Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/5.10
5.10 Verplicht intern uitkeringenregister stichtingen
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633473:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor deze inwerkingtredingsdatum het Besluit van 3 juli 2020 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van vennootschappen en andere juridische entiteiten, sub 1, Stb. 2020, 232.
Kamerstukken I 2019/20, 35179, C, p. 15-17; Kamerstukken II 2019/20, 35179, nr. 3, p. 44.
Kamerstukken I 2019/20, 35179, C, p. 15, 16, 27; Kamerstukken II 2019/20 35179, nr. 6, vraag 79, p. 34, 35; Kamerstukken II 2019/20, 35179, nr. 3, p. 44.
Kamerstukken II 2019/20, 35179, nr. 3, p. 44, 45; Kamerstukken II 2019/20 35179, nr. 6, vraag 79, p. 34, 35.
Kamerstukken I 2019/20, 35179, C, p. 16; Kamerstukken II 2019/20 35179, nr. 6, vraag 79, p. 34, 35; Kamerstukken II 2019/20, 35179, nr. 3, p. 45.
OECD, Peer review report on the exchange of information on request. The Netherlands 2019 (second round), p. 58, par. 181.
OECD, Peer review report on the exchange of information on request. The Netherlands 2019 (second round), p. 58, par. 182.
Goes & Lichtenberg 2021, par. 2, p. 125.
Goes & Lichtenberg 2021, par. 3, p. 126.
Kamerstukken I 2019/20, 35179, C, p. 16, 27.
Goes & Lichtenberg 2021, par. 1, p. 124.
Kamerstukken I 2019/20, 35179, C, p. 15, 16.
Kamerstukken II 2019/20 35179, nr. 6, vraag 79, p. 34, 35.
Met de implementatiewet UBO-registratie is per 8 juli 20201 een nieuw artikel 2:290 BW in werking getreden. Op grond van dit artikel moet het bestuur van een stichting – in aanvulling op de UBO-registratieplicht – een intern register bijhouden van alle personen aan wie een uitkering is gedaan die 25 procent of minder bedraagt van het voor uitkering vatbare bedrag in een bepaald boekjaar (art. 2:290, lid 1 BW).2 Gezien het hier gehanteerde criterium van 25 procent of minder gaat het om personen die geen UBO’s van een stichting zijn. In artikel 2:290 BW wordt met het begrip personen gedoeld op zowel natuurlijke personen als rechtspersonen.3
Het begrip uitkering heeft volgens de parlementaire toelichting dezelfde betekenis als in artikel 1 Uitv.besl. Wwft 2018.4 Ik verwijs daarvoor naar paragraaf 5.9.6.1.1.
De verplichting van artikel 2:290 BW is volgens de minister van Financiën in feite een nadere specificering van de interne administratieplicht op grond van artikel 2:10 BW – dat voor alle rechtspersonen geldt, met inbegrip van de stichting – om een actuele administratie te voeren ‘op zodanige wijze dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend’.5Artikel 2:10 BW is op grond van artikel 2:2, lid 2 BW niet rechtstreeks van toepassing op kerkgenootschappen.6 Het doel van de uitbreiding van de administratieplicht in artikel 2:290 BW is om bij stichtingen meer transparantie te creëren. De gedachte is dat met deze specificatie deze gegevens makkelijker raadpleegbaar zijn voor de Belastingdienst en belastingautoriteiten uit andere jurisdicties.7
Voor kerkgenootschappen en verenigingen bestond volgens de wetgever geen reden voor het invoeren van een verplichting tot het houden van een intern uitkeringenregister. De uitbreiding van de administratieplicht van stichtingen vloeide volgens de wetsgeschiedenis namelijk voort uit de constatering van het OECD Global Forum on Transparency and Exchange of Information for Tax Purposes (Global Forum) dat de beschikbaarheid van informatie over de begunstigden van stichtingen in Nederland niet in alle gevallen gewaarborgd was.8 Nederland voldeed dus voor wat betreft stichtingen niet in voldoende mate aan de internationale standaarden voor informatie-uitwisseling voor belastingdoeleinden op verzoek van belastingautoriteiten in andere jurisdicties.
Hierbij zijn wel enkele kanttekeningen te plaatsen. Zo geeft het rapport van het Global Forum aan dat stichtingen met een anbi- of sbbi-status niet onder de reikwijdte van dit rapport vallen.9 Dit zijn volgens het rapport stichtingen die onder meer het algemeen nut dienen, geen commerciële doelstelling kennen, geen uitkeringen doen aan de oprichters of leden en geen identificeerbare begunstigden hebben. Het rapport richt zich daarentegen op stichtingen met ‘economic activity and those holding shares against issuance of depository receipts’, naar schatting circa 20 procent van alle stichtingen.10 Goes & Lichtenberg leiden hieruit af dat het rapport zich focust op ‘beneficiaries’ in de zin van ‘gerechtigden’- zij die recht hebben op een uitkering – in plaats van iedere begunstigde en wijzen erop dat artikel 2:290 BW dit onderscheid niet maakt en de toelichting in de wetsgeschiedenis evenmin.11 In hun optiek ziet dit rapport op uitkeringen die gebaseerd zijn op een recht op een uitkering, een verplichting voor de stichting. Omdat in dit rapport dus niet van alle stichtingen wordt verlangd dat ze informatie van al hun begunstigden moeten bijhouden en bevoegde autoriteiten ook zonder artikel 2:290 BW de benodigde informatie reeds op grond van artikel 2:10 BW kunnen opvragen bij de stichting, achten Goes & Lichtenberg de nieuwe verplichte interne registratie van artikel 2:290 BW een onnodige extra administratieve verplichting.
Omdat het rapport van Global Forum – de aanleiding om artikel 2:290 BW in te voeren – zich niet richt op donaties maar op uitkeringen waartoe de verkrijger gerechtigd is – uitkeringen op basis van een verplichting – concluderen Goes & Lichtenberg dat de wetgever met ‘uitkering’ in artikel 2:290 BW nadrukkelijk geen uitkering in de zin van artikel 2:285, lid 3 BW (uitkeringen van ideële of sociale strekking) heeft bedoeld en evenmin giften in de zin van artikel 7:186, lid 2 BW, maar uitkeringen op basis van een recht op uitkering uit het vermogen van de stichting.12 De minister van Financiën heeft in de wetsgeschiedenis immers niet naar die bepalingen verwezen, aldus Goes & Lichtenberg. Nu de nieuwe verplichting voor ruim 234.000 stichtingen geldt, waarvan 226.000 niet-commerciële stichtingen, had de minister volgens Goes & Lichtenberg meer helderheid moeten scheppen. Ik kan hun redenering volgen voor zover de minister de kritiek van Global Forum als onderbouwing voor de invoering van artikel 2:290 BW opvoert, kritiek die zich richt op stichtingen met een economische activiteit en stichtingen administratiekantoor. Feit is wel dat in de toelichting op deze nieuwe bepaling in de parlementaire geschiedenis de voorbeelden louter donaties en uitkeringen van ideële en sociale strekking betreffen, zoals uitkeringen aan individuele oorlogsslachtoffers, studiebeurzen aan bepaalde studenten en financiële bijdragen van een Nederlandse fondsenwervende organisatie aan haar zusterorganisatie (rechtspersoon).13 De vraag is dus niet zozeer of de wetgever met de uitkeringen in artikel 2:290 BW ook donaties en uitkeringen van ideële of sociale strekking heeft bedoeld, maar of dit voldoende onderbouwd is. Ik deel de conclusie dat de minister dit niet voldoende heeft onderbouwd door slechts te verwijzen naar de OESO-beoordeling over uitwisseling van belastinggegevens, die zich beperkte tot stichtingen met een economische activiteit en stichtingen administratiekantoor. Zij merken ook terecht op dat handhaving en vervolging van een eventuele overtreding van deze verplichting lastig en waarschijnlijk onmogelijk zal zijn.14
In het interne register moet het bestuur de namen en adressen bijhouden van alle personen die een kwalificerende uitkering hebben ontvangen, alsook het uitkeringsbedrag en de datum waarop de uitkering is gedaan. Het bestuur hoeft niet meer gegevens te registreren dan waarover zij in het kader van de boekhoudplicht van 2:10 BW beschikt en hoeft dus niet extra gegevens bij begunstigden op te vragen.15 Het bestuur moet zelf afwegen wat noodzakelijk is voor een goede administratie. Zo zal een stichting bij uitkeringen in natura – denk daarbij aan het uitdelen van dekens, voedsel en medicijnen – in haar administratie wel melding maken van de aankoop van de te doneren goederen, maar wie de begunstigden van deze goederen zijn, is volgens de minister van Financiën niet relevant voor een goede administratie.16 Dit doet vreemd aan, want een uitkering in natura vertegenwoordigt ook een waarde die omgerekend kan worden tot een uitkeringsbedrag.
De stichting hoeft dit interne register niet openbaar bekend te maken, maar moet het wel regelmatig bijhouden (art. 2:290, lid 2 BW). ‘Regelmatig’ houdt in dat de gegevens op orde moeten zijn, zodat de belastingautoriteiten altijd actuele gegevens over de laatste stand van zaken van de uitkeringen kunnen verkrijgen.17