Einde inhoudsopgave
Overeenkomst tot arbitrage (BPP nr. 13) 2011/4.3.2.3
4.3.2.3 Reikwijdte van begrip "geschil" ex art. 1020 lid 1 Rv
Mr. G.J. Meijer, datum 20-07-2011
- Datum
20-07-2011
- Auteur
Mr. G.J. Meijer
- JCDI
JCDI:ADS510898:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. ook Burg. Rv. (SmmEus), art. 1020, aant. 2 met referte aan BR 31 december 1915 (Gem. Noordwykerhout/Guldemond), NJ 1916, blz. 407.
Ik wijs als vergelijking op de overeenkomst tot arbitrage betreffende een zaak van openbare orde die niet vatbaar is voor arbitrage (art. 1020 lid 3 Rv), doch die zaak een scheidsgerecht wordt voorgelegd; het scheidsgerecht zal zich alsdan ambtshalve onbevoegd moeten verklaren.
Ik wijs ter vergelijking op de overeenkomst tot arbitrage die betrekking heeft op zaken die op zich genomen wel vatbaar zijn voor arbitrage, terwijl het scheidsgerecht vervolgens een zaak wordt voorgelegd die niet vatbaar is voor arbitrage.
Ik wijs als vergelijking op de overeenkomst tot arbitrage betreffende geschillen uit koopovereenkomst, terwijl het scheidsgerecht een geschil uit huurovereenkomst wordt voorgelegd.
Zie ook MERKIN, 5.5 met referte aan jurisprudentie.
SANDERS (diss.), blz. 22-24, Burg. Rv. (SNuDERs), art. 1020, aant. 2 en VAN DEN BERG (diss.), blz. 147 (zij het wel met betrekking tot art. II lid 1 NYC); vgl. ook art. 82(1) AA: '`dispute' includes any difference' (zie MERKIN, 5.5-6; in dezelfde zin REDFERN & HUNTER, 1-59).
Zie A-G AssER in diens conclusie (sub 2.17 e.v.) vóór HR 28 september 1990 (Huybregts/Van Tuyl), NJ 1991, 230, m.nt. JBMV, dit met referte aan bronnen; vgl. ook het uitgangspunt in HR 31 december 1915 (Gent. Noordwijkerhout/Guldemond), NJ 1916, blz. 407; ik wijs bijvoorbeeld ook op Comité van Graanhandelaren 14 juli 1992, TvA 1993, no. 33, m.nt. R. VAN DELDEN en Pres. Rb. 's-Gravenhage 16 juli 1993, BR 1993, blz. 928; in dezelfde zin voor het Engels recht bijvoorbeeld MERKIN, 5.5.
HR 28 september 1990 (Huybregts/Van Tuyl), NJ 1991, 230, m.nt. JBMV, waarin het beroep op verrekening was gegrond op een (tegen)vordering die uit een andere (hoofd)overeenkomst voortvloeide, terwijl de overeenkomst tot arbitrage geen betrekking had op die andere (hoofd)overeenkomst (zie daaromtrent 10.2.4.3).
Vgl. ook art. 23 lid 1 FENEX: '(...). Een geschil is aanwezig wanneer één der partijen verklaart dat dit het geval is. (...).'.
De wet verlangt geen objectieve onzekerheid (zie Toelichting Voorontwerp Boek 71VBFV, blz. 1135).
Vgl. SANDERS (diss.), blz. 25-31.
Burg. Rv. (HEEMSKERK), art. 620 (oud), aant. 2; vgl. ook Arbitragerecht (VAN DELDEN), 4.5 die verdedigt dat de zaken die het scheidsgerecht ingevolge art. 1020 lid 1 (a) en (b) Rv kunnen worden voorgelegd tevens (rechts)geschillen vormen.
Waarschijnlijk geldt hetzelfde ook voor zuiver emotionele geschillen of geschillen waarbij het gaat om zuiver emotionele belangen (analoog aan de uitsluiting van die belangen bij de toepassing van art. 3:303 BW in BR 9 oktober 1998 (Van Aalten en Mbarka/VCWO), NJ 1999, 853).
Art. 1020 lid 1 Rv bepaalt dat partijen geschillen aan arbitrage kunnen onderwerpen. Het begrip "geschil" in art. 1020 lid 1 Rv kan zich op drie punten manifesteren.
