HR, 19-03-2013, nr. 11/05618
ECLI:NL:HR:2013:BZ4485, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-03-2013
- Zaaknummer
11/05618
- Conclusie
Mr. Aben
- LJN
BZ4485
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:BZ4485, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 19‑03‑2013; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSGR:2011:BR7023, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ4485
ECLI:NL:PHR:2013:BZ4485, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 22‑01‑2013
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2011:BR7023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ4485
- Vindplaatsen
Uitspraak 19‑03‑2013
Inhoudsindicatie
HR: 81.1 RO en strafvermindering i.v.m. overschrijding redelijke termijn.
19 maart 2013
Strafkamer
nr. S 11/05618
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 september 2011, nummer 22/002299-10, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.Y. Taekema, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van twaalf jaren.
4. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze elf jaren en negen maanden beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer B.C. de Savornin Lohman als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 19 maart 2013.
Conclusie 22‑01‑2013
Mr. Aben
Partij(en)
Nr. 11/05618
Mr. Aben
Zitting 22 januari 2013
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1.
Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 8 september 2011, de verdachte ter zake van: 1. "moord" en 4 andere feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaren. Voorts heeft het hof beslissingen genomen met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij, een en ander zoals in het arrest vermeld.
2.
Namens de verdachte heeft mr. K. Blonk, advocaat te Rotterdam, cassatie ingesteld. Mr. J.Y. Taekema, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.
3.1.
Het eerste middel klaagt over de motivering van de onder 1 bewezenverklaarde voorbedachte raad, en over de verwerping van het beroep op noodweer-/noodweerexces.
3.2.
De raadsvrouw van de verdachte heeft in hoger beroep vergelijkbare verweren gevoerd. Het hof heeft in een nadere bewijsoverweging uitgebreid en niet onbegrijpelijk uiteengezet dat en waarom het bedoelde verweren verwerpt. Hetgeen in hoger beroep en nu in cassatie wordt aangevoerd, komt erop neer dat de verdachte uit angst en ter zelfverdediging heeft gehandeld, en berust op een andere uitleg van de (gebezigde) bewijsmiddelen dan de interpretatie van het hof. Daargelaten dat die uitleg mijns inziens niet voor de hand ligt gelet op de door het hof vastgestelde gang van zaken, miskent de steller van het middel aldus dat de selectie en waardering van het bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter en in cassatie slechts op begrijpelijkheid kunnen worden getoetst. Aan die begrijpelijkheid doet niet af dat de verdediging het bewijsmateriaal anders waardeert of uitlegt.
3.3.
Het middel faalt.
4.1.
Het tweede middel behelst de klacht dat de redelijke termijn in de cassatiefase is geschonden.
4.2.
Namens de verdachte, die zich op dat moment in voorlopige hechtenis bevond voor de onderhavige zaak, is op 9 september 2011 cassatieberoep ingesteld. Terecht wijst de steller van het middel erop dat de stukken pas op 8 juni 2012 ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen. Dat betekent dat i.c. sprake is van een overschrijding van de inzendtermijn van zes maanden met een maand. Het middels is derhalve terecht voorgesteld. Ambtshalve merk ik voorts op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden ook in zoverre is overschreden. Een en ander dient volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad te leiden tot strafvermindering. Verder heb ik geen gronden aangetroffen die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.
5.
Het eerste middel kan met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden afgedaan. Het tweede middel slaagt.
6.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf in de mate als de Hoge Raad gepast acht en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden