De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting
Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.7.2:4.7.2 Stichting B.W.T.-arrest
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.7.2
4.7.2 Stichting B.W.T.-arrest
Documentgegevens:
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS392043:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof Amsterdam 20 maart 1953, NJ 1953, 317.
Hof Amsterdam 20 maart 1953, NJ 1953, 317, p. 467. Zie ook Polak 1956, p. 46.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vlak voor het verschijnen van het ontwerp van de WS 1956 en de parlementaire behandeling daarvan wees het Hof Amsterdam in 1953 een arrest inzake Stichting Bond Werkgevers Taxibedrijven, ook wel Stichting B.W.T. genoemd.1 Stichting B.W.T. had “deelhebbers” en het Hof moest oordelen over de vraag of een stichting dergelijke deelhebbers (oftewel leden) mocht hebben. Volgens het Hof gaat een organisatie in twee gevallen de aan de stichting gestelde grenzen, die toen nog niet wettelijk waren vastgelegd, te buiten:
wanneer zij naar den aard harer organisatie is een vereniging of associatie;
wanneer zij ten doel heeft het behalen van winst ten bate van juist diegenen, die in de stichting de macht uitoefenen”.
Het Hof oordeelde dat de organisatie van Stichting B.W.T. typisch de organisatie van een vereniging is, aangezien de algemene vergadering bij enkelvoudige of gekwalificeerde meerderheid beslist over: toetreding van nieuwe deelhebbers, verkiezing van bestuursleden, de jaarlijkse vaststelling van de balans, winst- en verliesrekening en verdeling van winst en verlies, wijzigingen in de bepalingen van de oprichtingsakte en opheffing van de organisatie, terwijl het batig saldo wordt verdeeld onder de deelhebbers.2
Stichting B.W.T. was volgens het Hof een organisatie die zich ten doel stelt het behalen van winst ten bate van deelhebbers, die tevens in de algemene vergadering van deelhebbers de hoogste macht in de organisatie uitoefenen. Het Hof concludeerde dan ook dat Stichting B.W.T. niet een stichting maar een vereniging is waaraan, vanwege het ontbreken van de destijds benodigde Koninklijke goedkeuring, geen rechtspersoonlijkheid toekwam.