelen worden aangeboden om hen in de loop van de strafprocedure te kunnen beschermen. De exacte aard van deze maatregelen moet op basis van de individuele beoordeling worden bepaald, rekening houdend met de wens van het slachtoffer. De reikwijdte van deze maatregelen moet worden bepaald onverminderd de rechten van de verdediging en overeenkomstig de regels inzake de beoordelingsvrijheid van de rechter. Of het slachtoffer behoefte heeft aan bijzondere maatregelen moet in belangrijke mate worden bepaald door de bezorgdheid en de vrees die hij ervaart.
[…]
- (66)
In deze richtlijn worden de grondrechten en de in het Handvest […] erkende beginselen in acht genomen. Deze richtlijn streeft er met name naar […] het recht op een eerlijk proces te bevorderen.’
18.
Hoofdstuk 3 van richtlijn 2012/29 handelt over de ‘[d]eelname aan de strafprocedure’ door het slachtoffer. Artikel 16, lid 1, bepaalt:
‘De lidstaten waarborgen het slachtoffer het recht om in de loop van de strafprocedure binnen een redelijke termijn een beslissing inzake schadevergoeding door de dader te verkrijgen, tenzij in het nationale recht is bepaald dat deze beslissing in een andere gerechtelijke procedure moet worden genomen.’
19.
Hoofdstuk 4 van deze richtlijn omvat de artikelen 18 tot en met 24 en handelt over ‘[b]escherming van slachtoffers en erkenning van slachtoffers met specifieke beschermingsbehoeften’.
20.
Artikel 18 van deze richtlijn heeft als opschrift ‘Recht op bescherming’ en bepaalt:
‘Onverminderd de rechten van de verdediging zorgen de lidstaten ervoor dat er maatregelen beschikbaar zijn die het slachtoffer en zijn familieleden bescherming bieden tegen secundaire en herhaalde victimisatie, tegen intimidatie en tegen vergelding, alsook tegen het risico van emotionele of psychologische schade bij het slachtoffer, en die de waardigheid van het slachtoffer beschermen bij ondervraging of bij verhoor als getuige. Zo nodig omvatten dergelijke maatregelen ook door het nationale recht bepaalde procedures voor de fysieke bescherming van het slachtoffer en zijn familieleden.’
21.
De artikelen 19 tot en met 21 van richtlijn 2012/29 handelen over algemene beschermingsmaatregelen voor slachtoffers tijdens hun ondervraging of getuigenis.
22.
Artikel 20 van deze richtlijn, waarnaar de verwijzende rechter uitdrukkelijk verwijst, heeft als opschrift ‘Recht op bescherming van slachtoffers tijdens het strafrechtelijk onderzoek’ en bepaalt:
‘Onverminderd de rechten van de verdediging en in overeenstemming met de regels inzake de beoordelingsvrijheid van de rechter, zorgen de lidstaten ervoor dat tijdens het strafrechtelijk onderzoek:
[…]
- b)
het aantal ondervragingen van het slachtoffer tot het minimum wordt beperkt en ondervraging alleen plaatsvindt als dat strikt noodzakelijk is met het oog op het strafrechtelijk onderzoek;
[…]’
23.
Artikel 22 van deze richtlijn handelt over individuele beoordeling van slachtoffers om hun specifieke beschermingsbehoeften te bepalen.
24.
De artikelen 23 en 24 van richtlijn 2012/29 handelen over bijzondere beschermingsmaatregelen voor de meest kwetsbare slachtoffers.
C. Italiaans recht
25.
Artikel 111 van de Costituzione (Italiaanse grondwet) handelt over de waarborgen in de strafprocedure en onderstreept onder meer het belang van het beginsel van hoor en wederhoor en de mondelinge behandeling in het kader van de Italiaanse strafprocedure, alsook de uitzonderingen daarop bij de formaliteiten betreffende de bewijslevering. Het luidt als volgt9.:
‘De rechtspraak geschiedt in het kader van een eerlijke, bij wet geregelde procedure.
Elke procedure wordt tussen partijen gevoerd op tegenspraak, op voet van gelijkheid, voor een onpartijdige rechter. De redelijke duur ervan wordt wettelijk gewaarborgd.
In de strafprocedure waarborgt de wet dat een verdachte […] de mogelijkheid heeft om eenieder die verklaringen à charge aflegt, voor de rechter te ondervragen of te doen ondervragen […].
In de strafprocedure geldt ten aanzien van de bewijslevering het beginsel van hoor en wederhoor. […]
De gevallen waarin het bewijs niet in een contradictoire procedure wordt verkregen, omdat de verdachte dit wenst, of vanwege het bewezen bestaan van een onmogelijkheid van objectieve aard, of als gevolg van een bewezen onwettig gedrag, worden bij wet geregeld.
[…]’
26.
Artikel 511 CPP, met als opschrift ‘Geoorloofde lezing’, bepaalt in de leden 1 en 2:
- ‘1.
Met het oog op de debatten beslist de rechter, in voorkomend geval ambtshalve, tot integrale of gedeeltelijke lezing van de processtukken.
- 2.
Over het lezen van de processen-verbaal van de getuigenverklaringen wordt pas beslist na verhoor van de getuige, tenzij geen verhoor plaatsvindt.’
27.
Artikel 525 CPP, met als opschrift ‘Onmiddellijkheid van de beslissing’, bepaalt in leden 1 en 2:
- ‘1.
Het vonnis wordt onmiddellijk na sluiting van de debatten gewezen.
- 2.
Aan de beraadslaging wordt, op straffe van absolute nietigheid, deelgenomen door dezelfde rechters als de rechters die aan de terechtzitting hebben deelgenomen. […]’
III. Hoofdgeding en prejudiciële vraag
28.
Tegen Gambino en Hyka is voor de Tribunale di Bari in eerste aanleg een strafprocedure ingesteld wegens witwassen van geld en oplichting. Een van de slachtoffers heeft zich civiele partij gesteld en verzocht om vergoeding van de schade die Gambino met de oplichting heeft veroorzaakt.
29.
De slachtoffers van deze misdrijven werden als getuigen ter terechtzitting van 14 april 2015 gehoord.
30.
Aangezien de samenstelling van de rechtsprekende formatie werd gewijzigd nadat één van de drie rechters werd vervangen, heeft Gambino in zijn hoedanigheid van verwerende partij ter terechtzitting van 21 februari 2017 op grond van de artikelen 511 en 525 CPP verzocht om de slachtoffers opnieuw te doen verhoren. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat deze partij niet heeft aangegeven over welke specifieke punten de slachtoffers in elk geval opnieuw dienden te worden verhoord.
31.
Zoals de verwijzende rechter opmerkt, bepaalt de Italiaanse wetgeving immers dat de mondelinge behandeling opnieuw plaatsvindt indien de samenstelling van de rechtsprekende formatie wordt gewijzigd, wat betekent dat de procedure wordt overgedaan en de getuigen opnieuw worden verhoord.10. Indien de rechter getuigenverklaringen toestaat, is lezing van de al afgelegde verklaringen derhalve slechts mogelijk indien alle procespartijen daarmee instemmen.
32.
Dienaangaande heeft de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië) het volgende verklaard: ‘Indien de mondelinge behandeling opnieuw plaatsvindt omdat de alleensprekende rechter of een lid van het rechtscollege is vervangen, kan de voor de eerste rechter verkregen getuigenis niet door eenvoudige lezing voor de beslissing worden gebruikt zonder dat de getuige opnieuw wordt gehoord, indien de mogelijkheid daartoe bestaat en een van de partijen daarom verzoekt’.11.
33.
De verdediging heeft ter terechtzitting van 10 oktober 2017 nogmaals verzocht om de slachtoffers opnieuw te horen en bij die gelegenheid heeft het Pubblico Ministero (openbaar ministerie, Italië) gevraagd om een verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen. Een van de bronnen van bewijs die het openbaar ministerie verlangt om de schuld van de verdachten te kunnen vaststellen, is de getuigenis van de slachtoffers van de oplichting en de vraag in hoeverre die bruikbaar is.
34.
De verwijzende rechter deelt de twijfels van het openbaar ministerie over de verenigbaarheid van de bepalingen van artikel 511, lid 2, en artikel 525, lid 2, CPP, met richtlijn 2012/29.
35.
Waar de richtlijn vereist dat slachtoffers van strafbare feiten tijdens de strafprocedure een passende bescherming wordt gewaarborgd, hebben de Italiaanse bepalingen, op grond waarvan de verdediging zich tegen het gebruik van de processen-verbaal van de verklaringen mag verzetten en zodoende eisen dat de ondervragingen worden overgedaan, uiteindelijk niet alleen tot gevolg dat de slachtoffers extra psychologisch leed wordt berokkend, wat indruist tegen de doelstelling van richtlijn 2012/29, maar zij geven de verdachte ook de kans om het recht op een eerlijk proces te misbruiken om de duur van de procedure te rekken en zodoende het recht op schadevergoeding binnen een redelijke termijn teniet te doen. Dat de getuigenverklaringen opnieuw moeten worden afgelegd, is volgens de verwijzende rechter derhalve strijdig met de in het arrest van 16 juni 2005, Pupino12., door het Hof uitgesproken beginselen.
36.
