HR, 20-12-2013, nr. 11/05308
ECLI:NL:HR:2013:1781, Conclusie: Contrair, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-12-2013
- Zaaknummer
11/05308
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑12‑2013
ECLI:NL:HR:2013:1781, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑12‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ1320, Contrair
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2011:BV1514, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Vindplaatsen
Belastingadvies 2014/3.11
BNB 2014/57 met annotatie van C.J. HUMMEL
NTFR 2014/471 met annotatie van drs. J. van der Laan, mr. J.P.W.H.T. Becks
FutD 2013-3085
Viditax (FutD) 2013122007
Beroepschrift 20‑12‑2013
Edelhoogachtbaar college,
Op 1 december 2011 heb ik namens en op verzoek van [X1] Beheer B.V. en [X2] B.V. c.s., gevestigd te [Z] beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch (hierna: het Gerechtshof) d.d. 28 oktober 2011, met nummer BK-09/00007. In uw brief van 12 december heeft u mij in de gelegenheid gesteld het beroepschrift nader te motiveren. Hierbij doe ik u de motivering van het ingediende beroepschrift in cassatie toekomen.
Belanghebbende bestrijdt de uitspraak van het Gerechtshof met de volgende middelen van cassatie.
Eerste middel van cassatie
Schending van het recht, met name artikel 13, eerste lid onder a, en tweede lid Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB), artikel 35, derde lid, Wet OB (tekst 1999) en artikel 37 Wet OB 1968 doordat het Gerechtshof heeft geoordeeld dat belanghebbende in 2005 een bedrag van EUR 371.714 aan omzetbelasting is verschuldigd door het vermelden daarvan op een factuur in 2005 terwijl dat bedrag reeds was verschuldigd in 1999 vanwege de vooruitbetaling door de wederpartij van belanghebbende in 1999.
Toelichting eerste middel van cassatie
1
Op grond van artikel 13, eerste lid, onder a Wet OB is een belastingplichtige omzetbelasting verschuldigd op het moment waarop een factuur ingevolge artikel 35 Wet OB moet worden uitgereikt. Op grond van artikel 13, tweede lid, Wet OB is, in afwijking van het eerste lid van artikel 13 Wet OB, omzetbelasting, of het desbetreffende gedeelte daarvan, verschuldigd uiterlijk op het tijdstip waarop de vergoeding geheel of gedeeltelijk wordt ontvangen.
2
Artikel 35, derde lid, Wet OB (tekst 1999) bepaalt dat in geval de ondernemer overeengekomen is dat de vergoeding voor de door hem aan een andere ondernemer of aan een rechtspersoon, andere dan ondernemer, te verrichten prestatie vooraf geheel of in gedeelten zal worden voldaan, ter zake van die betaling of deelbetalingen vóór het tijdstip van de opeisbaarheid daarvan telkens een overeenkomstig het eerste lid opgemaakte factuur dient te worden uitgereikt.
3
Uit het bovenstaande volgt dat omzetbelasting, of een gedeelte daarvan, ter zake van een levering van een goed, in ieder geval uiterlijk verschuldigd is op het moment dat de vooruitbetaling geheel, of gedeeltelijk, is ontvangen. Wanneer conform artikel 35, derde lid, Wet OB (tekst 1999) een factuur ter zake van de vooruitbetaling moet worden uitgereikt ligt het moment van verschuldigdheid zelfs op een eerder moment, namelijk in ieder geval vóór de gehele of gedeeltelijke vooruitbetaling.
4
Rechtbank Breda heeft in haar uitspraak d.d. 27 november 2008, waartegen beroep is ingesteld dat geleid heeft tot de in deze zaak bestreden uitspraak van het Gerechtshof, in rechtsoverweging 2.12 overwogen dat belanghebbende in 1999 een bedrag aan omzetbelasting van EUR 371.714 was verschuldigd vanwege de vooruitbetaling in 1999.
Het Gerechtshof heeft in de thans bestreden uitspraak in rechtsoverweging 4.4 aangenomen dat in 1999 sprake was van een vooruitbetaling met daarin begrepén een bedrag aan omzetbelasting van EUR 371.714. Uit beide overwegingen volgt dat belanghebbende in 1999 een bedrag van EUR 371.714 aan omzetbelasting was verschuldigd ter zake van een in de toekomst te verrichten levering.
