Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes
Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/5.2.1:5.2.1 Ontwikkeling van het partijwezen
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/5.2.1
5.2.1 Ontwikkeling van het partijwezen
Documentgegevens:
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS947791:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Blom 1984, p. 30-32.
Elzinga 1982, p. 25. Niet iedereen was overigens kritisch: anderen, zoals Groen van Prinsterer en Buijs, zagen de meerwaarde van de politieke groeperingen wel, omdat ze geordende samenwerking tussen regering en parlement mogelijk maakten.
Elzinga 1982, p. 27-28.
Cursivering LT. Zie Staatscommissie-Oppenheim 1914, p. 3-4; Boogaard 2018, p. 244.
Elzinga 1982, p. 31.
Albrecht 1960, p. 18.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De ontwikkeling van de politieke partij kwam in Nederland slechts mondjesmaat op gang. Het met de grondwetsherziening van 1848 geïntroduceerde directe kiesrecht kende geen officiële kandidaatstellingsprocedure, zodat de kiezer in feite helemaal zelf bepaalde op wie hij zijn stem uitbracht. Om in dit proces toch enige structuur te scheppen begonnen zich kiesverenigingen te ontwikkelen, die zich erop toelegden personen te selecteren die een zeker aanzien genoten en die, indien gekozen, bereid zouden zijn een zetel te aanvaarden.1 Deze kiesverenigingen waren betrekkelijk losse groeperingen, die nog niet noodzakelijkerwijs een bepaalde politieke stroming vertegenwoordigden. De opkomst van deze verenigingen werd, bijvoorbeeld door Thorbecke, met een zekere scepsis bekeken, nu hun bestaan zich moeilijk verhield met de op dat moment gangbare representatiegedachte. Het was immers aan de kiezer om een geschikte volksvertegenwoordiger aan te wijzen, die vervolgens, op grond van zijn vrije mandaat, naar eigen inzicht en geweten zou deelnemen aan de besluitvorming. Enigerlei invloed van politieke groeperingen zou die onafhankelijkheid van de Kamerleden onder druk kunnen zetten, zo was de gedachte.2
Door het op dat moment vigerende meerderheidsstelsel in districten en de relatief kleine groep van kiesgerechtigden was de invloed van de kiesverenigingen aanvankelijk slechts beperkt. Naarmate echter de groep kiesgerechtigden groter werd en bovendien de verzuiling intrad, werden de partijorganisaties hechter en gingen zij zich op landelijk niveau en naar hun politieke opvattingen organiseren.3 Met die landelijke organisatie groeide vanzelfsprekend ook de invloed op de kandidaatstelling bij de verkiezingen, en daardoor op de samenstelling van de volksvertegenwoordiging. De eerste politieke partij die zich daadwerkelijk landelijk organiseerde – de Anti-Revolutionaire Partij, onder leiding van Abraham Kuyper – werd in 1879 opgericht, in navolging waarvan ook andere landelijke partijen het levenslicht zagen. De definitieve vestiging en erkenning van het partijwezen volgde echter pas op de invoering van het kiesstelsel van evenredige vertegenwoordiging in 1917. Tekenend daarvoor is het door de Staatscommissie-Oppenheim geformuleerde doel van een kiesstelsel op basis van evenredige vertegenwoordiging, namelijk ‘[v]oor alle politieke partijen, juister gezegd, voor alle groepen waarin de kiezers zich indelen, éénzelfde verhouding in het leven te roepen tussen het aantal stemmen dat de partij of groep heeft uitgebracht en het aantal zetels dat zij zal innemen in het vertegenwoordigend lichaam’.4
Zoals in het vorige hoofdstuk al werd besproken, hield de overgang naar een stelsel van evenredige vertegenwoordiging de afschaffing van de tot dan toe gehanteerde kiesdistricten in. Vanaf dat moment kon Nederland als één groot kiesdistrict beschouwd worden. Waar partijen zich voorheen nog op een of meerdere kiesdistricten toe konden leggen, waren zij nu genoodzaakt om zich landelijk te gaan organiseren.5 Naast de afschaffing van de kiesdistricten speelde ook de keuze voor een lijsten- in plaats van een personenstelsel een rol in de groeiende invloed van politieke partijen.6 Deze keuze betekende dat de kiezersgroepering die een lijst indiende – in de praktijk steeds de politieke partij – de volgorde bepaalde van de kandidaten op de lijst en daarmee grote invloed had op wie er uiteindelijk in de volksvertegenwoordiging plaatsnam.