De verwijzende rechter is van oordeel dat lezing van verklaringen die met inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor in het openbaar zijn afgelegd voor een onpartijdige rechter, geenszins afbreuk doet aan het recht van verdachten op een eerlijk proces. Hij wijst erop dat het hoe dan ook noodzakelijk is het evenredigheidsbeginsel toe te passen en derhalve een afweging te maken tussen de noodzakelijke eerbiediging van de menselijke waardigheid van het slachtoffer, zoals vereist door richtlijn 2012/29, en het vereiste van naleving van het in artikel 47 van het Handvest en artikel 6 EVRM vastgelegde recht op een eerlijk proces.
37.
Daarom heeft de Tribunale di Bari de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moeten de artikelen 16 en 18 en artikel 20, onder b), van richtlijn 2012/29 aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat het slachtoffer na vervanging van een rechter opnieuw moet worden gehoord indien een van de procespartijen overeenkomstig artikel 511, lid 2, en artikel 525, lid 2, CPP (in de vaste uitlegging die daaraan wordt gegeven in de rechtspraak van de hogere rechters) niet instemt met lezing van de verklaringen die dit slachtoffer, met inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor, in dezelfde procedure reeds voor een andere rechter heeft afgelegd?’
IV. Opmerkingen vooraf
38.
Alvorens de prejudiciële vraag te onderzoeken, zijn enkele voorafgaande opmerkingen op hun plaats.
39.
Ten eerste blijkt uit de verwijzingsbeslissing duidelijk dat het slachtoffer in het kader van het hoofdgeding verzocht wordt om als getuige à charge deel te nemen aan de strafprocedure tegen Gambino en Hyka. De Tribunale di Bari geeft echter niet aan of deze getuigenverklaring bepalend is om de schuld of onschuld van de verdachten vast te stellen. De rechtbank geeft evenmin aan of die getuige bijzonder kwetsbaar is. Wel kan ik uitsluiten dat het slachtoffer van deze oplichting een kind is.
40.
Ten tweede dient te worden onderstreept dat de strafprocedure in kwestie voor een rechterlijke instantie van eerste aanleg verloopt. Mijn conclusie beperkt zich dus tot de regels en beginselen die gelden voor het verhoor van getuigen in procedures van eerste aanleg, want indien in eerste aanleg reeds een openbare zitting heeft plaatsgehad, kan het achterwege blijven van openbare debatten in hoger beroep worden gerechtvaardigd door de specifieke kenmerken van de betrokken procedure, gelet op de aard van de nationale beroepsprocedure, de reikwijdte van de bevoegdheden van de appelrechter in het nationale rechtsstelsel en de aard van de zaken die hij diende te beslechten.
41.
Ten derde noopt de vraag die de Tribunale di Bari stelt, er mij ten slotte toe te herinneren aan de aard van de Italiaanse strafprocedure13. en de hiervoor geldende beginselen. Traditioneel wordt voor een goed begrip van de organisatie van de rechtspraak in strafzaken en de plaats van de verschillende actoren in het kader van de strafrechtspraak, een onderscheid gemaakt tussen twee procedurele en institutionele modellen: het accusatoir model en het inquisitoir model.
42.
Artikel 111 van de Italiaanse grondwet legt de grondbeginselen van een accusatoir proces vast, onder meer het beginsel van mondelinge behandeling. Dit artikel bepaalt dat ‘[in] de strafprocedure […] de wet [waarborgt] dat een verdachte […] de mogelijkheid heeft om eenieder die verklaringen à charge aflegt, voor de rechter te ondervragen of te doen ondervragen’ en dat ‘[in] de strafprocedure […] ten aanzien van de bewijslevering het beginsel van hoor en wederhoor [geldt]’.
43.
In het Italiaanse strafrecht wordt in artikel 525 CPP, zoals de verwijzende rechter in zijn verwijzingsbeslissing aanstipt, het onmiddellijkheidsbeginsel zowel in temporele als in ruimtelijke zin vastgelegd.
44.
Voor zover het onmiddellijkheidsbeginsel wordt begrepen als het beginsel van rechtstreekse en onmiddellijke kennis van de zaak, valt dit onder de beginselen van mondelinge behandeling en onvervangbaarheid van de rechter.
45.
Het Hof heeft zich nog niet uitgesproken over de draagwijdte van die beginselen. Alleen advocaat-generaal Léger heeft de contouren ervan aangegeven, in zijn conclusie in de zaak Baustahlgewebe/Commissie.14. Die beginselen, zoals die in de nationale rechtsorden zijn gewaarborgd, zijn beginselen met vele facetten.
46.
In ruime zin wordt onder de beginselen van mondelinge behandeling en onvervangbaarheid van de rechter ook het rechtstreekse karakter van de gerechtelijke procedure verstaan, inhoudende dat de rechter persoonlijk en rechtstreeks contact met alle betrokkenen in het strafproces moet hebben: partijen, getuigen, deskundigen, advocaten van partijen en het openbaar ministerie.15.
47.
In het Franse strafrecht impliceren die beginselen dat rechtsprekende rechters in beginsel hun opvatting moeten steunen op de bewijzen die mondeling en rechtstreeks voor hen worden verstrekt, met andere woorden, zij moeten hun beslissing baseren op wat zij horen (of zien) tijdens de terechtzitting, niet op de schriftelijke stukken uit het politie- of onderzoeksdossier.16.
48.
Het beginsel van mondelinge behandeling veronderstelt dat een rechter uitspraak doet, niet louter op basis van een dossier, maar na persoonlijk en menselijk contact met de daders en getuigen van het strafbare feit, wat met name betekent dat de getuigen, ongeacht of zij tijdens het onderzoek een getuigenis hebben afgelegd, mondeling worden gehoord.17. Wat de getuigenis betreft, is de bewijsvoering niet alleen noodzakelijk vanwege de inhoud ervan, maar indien het gedrag van de getuige bepalend is voor de uitspraak, ook vanuit het oogpunt van de wijze waarop wordt getuigd en de indruk die wordt nagelaten.
49.
Dit beginsel is een toepassing van het beginsel van hoor en wederhoor, dat vereist dat de partijen hun standpunten betreffende de aan de rechtsprekende formatie overgelegde bewijselementen ter openbare terechtzitting hebben kunnen uitwisselen. Indien de beschuldiging volledig of deels op een getuigenis steunt, kan een op tegenspraak gevoerd debat pas ten volle verhelderend zijn indien op grond daarvan kan worden uitgemaakt in hoeverre de getuige geloofwaardig en zijn getuigenis derhalve deugdelijk is.18. Wanneer de samenstelling van de rechtsprekende formatie wordt gewijzigd, vereist naleving van deze beginselen dan ook dat de getuige door de anders samengestelde gerechtelijke formatie opnieuw wordt ondervraagd, zeker indien de getuigenis een essentieel en doorslaggevend bewijs vormt, waarvan de bewijskracht afhangt van de indruk die de getuige nalaat.
50.
Het onmiddellijkheidbeginsel geeft de eisen van het beginsel van mondelinge behandeling perfect weer. Het eerste beginsel vertoont twee aspecten, een temporeel en een ruimtelijk aspect, die in casu in artikel 525 CPP tot uitdrukking komen.
51.
Onmiddellijkheid in de tijd heeft eerder te maken met redelijke termijn. Zij vereist van rechterlijke instanties dat zij binnen een redelijke termijn uitspraak doen, om te vermijden dat in de geest van de rechter herinneringen zijn vervaagd, wegens de tijd die er tussen de terechtzitting en het arrest is verstreken.19. Schending van dat beginsel heeft geen invloed op de uiteindelijke oplossing.
52.
Onmiddellijkheid in de ruimte, waarmee wordt bedoeld dat de rechter geen tussenpersoon tussen hemzelf en de justitiabele of diens vertegenwoordiger kan instellen, onderstelt dat een rechter die niet bij de mondelinge behandeling aanwezig is geweest, niet mag deelnemen aan de berechting van de zaak.20. In een uitspraak die in strijd met dit beginsel is gewezen kunnen essentiële aspecten van de zaak over het hoofd worden gezien. Artikel 32, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bepaalt dat ‘[w]anneer een pleitzitting heeft plaatsgevonden, […] alleen de rechters die daaraan hebben deelgenomen […] aan de beraadslaging deel[nemen]’. In het hoofdgeding komt dit beginsel tot uitdrukking in artikel 525, lid 2, CPP, waarin is bepaald dat ‘[aan] de beraadslaging wordt […] deelgenomen door dezelfde rechters als de rechters die aan de terechtzitting hebben deelgenomen.’ In zijn verwijzingsbeslissing wijst de Tribunale di Bari erop dat, ingevolge dit beginsel, de rechters die zich uitspreken over de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte dezelfde moeten zijn als de rechters die bij de bewijsvoering aanwezig zijn geweest.
53.
Daarover gaat de prejudiciële vraag.
V. Bespreking
54.
Met zijn vraag wenst de Tribunale di Bari in wezen na te gaan of bij wijziging in de samenstelling van de rechtsprekende formatie in eerste aanleg waarvoor het slachtoffer van strafbare feiten als getuige à charge is gehoord, de artikelen 16 en 18 en artikel 20, onder b) van richtlijn 2012/29 in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling die in een rechtsstelsel zoals in casu voorziet in een procedureregel op grond waarvan een verdachte zich tegen de lezing van de processen-verbaal van de ondervraging van het slachtoffer voor een anders samengestelde rechtsprekende formatie kan verzetten en zodoende eisen dat die ondervraging wordt overgedaan.