5
In rechtsoverweging 4.5 en 4.6 van de bestreden uitspraak heeft het Gerechtshof berekend en geoordeeld dat belanghebbende ten tijde van de uitreiking van de factuur in maart 2005, ter zake waarvan in 1999 een vooruitbetaling had plaatsgevonden, een te hoog bedrag aan omzetbelasting (EUR 403.574) op de factuur had vermeld. Dat bedrag aan omzetbelasting was dan ook niet verschuldigd ter zake van de leveringen in maart 2005. Behoudens de berekening, die naar de mening van belanghebbende niet correct maar verder ook niet in geding is, wordt dat oordeel van het Gerechtshof door belanghebbende gedeeld.
6
Omdat belanghebbende het bestreden bedrag aan omzetbelasting in maart 2005 niet verschuldigd is geworden ter zake van de door belanghebbende verrichte leveringen maar het bedrag wel op de factuur is vermeld, oordeelt het Gerechtshof dat op grond van artikel 37 Wet OB belanghebbende het bedrag in maart 2005 wel verschuldigd is geworden.
7
Artikel 37 Wet OB bepaalt dat degene, die op een factuur op enigerlei wijze melding maakt van omzetbelasting welke hij, anders dan op grond van artikel 37 Wet OB, niet verschuldigd is geworden, die belasting verschuldigd wordt op het tijdstip waarop hij die factuur heeft uitgereikt.
8
Uit hetgeen hiervoor in deze toelichting is vermeld blijkt dat belanghebbende het bestreden bedrag aan omzetbelasting in ieder geval reeds in 1999 was verschuldigd.
Zoals blijkt uit de bewoording van artikel 37 Wet OB en de wetsgeschiedenis daaromtrent, verwezen wordt naar Memorie van Toelichting 1967/1968, nr. 9324, nr. 3, blz. 38 alsmede het Voorlopig verslag 1967/1968, nr. 9324, nr. 5, blz. 51, kan belanghebbende vanwege de verschuldigdheid in 1999 het bedrag niet nogmaals als omzetbelasting verschuldigd zijn in maart 2005.
9
Indien het oordeel van het Gerechtshof gevolgd zou worden, dan leidt toepassing van artikel 37 Wet OB tot een dubbele heffing in iedere situatie waarin op grond van de Wet OB te laat een factuur wordt uitgereikt. Immers, op grond van artikel 13 Wet OB is reeds bij het verrichten van de prestatie of het doen van de vooruitbetaling de omzetbelasting verschuldigd. Indien dan niet reeds is gefactureerd en dit op een later tijdstip alsnog wordt gedaan, zal nogmaals verschuldigdheid optreden. Een dergelijke uitleg is, zowel in letterlijke zin als naar ratio, in strijd met artikel 37 Wet OB. Het oordeel van het Gerechtshof dat belanghebbende op grond van artikel 37 Wet OB in maart 2005 wederom omzetbelasting is verschuldigd, is dan ook niet juist en onbegrijpelijk.
Tweede middel van cassatie
Schending van het neutraliteitsbeginsel doordat het Gerechtshof heeft geoordeeld dat belanghebbende in 2005 op grond van artikel 37 Wet OB een bedrag van EUR 371.714 aan omzetbelasting is verschuldigd door het vermelden daarvan op een factuur in 2005 terwijl dat bedrag reeds was verschuldigd in 1999 vanwege de vooruitbetaling door de wederpartij van belanghebbende in 1999.
Toelichting tweede middel van cassatie
1
Het Gerechtshof oordeelt dat de op de nota in maart 2005 vermelde omzetbelasting voor een bedrag van EUR 403.574 niet ter zake van leveringen was verschuldigd zodat belanghebbende op grond van artikel 37 Wet OB dit bedrag in maart 2005 verschuldigd was vanwege het vermelden daarvan op de factuur. Omzetbelasting die verschuldigd is op grond van artikel 37 Wet OB is blijkens dat artikel niet verschuldigd anders dan op grond van dat artikel.