(i) In de eerste plaats komt het begrip "geschil" betekenis toe als het gaat om de vraag wat partijen bij overeenkomst überhaupt aan arbitrage kunnen onderwerpen. Als partijen bij overeenkomst "iets" aan arbitrage willen onderwerpen wat überhaupt niet als "geschil" in aanmerking komt, en wat ook overigens niet vatbaar is voor arbitrage, ontbreekt op dit punt een geldige overeenkomst tot arbitrage. Het scheidsgerecht zal zich — zelfs ambtshalve — onbevoegd moeten verklaren als het vervolgens "iets" wordt voorgelegd wat geen "geschil" is of anderszins vatbaar is voor arbitrage (art. 1020 leden 1, 3 en 4 Rv, art. 1052 lid 2 Rv en art. 1065 lid 1 (a)-(e) Rv).1 Dit punt raakt mijns inziens de arbitrabiliteit (zie ook 10.4.3 en 10.4.4.2).2
(ii) In de tweede plaats komt het begrip "geschil" betekenis toe als het gaat om de vraag wat partijen een scheidsgerecht, ook als hun overeenkomst wel betrekking heeft op geschillen of "iets" wat anderszins vatbaar is voor arbitrage, daadwerkelijk voorleggen. Wordt het scheidsgerecht "iets" voorgelegd wat geen "geschil" is, en ook overigens niet vatbaar is voor arbitrage, dan zal het scheidsgerecht zich als zodanig — wederom ambtshalve — onbevoegd moeten verklaren (art. 1020 leden 1 en 3 Rv, art. 1052 lid 2 Rv en art. 1065 lid 1 (a)-(e) Rv).3 Ik wijs op het vorenstaande punt.
(iii) In de derde plaats komt het begrip "geschil" betekenis toe als de overeenkomst tot arbitrage tussen partijen zich beperkt tot zaken buiten geschil (bijvoorbeeld als zij kwaliteitsarbitrage overeenkomen als bedoeld in art. 1020 lid 4 (a) Rv) en het scheidsgerecht een geschil wordt voorgelegd. Als de verweerder zich erop beroept dat de overeenkomst tot arbitrage zich niet uitstrekt tot geschillen en de voorgelegde zaak niet als geschil kan worden aangemerkt, zal het scheidsgerecht zich onbevoegd moeten verklaren (art. 1052 lid 2 Rv) (zie ook 4A).4
(iv) In de vierde plaats kan het begrip "geschil" betekenis toekomen als het gaat om de vraag of tussen partijen al een geschil bestaat of om de vraag of tussen partijen nog steeds een geschil bestaat. Af en toe betrekt een partij — dit waarschijnlijk wegens de zojuist genoemde eis dat voor arbitrage in beginsel een geschil moet bestaan — nog wel eens de stelling dat het scheidsgerecht onbevoegd is als tussen de partijen nog geen geschil bestaat.5 Het komt eveneens voor dat een partij zich erop beroept het scheidsgerecht onbevoegd is op de grond dat het geschil inmiddels is opgelost. Volgens Nederlands recht is het in elk geval onwenselijk als het scheidsgerecht zich in deze gevallen daadwerkelijk onbevoegd zal verklaren, dit omdat de competentie van de gewone rechter herleeft als het scheidsgerecht zich onbevoegd verklaart (art. 1052 lid 5 Rv).
Zouden wij ervan uitgaan dat het scheidsgerecht zich onbevoegd moet verklaren als nog geen geschil bestaat, dan kan een partij die zich aan de overeenkomst tot arbitrage wil onttrekken, eenvoudigweg vroegtijdig een arbitraal geding aanhangig maken om aldus te bewerkstelligen dat het scheidsgerecht tegen de tijd dat het geschil wel bestaat niet langer bevoegd is. Ook als het geschil inmiddels is opgelost, is het onwenselijk dat het scheidsgerecht zich onbevoegd verklaart. Zo kan één van de partijen belang hebben bij een arbitraal vonnis waarin wordt beslist dat het geschil, bijvoorbeeld op grond van een vaststellingsovereenkomst tussen partijen, is opgelost.
Als nog geen geschil bestaat, zal het scheidsgerecht de eisende partij niet-ontvankelijk moeten verklaren. Het bestaan van een geschil geldt aldus slechts als een voorwaarde voor de aanvang van een arbitraal geding (vgl. ook 12.6.2.3). Als het geschil inmiddels is opgelost, zal het scheidsgerecht de desbetreffende eiser veelal niet ontvankelijk verklaren of anders de eiser de vordering ontzeggen.
Vraag is thans wat precies "een geschil" is als bedoeld in art. 1020 lid 1 Rv. Het begrip "geschil" in de zin van art. 1020 lid 1 Rv laat zich niet gemakkelijk definiëren.