55.
In een situatie zoals in casu is het antwoord op deze vraag duidelijk ontkennend.
56.
Aangezien het slachtoffer van de strafbare feiten in kwestie geen kind is, blijkt uit de bewoordingen en de opzet van richtlijn 2012/29 duidelijk dat geen van de daarin vastgestelde algemene of bijzondere beschermingsmaatregelen de lidstaten ertoe verplicht om een slachtoffer, bij wijziging in de samenstelling van de rechtsprekende formatie waarvoor het is gehoord, van een nieuw verhoor vrij te stellen. Uit de beginselen van mondelinge behandeling en onvervangbaarheid van de rechter, begrepen als beginsel van de rechtstreekse en onmiddellijke kennis van de zaak, volgt dat de rechter die in het kader van een strafprocedure over de schuldvraag van de verdachte uitspraak moet doen, in beginsel dezelfde moet zijn als de rechter voor wie de getuige is verhoord. Dit moet er voor zorgen dat het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest en de rechten van de verdediging in de zin van artikel 48, lid 2, van het Handvest in acht worden genomen.
57.
Het Hof heeft weliswaar nog niet de gelegenheid gehad om zich uit te spreken over de draagwijdte van het beginsel van mondelinge behandeling en onvervangbaarheid van de rechter, maar uit de rijke rechtspraak die het EHRM hierover heeft ontwikkeld, blijkt dat dit hof van oordeel is dat ingeval de samenstelling van een rechterlijke instantie na het verhoor van een kroongetuige wordt gewijzigd, die getuige als gevolg daarvan in beginsel opnieuw moet worden verhoord.
58.
Die argumenten zal ik thans één voor één in het eerste gedeelte van mijn uiteenzetting bespreken. Het tweede gedeelte is gewijd aan de regels in verband met de schadevergoeding van het slachtoffer van strafbare feiten en is beknopter, want dit raakt de kern van de onderhavige zaak niet.
A. Regels over de bescherming van slachtoffers tijdens hun verhoor in een strafprocedure
1. Bepalingen van hoofdstuk 4 van richtlijn 2012/29
59.
Hoofdstuk 4 van richtlijn 2012/29 draagt als opschrift: ‘Bescherming van slachtoffers en erkenning van slachtoffers met specifieke beschermingsbehoeften’.
60.
In hoofdstuk 4 van richtlijn 2012/29 is artikel 18, waarvan hier om uitlegging wordt verzocht, een inleidende bepaling waarin het algemene beginsel is vastgelegd dat een slachtoffer van strafbare feiten tijdens zijn verhoor of getuigenis bescherming moet krijgen, op voorwaarde, evenwel, dat de rechten van verdediging van de vermeende dader worden geëerbiedigd.
61.
In overeenstemming met deze bepaling dienen de lidstaten maatregelen te treffen om bij ondervraging of verhoor van slachtoffers als getuige, hen te beschermen tegen aantasting van hun waardigheid, tegen secundaire en herhaalde victimisatie, intimidatie en vergelding, hetzij door het gedrag van de dader, hetzij als gevolg van de deelname van het slachtoffer aan de strafprocedure.
62.
Dit recht vereist een arsenaal aan middelen — volgens de Uniewetgever ‘zoveel mogelijk’21.. Met uitzondering van de beschermingsmaatregelen voor kindslachtoffers verplicht echter geen van de algemene of bijzondere maatregelen uit richtlijn 2012/29 de lidstaten ertoe om een slachtoffer, bij wijziging in de samenstelling van de rechtsprekende formatie, van een nieuw verhoor als getuige in een strafprocedure vrij te stellen.
a) Aard van de beschermingsregels voor slachtoffers tijdens hun verhoor
63.
De artikelen 19 tot en met 24 van richtlijn 2012/29 handelen over de beschermingsmaatregelen voor slachtoffers van strafbare feiten
64.
De artikelen 19 tot en met 22 van deze richtlijnen bevatten algemene beschermingsmaatregelen.22. Zoals het Hof in zijn arrest van 15 september 2011, Gueye en Salmerón Sánchez23., opmerkt, gaat het om preventieve en praktische beschermingsmaatregelen die ertoe strekken te verzekeren dat het slachtoffer op adequate wijze deel kan nemen aan de strafprocedure zonder dat deze deelname in gevaar wordt gebracht door de risico's voor zijn veiligheid en zijn persoonlijke levenssfeer24.. Het gaat dus om maatregelen die voor de hele strafprocedure gelden, waardoor contact tussen het slachtoffer en de dader kan worden vermeden in gebouwen waar de strafprocedure wordt gevoerd (artikel 19), en voor het slachtoffer het recht op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer wordt gewaarborgd (artikel 21).
65.
Het gaat ook om maatregelen die specifiek voor het strafrechtelijk onderzoek gelden. Zo bepaalt artikel 20, onder b), van richtlijn 2012/29 dat het aantal ondervragingen tot het minimum wordt beperkt en ondervraging alleen plaatsvindt als dat strikt noodzakelijk is met het oog op het strafrechtelijk onderzoek. Ofschoon de verwijzende rechter in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing uitdrukkelijk verwijst naar dit artikel om de wettigheid van de Italiaanse wettelijke regeling te betwisten, is deze bepaling, gelet op haar werkingssfeer, niet relevant. De Uniewetgever heeft hier weliswaar de maatregel uit het vroegere artikel 3, lid 2, van kaderbesluit 2001/220 overgenomen, door het aantal ondervragingen van slachtoffers te regelen, maar hij heeft er immers niettemin uitdrukkelijk voor gekozen de toepassing hiervan tot het strafrechtelijk onderzoek te beperken, met uitsluiting van de gerechtelijke procedure (wat voorheen niet het geval was), en te eisen dat in die fase de rechten van verdediging van de verdachte ten volle worden geëerbiedigd.
66.
Ten slotte, in overeenstemming met artikel 22 van richtlijn 2012/29 verplichten die algemene beschermingsmaatregelen de lidstaten tot een individuele beoordeling van slachtoffers om hun specifieke beschermingsbehoeften te bepalen. Enkel voor slachtoffers die naar aanleiding van die beoordeling als bijzonder kwetsbaar zijn erkend, zoals kinderen, slachtoffers van terrorisme of geweld in een hechte relatie, voorziet de Uniewetgever in artikel 23 van die richtlijn in specifieke beschermingsmaatregelen voor hun verhoor, en artikel 24 bepaalt dat die maatregelen een aanvulling zijn van de algemene beschermingsmaatregelen.
67.
Wat in het bijzonder de bepalingen van artikel 23 van deze richtlijn betreft, maakt de Uniewetgever een onderscheid tussen de maatregelen die specifiek voor verhoren van slachtoffers tijdens het strafrechtelijk onderzoek gelden en de maatregelen die tijdens de gerechtelijke procedure gelden. De eerstgenoemde maatregelen zijn, gelet op de context van het hoofdgeding, weliswaar niet relevant25., maar uit de tweede reeks maatregelen blijkt zeer duidelijk de wens van de Uniewetgever om het verloop van de strafprocedure niet in het gedrang te brengen en, meer bepaald, om geen geringer belang te gaan hechten aan de fase van het verhoor van het slachtoffer.
68.
Hoewel de Uniewetgever toestaat dat het slachtoffer ter zitting kan worden gehoord zonder daar aanwezig te zijn, met name door middel van geschikte communicatietechnologie, of achter gesloten deuren, moet immers worden vastgesteld dat hij — behalve indien het slachtoffer een kind is26. — niet voorziet in een beperking van het aantal ondervragingen in die fase van het strafproces, zelfs niet ingeval het slachtoffer, gelet op zijn kwetsbaarheid, behoefte heeft aan specifieke bescherming, omdat ‘het slachtoffer zelf of een derde schade kan lijden of afbreuk kan worden gedaan aan de rechtsgang, indien [geen ondervraging plaatsvindt]’27..
69.
Uit het onderzoek van de bewoordingen van artikel 18 van richtlijn 2012/29 en de opzet van hoofdstuk 4 waarin die bepaling voorkomt, blijkt overduidelijk dat de Uniewetgever het aantal ondervragingen van een slachtoffer tijdens de gerechtelijke procedure niet heeft willen beperken in het kader van de algemene beschermingsmaatregelen en evenmin in het kader van de specifieke beschermingsmaatregelen voor de meest kwetsbare slachtoffers, behalve dan voor kindslachtoffers.
b) Reikwijdte van de beschermingsmaatregelen voor slachtoffers tijdens hun verhoor
70.
De hierboven vermelde beschermingsmaatregelen kunnen een beperkte reikwijdte hebben.
71.
Ten eerste blijkt uit de overwegingen 11 en 67 van richtlijn 2012/29 dat de regels inzake slachtofferbescherming minimumvoorschriften zijn, waardoor de lidstaten over een ruime beoordelingsmarge beschikken om te bepalen hoe die concreet ten uitvoer worden gelegd. Dit voorbehoud maakt het mogelijk om rekening te houden met de verschillen tussen nationale rechtsstelsels en inzonderheid met het mondelinge of schriftelijke verloop van een strafprocedure en de plaats van het slachtoffer in het strafproces.
72.
Ten tweede heeft de Uniewetgever in overweging 12 van richtlijn 2012/29, dus onmiddellijk na de historische context te hebben geschetst, meteen duidelijk gesteld dat ‘[d]e in deze richtlijn opgenomen rechten […] de rechten van de dader onverlet [laten]’. In overweging 66 van deze richtlijn wijst hij er bovendien op dat hierin de grondrechten en de in het Handvest erkende beginselen in acht worden genomen, inzonderheid het beginsel dat ernaar streeft het recht op een eerlijk proces te bevorderen.
73.
De Uniewetgever legt voor slachtoffers dus rechten vast waarvan de uitoefening geen afbreuk mag doen aan het recht op een eerlijk proces noch aan de rechten van verdediging van een verdachte, die in artikel 47, tweede alinea, respectievelijk artikel 48, lid 2, van het Handvest zijn opgenomen.
74.
Uit de bewoordingen van artikel 18 van richtlijn 2012/29 maar ook uit de bewoordingen van alle bepalingen van hoofdstuk 4 van die richtlijn, blijkt overigens heel duidelijk dat de lidstaten voor ondervraging van slachtoffers enkel beschermingsmaatregelen mogen treffen die de procedurerechten van verdachten in strafprocedures naar behoren beschermen.
75.
De Uniewetgever heeft dit voorbehoud gemaakt in de formulering van het recht op bescherming tijdens een verhoor in artikel 18 van deze richtlijn. In de daaropvolgende artikelen maakt hij hetzelfde voorbehoud. Aldus gelden maatregelen die tijdens de strafprocedure contact tussen slachtoffer en dader moeten vermijden ‘tenzij de strafprocedure dit contact vereist’ (artikel 19); gelden maatregelen om het aantal ondervragingen van het slachtoffer tot het minimum te beperken ‘[o]nverminderd de rechten van de verdediging en in overeenstemming met de regels inzake de beoordelingsvrijheid van de rechter’ (artikel 20), en enkel tijdens het strafrechtelijk onderzoek (artikel 21); moeten maatregelen die de persoonlijke levenssfeer moeten beschermen ‘altijd in overeenstemming zijn met het recht op een eerlijk proces’28., en zijn maatregelen in verband met ondervraging van de meest kwetsbare slachtoffers van toepassing ‘[o]nverminderd de rechten van de verdediging en in overeenstemming met de regels inzake de beoordelingsvrijheid van de rechter’29..
76.
Richtlijn 2012/29 verplicht de lidstaten ertoe slachtoffers tijdens hun ondervraging een hoog beschermingsniveau te waarborgen en biedt hun zelfs de mogelijkheid om de in deze richtlijn vastgelegde rechten uit te breiden om die bescherming nog te vergroten, maar zij mogen geen afbreuk doen aan de procedurele rechten van de verdachten.
77.
In de arresten van 16 juni 2005, Pupino(30), en 9 oktober 2008, Katz31., heeft het Hof er met betrekking tot de uitlegging van artikel 2 (‘Respect’ van de persoonlijke waardigheid van het slachtoffer en ‘Erkenning’ van de rechten en rechtmatige belangen van het slachtoffer), artikel 3 (‘Hoor en bewijslevering’) en artikel 8 (‘Recht op bescherming’) van kaderbesluit 2001/220 overigens aan herinnerd dat voornoemd besluit aldus moet worden uitgelegd dat de grondrechten worden geëerbiedigd, waaronder met name het rechtop een eerlijk proces, zoals neergelegd in artikel 6 EVRM32.. Volgens het Hof staat het derhalve aan de nationale rechter om ‘er inzonderheid op toe te zien dat de bewijsvoering in de strafprocedure, in haar geheel bezien, niet in strijd is met de vereisten van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, zoals uitgelegd door het [EHRM]’.33.
78.
Die rechtspraak is uiteraard van toepassing in het kader van de tenuitvoerlegging van richtlijn 2012/29.
79.
Ten derde is de reikwijdte van het voorbehoud omtrent de rechten van de verdediging des te belangrijker omdat in een strafprocedure de rol van een slachtoffer doorslaggevend is, bijvoorbeeld als getuige.
80.
In overweging 20 van richtlijn 2012/29 erkent de Uniewetgever inderdaad uitdrukkelijk dat de reikwijdte van de in deze richtlijn opgenomen rechten afhankelijk is van de rol van het slachtoffer in het strafrechtstelsel van iedere lidstaat, en met name van het antwoord op de vraag of het slachtoffer wettelijk verplicht is of wordt verzocht actief deel te nemen aan de strafprocedure, bijvoorbeeld als getuige.
81.
Na onderzoek van de bewoordingen en opzet van richtlijn 2012/29 kom ik tot de volgende conclusies.
82.
Behalve indien het slachtoffer een kind is, bevat richtlijn 2012/29 geen enkele bepaling die de lidstaten ertoe verplicht om bij wijziging in de samenstelling van de rechtsprekende formatie, slachtoffers, ook de meest kwetsbare, van een nieuw verhoor in de loop van de strafprocedure vrij te stellen.
83.
In die omstandigheden is een nationale wettelijke regeling die in een rechtsstelsel zoals dat aan de orde in het hoofdgeding, voorziet in een procedureregel op grond waarvan de verdachte zich bij wijziging in de samenstelling van de rechtsprekende formatie, kan verzetten tegen lezing van de processen-verbaal van ondervraging van het slachtoffer en zodoende eisen dat deze ondervraging wordt overgedaan, niet strijdig met de bepalingen van richtlijn 2012/29 en valt zij binnen de beoordelingsmarge waarover de lidstaat beschikt.
84.
Die wettelijke regeling lijkt de rechten van de verdediging en het recht op een eerlijk proces te kunnen waarborgen, die in een accusatoir rechtsstelsel inhouden dat een rechter die zich moet uitspreken over schuld of onschuld van een verdachte, in beginsel dezelfde rechter is voor wie de getuige is verhoord. Dit volgt uit de beginselen van mondelinge behandeling en onvervangbaarheid van de rechter, waarvan ik hierboven de draagwijdte heb toegelicht. In een rechtsstelsel zoals in casu impliceert naleving van voornoemde rechten en beginselen, ingeval de enige rechter is vervangen of de samenstelling van het rechtscollege is gewijzigd voordat vonnis is gewezen, in beginsel dan ook dat de getuige opnieuw wordt verhoord.
85.
Die conclusie vergt echter enige nuancering.
86.
Ten eerste mag deze wettelijke regeling, zoals gezegd, lidstaten niet ontslaan van de individuele beoordeling die zij krachtens artikel 22 van richtlijn 2012/29 moeten verrichten om te bepalen welke specifieke beschermingsbehoeften een slachtoffer heeft en, in voorkomend geval, in welke mate waarin dit slachtoffer in aanmerking komt voor de in de artikelen 23 en 24 van deze richtlijn opgenomen specifieke beschermingsmaatregelen.34.
87.
Dienaangaande blijkt uit het arrest van 21 december 2011, X35., dat in het Italiaanse rechtsstelsel en onder voorbehoud van eventuele latere wetswijzigingen, de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten is gewaarborgd door verschillende bepalingen van de CPP, die met name voorzien in een behandeling achter gesloten deuren en de mogelijkheid om de maatregelen van artikel 398, lid 5 bis, CPP te nemen, indien dit voor de vereiste bescherming van personen noodzakelijk of wenselijk is36..
88.
Ten tweede herinner ik eraan dat richtlijn 2012/29 minimumvoorschriften oplegt. Zoals de Uniewetgever in overweging 11 van deze richtlijn uitdrukkelijk opmerkt, betekent dit dat ‘[d]e lidstaten […] de in deze richtlijn opgenomen rechten [mogen] uitbreiden teneinde in een hoger niveau van bescherming te voorzien’.
89.
Geen enkele bepaling van richtlijn 2012/29 verzet er zich dus tegen dat een lidstaat voor ondervraging van slachtoffers in een strafprocedure maatregelen met een hogere bescherming treft, op voorwaarde echter dat die geen afbreuk doen aan het eerlijke verloop van de procedure, zoals bedoeld in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest en evenmin aan de rechten van verdediging van de verdachte, zoals bedoeld in artikel 48, lid 2, van dit Handvest.
90.
Het Hof heeft weliswaar nog niet de gelegenheid gehad om zich uit te spreken over de geldende beginselen inzake naleving van die bepalingen en inzonderheid over de regels inzake het verhoor van getuigen in een strafprocedure, maar bij het EHRM zijn hierover talrijke geschillen aanhangig gemaakt, waarvan ik de beginselen kort wens te overlopen.
91.
Uit de toelichting bij het Handvest37. blijkt immers dat het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 47, tweede alinea, van het Handvest en de rechten van de verdediging zoals vastgelegd door artikel 48, lid 2, van het Handvest, corresponderen met artikel 6, lid 1 respectievelijk lid 3, EVRM. Zoals artikel 52, lid 3, van het Handvest bepaalt, zijn de inhoud en reikwijdte van deze rechten dezelfde als die welke er door het EVRM aan worden toegekend.
2. Rechtspraak van het EHRM inzake ondervraging van slachtoffers in een strafprocedure
92.
Artikel 6, lid 1, EVRM legt het recht op een eerlijk proces vast. Volgens lid 3, onder d), van dit artikel behelst dit recht inzonderheid het recht om ‘de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen’.
93.
