De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/1.3.2:1.3.2 Voorbehoud ten aanzien van de bevindingen in dit onderzoek
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/1.3.2
1.3.2 Voorbehoud ten aanzien van de bevindingen in dit onderzoek
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS372073:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit onderzoek is verricht op basis van beperkte gegevens. Dat heeft verschillende oorzaken.
Het aantal mogelijke (onmiddellijke) voorzieningen en de (potentiële) rechtsgevolgen is groot. Veel van deze mogelijkheden hebben zich slechts een paar keer voorgedaan in de rechtspraak. Een ander deel van de mogelijkheden is nog nooit in de praktijk toegepast.
Het aantal enquêtebeschikkingen dat de ondernemingskamer wijst, is namelijk gering ten opzichte van het aantal hofuitspraken in gewone civiele geschillen. Daarnaast wordt dikwijls geen cassatie ingesteld tegen enquêtebeschikkingen. Ieder jaar is slechts sprake van een handjevol van dergelijke cassatieberoepen. Slechts een deel van deze enquêtebeschikkingen ziet op (onmiddellijke) voorzieningen. En veel van de beschikkingen van de Hoge Raad over (onmiddellijke) voorzieningen behelzen een herhaling van eerdere rechtspraak.
Binnen de enquêterechtspraak van de ondernemingskamer krijgen(onmiddellijke) voorzieningen relatief weinig aandacht. Illustratief dienaangaande zijn de beschikkingen van de ondernemingskamer waarin (onmiddellijke) voorzieningen letterlijk als laatste aan bod komen. Eerst wordt stilgestaan bij het verloop van de procedure, de feiten en eventuele bewijsrechtelijke perikelen, dan volgt de beoordeling van het beleid en de vraag of er noodzaak is om in te grijpen. Pas daarna volgen de (onmiddellijke) voorzieningen, maar de fut lijkt er dan al uit te zijn. Veelal betreft het niet meer dan een of twee korte zinnen waarin de (onmiddellijke) voorzieningen worden benoemd, maar deze worden zelden verder toegelicht. In mijn ervaring is dat met de processtukken die partijen wisselen veelal niet anders.
Ook de literatuur vertoont dit beeld. Er is veel aandacht voor procedurele kwesties en de vraag wanneer er reden is tot ingrijpen en minder voor hoe kan worden ingegrepen en wat de gevolgen daarvan zijn. Daarnaast ligt in de literatuur de nadruk op de beschikbare rechtspraak, terwijl die niet overvloedig is.
Ook de wetsgeschiedenis met betrekking tot (onmiddellijke) voorzieningen is vrij summier, waarover meer in hoofdstuk 3.
In dit onderzoek is getracht om rekening te houden met deze omstandigheid. Dat neemt niet weg dat soms conclusies worden getrokken op basis van beperkte bronnen, zoals een enkele uitspraak van de ondernemingskamer. De lezer zij gewaarschuwd om te veel te leunen op dergelijke conclusies.