Overigens moet onderscheid worden gemaakt tussen het wettelijk begrip "geschil" als bedoeld in art. 1020 lid 1 Rv en het begrip "geschil" dat in een bepaalde overeenkomst tot arbitrage voorkomt. Partijen kunnen de reikwijdte van het begrip "geschil" in hun overeenkomst, in verhouding tot het begrip "geschil" in art. 1020 lid 1 Rv, beperken. Zij kunnen het begrip "geschil" mijns inziens niet verruimen (zie hetgeen zojuist in 4.3.2.3 sub met betrekking tot arbitrabiliteit is opgemerkt). Overigens zal voor de uitleg van het begrip "geschil" in een bepaalde overeenkomst tot arbitrage in beginsel de uitleg van het wettelijk begrip "geschil" in art. 1020 lid 1 Rv moeten worden gevolgd, tenzij wordt aangetoond dat het begrip "geschil" in de overeenkomst tot arbitrage anders moet worden uitgelegd.6
Het scheidsgerecht zal niet spoedig ervan mogen uitgaan dat een geschil ontbreekt. Het begrip geschil moet dan ook ruim worden uitgelegd.7 Voor de vraag of daadwerkelijk een geschil bestaat, is de houding van verweerder in beginsel niet bepalend. Ook als deze het ingeroepen recht van de eisende partij niet betwist, doch uit onwil of onvermogen feitelijk niet aan zijn verplichtingen voldoet, bestaat een geschil in de zin van art. 1020 lid 1 Rv en zijn arbiters bevoegd tot kennisneming daarvan.8 Men duidt hierbij wel op "incasso-arbitrage", waarbij het erom gaat de eisende partij een executoriale titel te verschaffen.9 Een geschil bestaat eveneens als verweerder de gevorderde nakoming van een (hoofd)overeenkomst weigert met een beroep op verrekening.10
Soms heeft volgens een arbitragereglement te gelden dat een geschil al bestaat zodra één van de partijen zich daarop beroept. Zo luidt § 49 lid 2 UAV 1989:
’2. Alle geschillen, welke ook — daaronder begrepen die, welke slechts door één der partijen als zodanig worden beschouwd — die naar aanleiding van de overeenkomst of van de overeenkomsten, die daarvan een uitvloeisel mochten zijn, tussen opdrachtgever en aannemer mochten ontstaan, worden beslecht door arbitrage (...)."11
Het is de vraag of geheel aan één of beide partijen kan worden overgelaten om te bepalen of een "geschil" als bedoeld in art. 1020 lid 1 Rv bestaat. Voorzover het eigenlijk gaat om de voorwaarde in art. 1020 lid 1 Rv dat een geschil bestaat, en niet slechts om de definitie van "geschil" in de overeenkomst tussen partijen, gaat het om de vraag of arbitrage überhaupt mogelijk is en raakt zij, als zojuist gezegd, de arbitrabiliteit. Mijns inziens is het niet mogelijk dat de bepaling daarvan aan (één van) de partijen wordt overgelaten. Partijen kunnen bijvoorbeeld niet zogenaamde onzekerheden tussen hen aan arbitrage onderwerpen die niet een geschil uit een rechtsbetrekking als bedoeld in art. 1020 lid 1 Rv of een zaak als bedoeld in art. 1020 lid 4 (a)-(c) Rv vormen. Bij bindend advies is dit bijvoorbeeld wel mogelijk. Zo kunnen partijen zich, ter beëindiging of voorkoming van onzekerheden (niet zijnde geschillen) omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar aan een vaststelling daarvan binden, terwijl deze vaststelling krachtens bindend advies zal totstandkomen (art. 7:900 leden 1 en 2 BW).
Ofschoon het begrip "geschil" ruim moet worden uitgelegd, lijkt de categorie "onzekerheden" als zojuist bedoeld het toepassingsbereik van het bindend advies nog eens te vergroten.12 Bij onzekerheden bestaat geen verschil van mening omtrent hetgeen rechtens tussen partijen geldt, doch weten partijen niet wat rechtens geldt.
Ingevolge art. 620 lid 1 (oud) Rv konden partijen "geschillen omtrent (...) regten" aan arbitrage onderwerpen. Verdedigd is daarom wel dat partijen wél rechtsgeschillen, doch geen belangengeschillen aan arbitrage konden onderwerpen.13 Het onderscheid tussen rechts- en belangengeschillen zal niet steeds gemakkelijk worden gemaakt.14 Hoe dan ook, het onderscheid lijkt thans — ook volgens art. 1020 lid 1 Rv — in elk geval niet langer beslissend.
Slechts indien een (zuiver) belangengeschil zo wordt uitgelegd dat dit geen geschil uit rechtsbetrekking vormt, kan men concluderen dat een geschil als bedoeld in art. 1020 lid 1 Rv ontbreekt.15 Het is overigens strikt genomen niet uitgesloten dat een bepaald (zuiver) belangengeschil zelfs niet als onzekerheid als bedoeld in art. 7:900 lid 1 BW mag worden aangemerkt, dit omdat partijen zich ingevolge art. 7:900 lid 1 BW ook ten aanzien van onzekerheden slechts aan een vaststelling kunnen binden "omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt".
Aangezien het bestaan van een geschil in de praktijk spoedig wordt aangenomen, zullen zich op dit punt waarschijnlijk niet al te veel problemen voordoen.
Ten slotte verdient opmerking dat men bij "geschillen" als bedoeld in art. 1020 lid 1 Rv in de eerste plaats zal denken aan geschillen die voortvloeien uit de rechtsbetrekking waarop de overeenkomst tot arbitrage betrekking heeft. Niettemin kunnen in arbitrage ook geschillen aan de orde komen die voortvloeien uit de overeenkomst tot arbitrage zelf of uit een separate overeenkomst betreffende de arbitrage. Hierbij is te denken aan geschillen omtrent de vraag of arbitrage is overeengekomen of omtrent de vraag of het scheidsgerecht regelmatig is samengesteld (vgl. art. 1052 leden 1 en 3 Rv) (zie 4.2.2. sub m, 11.5, 11.6 en 12.2).