Op grond van die bepalingen gaat het EHRM na of de strafprocedure, in haar geheel beschouwd en inzonderheid de wijze waarop het bewijs is aangedragen, eerlijk is verlopen.38. Bij dat onderzoek houdt het EHRM rekening met de aard van de te beslechten kwesties alsook met het nationale rechtsstelsel en met name met de specifieke kenmerken van de procedure, de aard en reikwijdte van de bevoegdheden van de nationale rechters. Zo is het EHRM van oordeel dat er in strafzaken in de regel een rechter in eerste aanleg moet zijn die ten volle beantwoordt aan de vereisten van artikel 6 EVRM en waarvoor een verdachte gerechtigd is te eisen om de getuigenverklaringen à charge te horen.39.
94.
Volgens het EHRM vereist naleving van artikel 6, leden 1 en 3, EVRM, dat alle stukken à charge ten overstaan van de verdachte ter terechtzitting worden overgelegd met het oog op een tegensprekelijk debat alvorens hij schuldig kan worden bevonden.40. Een eerlijk proces impliceert dus in beginsel dat wie over de schuld of onschuld van een verdachte uitspraak moet doen, de getuigen in persoon moet horen.41. Zo krijgt een verdachte de kans om tegenover de getuige à charge te staan en zijn getuigenis aan te vechten in aanwezigheid van de rechter, die in laatste instantie zijn vonnis moet wijzen. Dit is de concrete toepassing van het onmiddellijkheidbeginsel. Volgens het EHRM is dit beginsel in een strafprocedure een belangrijke waarborg, want op grond hiervan kan een rechter die uitspraak moet doen, oordelen in hoeverre de belastende verklaringen geloofwaardig en betrouwbaar zijn en dus of de beschuldigingen gegrond zijn, wat voor de verdachte beslissende gevolgen kan hebben.42. Het EHRM wijst op de complexiteit van die taak, die van de rechter vereist dat hij de bewijsmiddelen rechtstreeks kan beoordelen43., en waarvoor een loutere lezing van de processen-verbaal van de getuigenverklaringen niet kan volstaan44..
95.
In die omstandigheden is het EHRM van oordeel dat het onmiddellijkheidbeginsel vereist dat de rechters die bij de hele procedure waren betrokken en aanwezig waren toen de bewijsstukken werden ingediend, ook uitspraak moeten doen. Hieruit volgt volgens het EHRM dat, ‘wanneer na het verhoor van een beslissende getuige de samenstelling van een rechtbank wordt gewijzigd, […] die getuige normaal gesproken opnieuw [moet] worden verhoord.45.
96.
Het EHRM aanvaardt weliswaar uitzonderingen op het onmiddellijkheidbeginsel, op voorwaarde dat met de door de bodemrechters opgelegde maatregelen kan worden gewaarborgd dat de strafprocedure algemeen genomen eerlijk verloopt en de in artikel 6 EVRM gewaarborgde rechten worden nageleefd.46.
97.
In de eerste plaats is het EHRM, gelet op het feit dat het om administratieve of procedurele redenen voor een rechter soms onmogelijk is om ononderbroken bij een bepaalde zaak betrokken te blijven, van oordeel dat het onmiddellijkheidbeginsel er zich niet tegen verzet dat de samenstelling van een rechtsprekende formatie in de loop van het strafproces wordt gewijzigd, op voorwaarde dat de verdachte ‘naar behoren en voldoende’ in staat werd gesteld de getuigenissen à charge aan te vechten en de getuigen daarover te ondervragen, hetzij op het ogenblik waarop zij hun verklaring afleggen, hetzij later.47.
98.
Bij dit onderzoek gaat het EHRM na of naar aanleiding van het verhoor van de getuige twijfels zijn gerezen over zijn geloofwaardigheid, in welk geval het gebruik van de processen-verbaal van de getuigenissen niet volstaat om te waarborgen dat artikel 6 EVRM is nageleefd, en of dat verhoor in de beoordeling van de verdachte een doorslaggevend bewijs kan vormen, in welk geval het EHRM van oordeel is dat dit verhoor moet worden overgedaan.
99.
Als blijkt dat een veroordeling uitsluitend of grotendeels steunt op verklaringen van een getuige die de verdachte niet in de onderzoeksfase noch tijdens de debatten heeft kunnen ondervragen of laten ondervragen, zal het EHRM dan ook oordelen dat deze uitzondering op het onmiddellijkheidbeginsel niet verenigbaar is met de waarborgen van artikel 6 EVRM.
100.
In de zaak die heeft geleid tot het arrest van 2 december 2014, Cutean tegen Roemenië48., heeft het EHRM geoordeeld dat artikel 6, leden 1 en 3, EVRM waren geschonden, omdat het gebrek aan onmiddellijkheid van de procedure niet wordt goedgemaakt door het gebruik van de processen-verbaal van de getuigenverklaringen. Ondanks het feit dat er om objectieve procedurele redenen op een nieuwe rechtsprekende formatie een beroep werd gedaan, heeft het EHRM immers vastgesteld dat in die nieuw samengestelde rechtsprekende formatie niemand zetelde van het oorspronkelijke college van rechters voor wie de verzoeker en de getuigen waren gehoord, dat de geloofwaardigheid van de getuigen uitdrukkelijk door de verzoeker werd aangevochten en dat de verklaringen van de getuigen doorslaggevend waren voor de veroordeling van de verzoeker.49.
101.
Het EHRM heeft in dezelfde zin uitspraak gedaan in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 7 maart 2017, Cerovšek en Božičnik tegen Slovenië.50. Het EHRM werd ook verzocht uitspraak te doen over de vraag of de strafprocedure tegen verzoekers eerlijk was verlopen, omdat de alleensprekende rechter na zijn uitspraak, waarbij hij de verzoekers schuldig aan diefstal had bevonden, met pensioen was gegaan zonder voordien zijn uitspraak te motiveren, met als gevolg dat twee rechters die niet bij het proces waren betrokken, drie jaar later een schriftelijk vonnis hebben gewezen. De veroordeling van verzoekers werd in hoger beroep bevestigd zonder dat ook maar één getuige opnieuw werd gehoord.
102.
In die zaak heeft het EHRM ook geoordeeld dat artikel 6, leden 1 en 3, EVRM was geschonden, aangezien overeenkomstig het onmiddellijkheidbeginsel in strafprocedures het observeren van het gedrag van getuigen en verzoekers door de rechter alsook zijn beoordeling van hun geloofwaardigheid, een belangrijke, zo niet beslissende rol hadden moeten spelen bij de vaststelling van de feiten waarop de rechter zijn veroordeling had gesteund. Met betrekking tot de reden waarom de samenstelling van de rechtsprekende formatie diende te worden gewijzigd, wees het EHRM erop dat de pensionering van de met de zaak belaste rechter niet kon worden beschouwd als een uitzonderlijke omstandigheid op grond waarvan mag worden afgeweken van de normale nationale procedure, aangezien de rechter ongetwijfeld vooraf moet hebben geweten op welke dag hij zou vertrekken. Het EHRM was dan ook van oordeel dat de bevoegde nationale autoriteiten maatregelen hadden kunnen treffen om ervoor te zorgen dat hetzij de betrokken rechter deze zaak zelf kon afhandelen, hetzij een andere magistraat vroeger in de procedure werd aangesteld. In elk geval was het EHRM van oordeel dat het onvermogen van de rechter om de veroordeling van verzoekers te motiveren, enkel kon worden ondervangen door een nieuw proces te gelasten, waarbij de appelrechter de zaak bijvoorbeeld zou terugverwijzen naar eerste aanleg voor een nieuwe terechtzitting.
103.
In de zaak die heeft geleid tot het arrest van 10 februari 2005, Graviano tegen Italië51., heeft het EHRM daarentegen geoordeeld dat de afwijzing van het verzoek van de verdachte om te verkrijgen dat de getuigen opnieuw zouden worden verhoord, niet in die mate afbreuk aan de rechten van de verdediging had gedaan, dat artikel 6, lid 1 en lid 3, onder d), EVRM was geschonden. In die zaak werd het EHRM verzocht te beoordelen of de strafprocedure tegen een verzoeker wegens moord en vermeende banden met de maffia, eerlijk was verlopen in de zin van die bepalingen, omdat één van de acht rechters van de kamer van het assisenhof was vervangen en de verzoeken van de verdachte om te verkrijgen dat de getuigen, onder wie maffia-spijtoptanten, opnieuw zouden worden gedagvaard, was afgewezen.
104.
In het kader van zijn onderzoek heeft het EHRM er, ten eerste, op gewezen dat de veroordeling van verzoeker op de verklaringen van verschillende getuigen steunde, ten tweede, dat door de vervanging van een van de rechters in de samenstelling van de rechtsprekende formatie, verzoeker niet het recht verloor om de betrokken getuigen te ondervragen, aangezien zij tijdens de openbare terechtzitting in aanwezigheid van verzoeker en zijn raadsman waren gehoord, die toen de gelegenheid hadden om hun de vragen te stellen die zij voor de verdediging nuttig achtten, ten derde, dat verzoeker niet had aangegeven in welk opzicht een nieuw verhoor nieuwe en relevante elementen had kunnen opleveren en, ten slotte, dat de zeven overige rechters bij de overlegging van alle bewijzen aanwezig waren. In die omstandigheden heeft het EHRM geoordeeld dat de afwezigheid van de plaatsvervangende rechter tijdens de zittingen waarop de betrokken getuigen waren ondervraagd, werd gecompenseerd door het feit dat die rechter de processen-verbaal van die hoorzittingen had kunnen lezen.52.
105.
In de tweede plaats aanvaardt het EHRM uitzonderingen op het onmiddellijkheidbeginsel wanneer het slachtoffer, om reden van zijn kwetsbaarheid, niet op het proces is verschenen en de rechtsprekende formatie voor de bewijsvoering op de processen-verbaal van zijn eerdere verklaringen steunt.
106.
Het EHRM maakt dan een afweging van de concurrerende belangen van de verdediging, het slachtoffer, de getuigen en het openbaar belang van een behoorlijke rechtspleging53. en gaat daarbij na of de rechten niet alleen van de verdediging maar ook van de slachtoffers en getuigen zoals vereist in acht zijn genomen54..
107.
Om na te gaan of de verdachte ‘naar behoren en voldoende’ in staat werd gesteld de getuigenissen à charge te betwisten en de getuigen daarover te ondervragen55., hanteert het EHRM drie criteria.56.
108.
Ten eerste gaat het EHRM na of er een ernstige en voldoende reden bestaat om te verantwoorden dat een getuige niet wordt gehoord, bijvoorbeeld wegens zijn overlijden57., zijn gezondheidstoestand, of omdat hij bijzonder kwetsbaar of bang is58..
109.
Ten tweede gaat het EHRM na of ondervraging van de getuige het enige of beslissende bewijs vormt waarop de veroordeling van de verdachte steunt. Indien de redenen waarom een getuige niet op het proces verschijnt, ernstig worden geacht, dan nog kunnen zij onvoldoende blijken op te wegen tegen het belang en het beslissende karakter van de ondervraging van een getuige voor het vaststellen van de schuld van de verdachte, en tegen hetgeen voor deze laatste op het spel staat.59.
110.
Zo heeft het EHRM, in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 18 juli 2013, Vronchenko tegen Estland60., waarin de rechtsprekende formatie weliswaar in het belang van het kind handelde met haar beslissing om het kind tijdens een openbare zitting niet opnieuw te ondervragen, en zowel de rechters als de verdediging tijdens de vertoning ter terechtzitting van de video-opname van zijn ondervraging konden zien hoe het slachtoffer zich gedroeg en zijn geloofwaardigheid konden beoordelen, geoordeeld dat die maatregelen, gelet op het belang van die getuigenis, niet volstonden om naleving van de rechten van de verdediging te waarborgen.61.
111.
Ten slotte gaat het EHRM ten derde na of er voldoende alternatieven, inzonderheid solide procedurele waarborgen, voorhanden zijn die het mogelijk maken de problemen te ondervangen die de verdediging ondervindt doordat de verklaringen van een afwezige getuige als bewijs worden toegelaten.
112.
In die context gaat het EHRM inzonderheid na of nog andere bewijzen zijn overgelegd die de verklaring van de getuige kunnen staven, zoals expertises in verband met de geloofwaardigheid van het slachtoffer. Het EHRM gaat ook na of de verdediging de kans heeft gekregen om de getuige in de onderzoeksfase te ondervragen en of het vertonen van een video-opname van het getuigenverhoor ter terechtzitting, de rechtbank, het openbaar ministerie en de verdediging in staat stelt het gedrag van de getuige te observeren en eigen mening te vormen over zijn betrouwbaarheid. Het EHRM houdt bovendien rekening met de wijze waarop de bodemrechters de verklaringen van een afwezige getuige hebben onderzocht en de redenen waarom zij die betrouwbaar hebben bevonden, met inachtneming van andere beschikbare bewijzen.(62)
113.
Uit dit onderzoek van de rechtspraak van het EHRM kunnen de volgende conclusies worden getrokken.
114.
Ik stel vast dat het EHRM uitgaat van het beginsel waarbij als regel geldt dat een bij de strafprocedure betrokken slachtoffer als getuige voor de rechtsprekende formatie die uitspraak moet doen, wordt ondervraagd. Dit beginsel stelt ook de Uniewetgever voorop in richtlijn 2012/29, want in geen enkele bepaling daarvan, behalve indien het om kindslachtoffers gaat, worden slachtoffers, ook de meest kwetsbare, van ondervraging tijdens een strafprocedure vrijgesteld of wordt het aantal ondervragingen beperkt.
115.
Het EHRM aanvaardt niettemin een aantal uitzonderingen op dit beginsel, waarbij per geval wordt beoordeeld of de procedure globaal beschouwd eerlijk is verlopen. Daarbij houdt het EHRM rekening met de kwetsbaarheid van het slachtoffer, maar ook met de plaats en het belang van zijn getuigenis in het kader van de strafprocedure. Met die omstandigheden dienen de lidstaten ook bij de tenuitvoerlegging van richtlijn 2012/29 rekening te houden. Misschien lijkt het EHRM aan slachtoffers een grotere bescherming te bieden, waar het toestaat dat zij rechtmatig van de verplichting om te verschijnen, worden vrijgesteld, maar wat richtlijn 2012/29 betreft, herinner ik eraan dat die slechts minimumvoorschriften oplegt. Zij verzet er zich niet tegen dat de lidstaten de hierin opgenomen rechten verruimen met de bedoeling bijzonder kwetsbare slachtoffers een hogere bescherming te bieden, door bijvoorbeeld toe te staan dat de processen-verbaal van hun verklaringen als bewijs worden gebruikt.
116.
Gelet op de rechtspraak van het EHRM is een afweging van alle betrokken belangen vereist, alvorens een dergelijke maatregel te nemen. In die context dienen de lidstaten vooral zorgvuldig te onderzoeken of de ondervraging van het slachtoffer beslissend kan zijn voor de veroordeling van de verdachte dan wel over de geloofwaardigheid van het slachtoffer twijfel kan doen rijzen, en er zich aan de hand van solide procedurele waarborgen van te vergewissen dat de bewijsvoering in het kader van de strafprocedure geen afbreuk doet aan het eerlijke verloop daarvan in de zin van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest en evenmin aan de rechten van de verdediging in de zin van artikel 48, lid 2, van dit Handvest.
117.
Gelet op al deze overwegingen geef ik het Hof in overweging om voor recht te verklaren dat artikel 18 van richtlijn 2012/29 zich niet verzet tegen een nationale wettelijke regeling die, in een rechtsstelsel zoals aan de orde in het hoofdgeding, voorziet in een procedureregel op grond waarvan de verdachte, bij wijziging in de samenstelling van de rechtsprekende formatie in eerste aanleg waarvoor het slachtoffer als getuige is verhoord, zich kan verzetten tegen lezing van de processen-verbaal van ondervraging van het slachtoffer en zodoende eisen dat die ondervraging wordt overgedaan, in het bijzonder wanneer het slachtoffer een kroongetuige is, wiens getuigenis doorslaggevend kan zijn om te bepalen of de verdachte onschuldig dan wel schuldig is.
118.
Ik ben bovendien van mening dat ingeval de verdachte op grond van die nationale wettelijke regeling eist dat het slachtoffer opnieuw wordt ondervraagd, de bevoegde nationale autoriteiten in overeenstemming met artikel 22 van richtlijn 2012/29 een individuele beoordeling dienen te verrichten om na te gaan welke de specifieke behoeften van het slachtoffer zijn en, in voorkomend geval, in hoeverre dit slachtoffer in aanmerking komt voor de specifieke beschermingsmaatregelen waarin is voorzien bij de artikelen 23 en 24 van deze richtlijn. In die omstandigheden ben ik van mening dat het aan de nationale rechter staat om er zich van te vergewissen dat die maatregelen niet afdoen aan een eerlijk verloop van de procedure, zoals bedoeld in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, en aan de rechten van de verdediging zoals bedoeld in artikel 48, lid 2, van dit Handvest.
119.
Ten slotte verzoek ik het Hof ook om duidelijk te stellen dat richtlijn 2012/29 er zich niet tegen verzet dat een lidstaat in verband met de ondervraging van slachtoffers in de loop van een strafprocedure maatregelen voor een hogere bescherming treft, mits die maatregelen geen afbreuk doen aan voornoemde grondrechten.
B. Reikwijdte van het recht op een beslissing inzake schadevergoeding van het slachtoffer binnen een redelijke termijn
120.
Volgens artikel 16 van richtlijn 2012/29 waarborgen de lidstaten het slachtoffer het recht om in de loop van de strafprocedure of in een andere gerechtelijke procedure, binnen een redelijke termijn een beslissing inzake schadevergoeding te verkrijgen.
121.
Gelet op de bewoordingen van die bepaling betoogt de Tribunale di Bari in zijn verwijzingsbeslissing dat de verdachte van de betrokken nationale wettelijke regeling misbruik zou kunnen maken om de zaak te vertragen, waardoor het tijdig herstel van de schade zoals vereist door artikel 16 van richtlijn 2012/29, onmogelijk wordt. De verwijzende rechter denkt zelfs aan een maneuver dat systematisch dreigt te worden gebruikt en uiteindelijk zou kunnen leiden tot verjaring van de procedure als gevolg van termijnverlengingen.
122.
Ik vind dit argument niet overtuigend.
123.
Krachtens artikel 47, tweede alinea, van het Handvest heeft eenieder daadwerkelijk recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn. Zoals eerder gezegd en in overeenstemming met artikel 52, lid 3, van het Handvest, zijn de inhoud en de reikwijdte van dit recht dezelfde als die welke er door artikel 6, lid 1, EVRM aan worden toegekend.
124.
Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt dat naleving van artikel 6, lid 1, EVRM in beginsel onderstelt dat alle fasen in een zowel burgerlijke als strafprocedure binnen een redelijke termijn afgehandeld moeten worden, met inbegrip van de fasen die op de beslissingen ten gronde volgen63., zoals de procedure inzake de proceskosten of de daadwerkelijke inning van een schuld.
125.
Nationale rechterlijke instanties kunnen rekening houden met vereisten als doeltreffendheid en proceseconomie, door te oordelen, bijvoorbeeld, dat het stelselmatig houden van debatten in de weg kan staan aan de bijzondere spoedeisendheid en de naleving van de redelijke termijn64., maar het EHRM wijst er toch op dat de snelheid van gerechtelijke procedures slechts één van de aspecten van het meer algemene beginsel van de goede rechtsbedeling vormt65. en dat ‘artikel 6[, lid 1, EVRM] in de eerste plaats de vrijwaring van de belangen van de verdediging en die van een goede rechtsbedeling [beoogt]’66..
126.
In het kader van het hoofdgeding kan het vereiste om binnen een redelijke termijn over de schadevergoeding van het slachtoffer uitspraak te doen, dan ook geen invloed hebben op de draagwijdte van het beginsel van mondelinge behandeling en het beginsel dat de rechter een directe en onmiddellijke kennis van de zaak heeft, wat voor hem onontbeerlijk is om een eigen overtuiging te vormen.
127.
De benadering die de Uniewetgever hanteert, sluit naadloos aan bij de beginselen die het EHRM heeft vastgelegd. Zoals eerder gezegd, blijkt uit overwegingen 12 en 66 van richtlijn 2012/29 dat de hierin opgenomen rechten, waaronder het recht op een beslissing inzake schadevergoeding binnen een redelijke termijn, de procedurele rechten van de dader onverlet laten, inzonderheid zijn rechten van verdediging en zijn recht op een eerlijk proces.67.
128.
Het recht dat artikel 16 van richtlijn 2012/29 aan het slachtoffer toekent, kan bijgevolg geen afbreuk doen aan het effectieve genot van de procedurele rechten die aan de verdachte zijn toegekend, inzonderheid in een situatie zoals in casu, waar de samenstelling van de rechtsprekende formatie waarvoor het slachtoffer is gehoord, als gevolg van de overplaatsing van een van de magistraten is gewijzigd of, met andere woorden, als gevolg van een niet aan hem toerekenbaar voorval in de loop van de gerechtelijke procedure. In een dergelijke situatie kan men van de verdachte bezwaarlijk eisen dat hij van zijn procedurele rechten afziet, met als argument dat de rechtsgang sneller dient te verlopen om binnen een redelijke termijn over de schadevergoeding van het slachtoffer uitspraak te kunnen doen.
129.
In de onderhavige zaak suggereert de verwijzende rechter dat de weigering van de verdachte om in de onderhavige zaak de processen-verbaal van ondervraging te gebruiken, mogelijk bedoeld is om met opzet het goede verloop van de strafprocedure te belemmeren. Een dergelijk risico valt uiteraard niet uit te sluiten. Tussen de eerste terechtzitting waarop het slachtoffer een eerste maal werd ondervraagd, 14 april 2015, en de tweede terechtzitting, 21 februari 2017, waarop de verdediging, nadat de samenstelling van de verwijzende rechtsprekende formatie was gewijzigd, vroeg om de ondervraging over te doen, zijn er echter bijna twee jaar verstreken. Gelet op de tijdspanne tussen beide terechtzittingen is het dus evenmin uitgesloten dat in de geest van beide rechters die bij de eerste ondervraging betrokken waren, de herinneringen misschien zijn vervaagd. In die omstandigheden en ook rekening houdend met het feit dat een van de drie rechters van de verwijzende rechterlijke instantie is vervangen, ben ik van mening dat de verwijzende rechter er vooral voor moet zorgen dat het onmiddellijkheidbeginsel zowel in temporele als ruimtelijke betekenis wordt toegepast en de grondrechten van de verdachte in acht worden genomen, door hem in staat te stellen om, in overeenstemming met het beginsel van hoor en wederhoor en in aanwezigheid van alle leden van de rechtsprekende formatie die uitspraak moet doen, de verklaringen te betwisten die tot zijn veroordeling kunnen leiden.
130.
Gelet op het voorgaande stel geef ik het Hof bijgevolg in overweging om voor recht te verklaren dat artikel 16 van richtlijn 2012/29 zich niet verzet tegen een nationale wettelijke regeling die, in een rechtsstelsel zoals aan de orde in het hoofdgeding, voorziet in een procedureregel op grond waarvan de verdachte, bij wijziging in de samenstelling van de rechtsprekende formatie in eerste aanleg waarvoor het slachtoffer als getuige is verhoord, zich kan verzetten tegen lezing van de processen-verbaal van ondervraging van het slachtoffer en zodoende eisen dat die ondervraging wordt overgedaan, in het bijzonder wanneer het slachtoffer een kroongetuige is, wiens getuigenis doorslaggevend kan zijn om te bepalen of de verdachte onschuldig dan wel schuldig is.
VI. Conclusie
131.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging, de door de Tribunale di Bari gestelde vraag te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
De artikelen 16 en 18 van richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad, dienen aldus te worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die, in een rechtsstelsel zoals aan de orde in het hoofdgeding, voorziet in een procedureregel op grond waarvan de verdachte, bij wijziging in de samenstelling van de rechtsprekende formatie in eerste aanleg waarvoor het slachtoffer als getuige is verhoord, zich kan verzetten tegen lezing van de processen-verbaal van ondervraging van het slachtoffer en zodoende eisen dat die ondervraging wordt overgedaan, in het bijzonder wanneer het slachtoffer een kroongetuige is, wiens getuigenis doorslaggevend kan zijn om te bepalen of de verdachte onschuldig dan wel schuldig is.
Ingeval de verdachte op grond van die nationale wettelijke regeling eist dat het slachtoffer opnieuw wordt ondervraagd, dienen de bevoegde nationale autoriteiten in overeenstemming met artikel 22 van richtlijn 2012/29 een individuele beoordeling te verrichten om na te gaan welke de specifieke behoeften van het slachtoffer zijn en, in voorkomend geval, in hoeverre dit slachtoffer in aanmerking komt voor de specifieke beschermingsmaatregelen waarin is voorzien bij de artikelen 23 en 24 van deze richtlijn. In die omstandigheden staat het aan de nationale rechter om er zich van te vergewissen dat die maatregelen niet afdoen aan een eerlijk verloop van de procedure, zoals bedoeld in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en aan de rechten van de verdediging zoals bedoeld in artikel 48, lid 2, van dit Handvest.
- 2)
Richtlijn 2012/29 verzet er zich niet tegen dat een lidstaat in verband met de ondervraging van slachtoffers in de loop van een strafprocedure maatregelen voor een hogere bescherming treft, mits die maatregelen geen afbreuk doen aan voornoemde grondrechten.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑03‑2019
Oorspronkelijke taal: Frans.
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van kaderbesluit 2001/220/JBZ (PB 2012, L 315, blz. 57).
C-105/03, EU:C:2005:386.
C-507/10, EU:C:2011:873. In dit arrest werd het Hof gevraagd naar de verenigbaarheid van de bepalingen van de CPP in verband met de incidentele procedure van vervroegde bewijsvoering of ‘bewijsincident’, met de artikelen 2, 3 en 8 van kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure (PB 2001, L 82, blz. 1).
Hierna: ‘Handvest’.
Ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: ‘EVRM’).
Zie overweging 4 van deze richtlijn.
Zie artikel 1, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2012/29.
Voetnoot niet relevant voor de Nederlandse versie.
De verwijzende rechter verwijst naar de artikelen 492 tot en met 495 CPP.
Arrest nr. 2 van 15 januari 1999 van de Corte suprema di cassazione, voltallige zitting van de strafkamers.
C-105/03, EU:C:2005:386.
Zie punten 19 tot en met 29 van de conclusie van advocaat-generaal Cruz Villalón in de zaak X (C-507/10, EU:C:2011:682), waarin uitgebreid wordt ingegaan op de aard van de Italiaanse strafprocedure en waarnaar ik verwijs.
C-185/95 P, EU:C:1998:37. Zie in het bijzonder de punten 80-83 van deze conclusie.
In strikte zin wordt onder deze beginselen verstaan, het recht van een partij om te worden gehoord tijdens een terechtzitting waarop zijzelf of haar vertegenwoordiger de mogelijkheid heeft zich te uiten en vragen van de rechters te beantwoorden. In sommige lidstaten hebben de gerechtelijke procedures een meer schriftelijk dan mondeling karakter, terwijl in andere lidstaten het omgekeerde geldt, maar feit is dat alle lidstaten het beginsel van mondelinge behandeling kennen.
Bouzat, P., en Pinatel, J., Traité de droit pénal et de criminologie, deel II, 2e druk, Dalloz, Parijs, 1970, punt 1336.
Bouzat, P., en Pinatel, J., op. cit., punt 1336.
Desportes, F., en Lazergues-Cousquer, L., Traité de procédure pénale, 3e druk, Economica, Parijs, 2013, punten 609-611.
In zijn verwijzingsbeslissing wijst de Tribunale di Bari er uitdrukkelijk op dat artikel 525, lid 1, CPP het onmiddellijkheidsbeginsel in temporele zin vastlegt (‘[d]e beraadslaging vindt onmiddellijk na de sluiting van de mondelinge behandeling plaats’).
Zie de conclusie van advocaat-generaal Léger in de zaak Baustahlgewebe/Commissie (C-185/95 P, EU:C:1998:37, punt 83).
Zie overweging 53 van richtlijn 2012/29.
Het doel van deze maatregelen wordt in de overwegingen 53 en 54 van richtlijn 2012/29 duidelijk uiteengezet.
C-483/09 en C-1/10, EU:C:2011:583.
Punt 64 van dat arrest, waarin het gaat over de uitlegging van artikel 8, leden 2 tot en met 4, van kaderbesluit 2001/220.
Volgens artikel 23, lid 2, van richtlijn 2012/29 strekken de maatregelen tijdens het strafrechtelijk onderzoek ertoe slachtoffers het recht te waarborgen om te worden ondervraagd in een daarvoor ontworpen ruimte, door steeds dezelfde personen, tenzij dit indruist tegen de goede rechtsbedeling, die daarvoor professioneel zijn opgeleid en indien het slachtoffer dat wenst, van hetzelfde geslacht zijn als het slachtoffer, ‘mits dit geen afbreuk doet aan het verloop van de strafprocedure’. In de context van het hoofdgeding zijn deze maatregelen niet relevant, aangezien zij niet voor de gerechtelijke procedure gelden.
Volgens artikel 24, lid 1, onder a), van richtlijn 2012/29 zorgen de lidstaten ervoor dat ‘tijdens het strafrechtelijk onderzoek […] van elke ondervraging van het kindslachtoffer een audiovisuele opname [mag] worden gemaakt, die in de strafprocedure als bewijs mag worden gebruikt’. Die bepaling sluit aan bij de rechtspraak van het Hof in een procedure betreffende het hoederecht over een kind, die stelt dat ‘[o]ok al heeft het kind een recht om te worden gehoord, […] dit dus niet een absolute verplichting [kan] uitmaken, maar […] in het licht van de noden in verband met het belang van het kind overeenkomstig artikel 24, lid 2, van het Handvest […] concreet [moet] worden beoordeeld’ [arrest van 22 december 2010, Aguirre Zarraga (C-491/10 PPU, EU:C:2010:828, punt 64)].
Artikel 23, lid 1, van richtlijn 2012/29.
Zie overweging 54 van richtlijn 2012/29.
Volgens overweging 58 van richtlijn 2012/29 ‘[moet] [d]e reikwijdte van deze maatregelen […] worden bepaald onverminderd de rechten van de verdediging’. Dat beginsel was al in artikel 2, lid 2, van kaderbesluit 2001/220 opgenomen.
C-404/07, EU:C:2008:553.
Zie arrest van 9 oktober 2008, Katz (C-404/07, EU:C:2008:553, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 9 oktober 2008, Katz (C-404/07, EU:C:2008:553, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het Hof neemt hier de vaste rechtspraak van het EHRM over, namelijk dat ‘de opdracht waarmee het EVRM het EHRM heeft belast, er niet in bestaat zich uit te spreken over de vraag of getuigenverklaringen op goede gronden als bewijs zijn aanvaard [dit valt onder de beoordelingsbevoegdheid van de nationale rechters], maar na te gaan of de procedure in haar geheel, met inbegrip van de wijze waarop bewijs is aangedragen, eerlijk is verlopen’ (zie EHRM, 10 februari 2005, Graviano tegen Italië, CE:ECHR:2005:0210JUD001007502, § 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie punt 66 van de onderhavige conclusie.
C-507/10, EU:C:2011:873.
Zie punt 40 van dit arrest.
PB 2007, C 303, blz. 17.
Zie EHRM, 10 februari 2005, Graviano tegen Italië (CE:ECHR:2005:0210JUD001007502, § 36).
EHRM, 23 november 2006, Jussila tegen Finland (CE:ECHR:2006:1123JUD007305301, § 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie EHRM, 5 december 2002, Craxi tegen Italië (CE:ECHR:2002:1205JUD003489697, § 85 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 14 juni 2005, Mayali tegen Frankrijk (CE:ECHR:2005:0614JUD006911601, § 31).
Zie EHRM, 29 juni 2017, Lorefice tegen Italië (CE:ECHR:2017:0629JUD006344613, § 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak); 10 oktober 2017, Daştan tegen Turkije (CE:ECHR:2017:1010JUD003727208, § 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 9 januari 2018, Ghincea tegen Roemenië (CE:ECHR:2018:0109JUD003667606, § 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie EHRM, 10 februari 2005, Graviano tegen Italië (CE:ECHR:2005:0210JUD001007502, § 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 5 maart 2013, Manolachi tegen Roemenië (CE:ECHR:2013:0305JUD003660504, §§ 48 en 49).
Zie EHRM, 29 juni 2017, Lorefice tegen Italië (CE:ECHR:2017:0629JUD006344613, § 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie EHRM, 29 juni 2017, Lorefice tegen Italië (CE:ECHR:2017:0629JUD006344613, § 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 9 januari 2018, Ghincea tegen Roemenië (CE:ECHR:2018:0109JUD003667606, § 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
EHRM, 10 februari 2005, Graviano tegen Italië (CE:ECHR:2005:0210JUD001007502, § 38), mijn cursivering.
EHRM, 19 december 2013, Rosin tegen Estland (CE:ECHR:2013:1219JUD002654008, §§ 59 en 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
EHRM, 10 februari 2005, Graviano tegen Italië (CE:ECHR:2005:0210JUD001007502, § 37).
CE:ECHR:2014:1202JUD005315012. In die zaak werd het EHRM verzocht uitspraak te doen over de vraag of de strafprocedure tegen de verzoeker eerlijk was verlopen, aangezien het oorspronkelijke college van rechters dat de zaak in eerste aanleg moest onderzoeken, was vervangen en geen enkele rechter van het college dat hem achteraf had veroordeeld, de verzoeker noch de getuigen rechtstreeks had verhoord, wat in beroep niet was rechtgezet.
§§ 60-73 van dit arrest.
CE:ECHR:2017:0307JUD006893912 (§§ 37-48).
CE:ECHR:2005:0210JUD001007502.
Zie EHRM, 10 februari 2005, Graviano tegen Italië (CE:ECHR:2005:0210JUD001007502, § 39).
Zie EHRM, 15 december 2011, Al-Khawaja en Tahery tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:2011:1215JUD002676605, § 146).
Zie EHRM, 15 december 2011, Al-Khawaja en Tahery tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:2011:1215JUD002676605, §§ 120 e.v.), en 15 december 2015, Schatschaschwili tegen Duitsland (CE:ECHR:2015:1215JUD000915410, § 101 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie EHRM, 10 februari 2005, Graviano tegen Italië (CE:ECHR:2005:0210JUD001007502, § 37).
Zie EHRM, 15 december 2015, Schatschaschwili tegen Duitsland (CE:ECHR:2015:1215JUD000915410, § 107 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie EHRM, 8 juni 2006, Bonev tegen Bulgarije (CE:ECHR:2006:0608JUD006001800, § 44).
Zie EHRM, 15 december 2011, Al-Khawaja en Tahery tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:2011:1215JUD002676605, §§ 121 en 122).
Zie in dit verband EHRM, 5 juli 2011, Dan tegen Moldavië (CE:ECHR:2011:0705JUD000899907, § 31); 15 december 2011, Al-Khawaja en Tahery tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:2011:1215JUD002676605, §§ 126 e.v.), en 29 juni 2017, Lorefice tegen Italië (CE:ECHR:2017:0629JUD006344613, § 41).
CE:ECHR:2013:0718JUD005963209. Arrest betreffende de afwezigheid ter terechtzitting van het minderjarige slachtoffer van een seksueel misdrijf ter bescherming van het welzijn van het kind. Zie ook EHRM, 19 december 2013, Rosin tegen Estland (CE:ECHR:2013:1219JUD002654008, §§ 57 en 60).
§ 65 van dit arrest. In zijn arrest van 15 december 2011, Al-Khawaja en Tahery tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:2011:1215JUD002676605, § 125), had het EHRM er al op gewezen dat ‘gelet op de mate waarin de afwezigheid van een getuige de rechten van verdediging schaadt, […] [a]lvorens een getuige te kunnen toestaan om niet te verschijnen omdat hij bang is om op het proces aanwezig te zijn, het volgens de rechter moet vaststaan dat alle andere mogelijkheden, zoals anonimisering of andere bijzondere maatregelen, ongeschikt of onmogelijk aan te wenden zijn’.
EHRM, 23 september 1997, Robins tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:1997:0923JUD002241093, § 28), en 21 april 1998, Estima Jorge tegen Portugal (CE:ECHR:1998:0421JUD002455094, § 45).
EHRM, 23 november 2006, Jussila tegen Finland (CE:ECHR:2006:1123JUD007305301, § 42).
EHRM, 12 oktober 1992, Boddaert tegen België (CE:ECHR:1992:1012JUD001291987, § 39).
EHRM, 21 november 1995, Acquaviva tegen Frankrijk (CE:ECHR:1995:1121JUD001924891, § 66).
Zie punt 72 van de onderhavige conclusie.