2
Gevolg van de uitspraak van het Gerechtshof is dat het op de factuur uit maart 2005 vermelde bedrag voor EUR 403.574 niet beschouwd dient te worden als zijnde omzetbelasting verschuldigd uit hoofde van een prestatie. Ongeacht de status van de afnemer en het gebruik van het geleverde komt dat bedrag, zoals onder meer is verwoord in paragraaf 3.6.1 van het Besluit van 19 april 2007, nr. CPP2007/308M en het arrest van het Europese Hof van Justitie 13 december 1989, C-342/87 (Genius Holding BV), geheel niet voor aftrek in aanmerking op grond van artikel 15, eerste lid, onder a Wet OB.
3
Op grond van het bovenstaande en hetgeen eerder is vermeld bij de toelichting op het eerste middel ontstaat bij belastingplichtige een dubbele verschuldigdheid van eenzelfde bedrag aan omzetbelasting, eenmaal in 1999 en eenmaal in 2005. Voorts heeft de afnemer geen enkele mogelijkheid omzetbelasting in aftrek te brengen aangezien in 1999 geen factuur is uitgereikt en de factuur in 2005 voor het bestreden bedrag geen aftrek toelaat bij de afnemer.
4
De dubbele verschuldigdheid zonder enige mogelijkheid een recht op aftrek te effectueren is een schending van het neutraliteitsbeginsel. Het oordeel van het Gerechtshof is dan ook in strijd met het beginsel van neutraliteit en kan daardoor niet in stand blijven.
Derde middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet inachtneming nietigheid ten gevolge heeft, in het bijzonder het in artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht vervatte motiveringsvereiste, doordat het Gerechtshof heeft geoordeeld dat belanghebbende het in maart 2005 gefactureerde bedrag aan omzetbelasting niet was verschuldigd ter zake van leveringen in die periode en daardoor het bestreden bedrag op de voet van artikel 37 Wet OB verschuldigd is geworden.
Toelichting derde middel van cassatië
1
Het Gerechtshof heeft bij de beoordeling van het hoger beroep van belanghebbende ten onrechte bepaalde argumenten van belanghebbende buiten beschouwing gelaten. In het hoger beroepschrift heeft belanghebbende gemotiveerd beargumenteerd, zie punt 2.5 van het hoger beroepschrift, dat belanghebbende het bestreden bedrag reeds in 1999 was verschuldigd en daardoor dit bedrag niet nogmaals verschuldigd kon zijn in maart 2005.
De verschuldigdheid van het bestreden bedrag 1999 is door het Gerechtshof ten onrechte niet in de beschouwing betrokken.
2
Door belanghebbende is in het hoger beroepschrift, onder meer, op grond van de ratio van artikel 37 Wet OB beargumenteerd waarom belanghebbende in maart 2005 het bestreden bedrag niet op grond van die bepaling verschuldigd was. Het Gerechtshof heeft ten onrechte achterwege gelaten de ratio van artikel 37 Wet OB in haar gronden te betrekken.
3
Tot slot heeft belanghebbende gemotiveerd aangegeven dat de letterlijke bewoording alsmede de wetsgeschiedenis verhinderen het bestreden bedrag op grond van artikel 37 van belanghebbende na te heffen, verwezen wordt daarbij naar punt 2.2 tot en met punt 2.4 van de motivering van het hoger beroep van belanghebbende. Het geheel aan argumenten van belanghebbende is ten onrechte door het Gerechtshof niet bezien en het Gerechtshof heeft uitsluitend op grond van de factuur uit maart 2005 geoordeeld dat belanghebbende het bestreden bedrag verschuldigd was.
4
Op grond van het voorgaande is het oordeel van het Gerechtshof onbegrijpelijk en ongemotiveerd. Als gevolg daarvan kan de uitspraak van het Gerechtshof niet in stand blijven.
Verzoek
Gezien het vorenstaande verzoekt belanghebbende U de uitspraak van het Gerechtshof te vernietigen en belanghebbende in het gelijk te stellen.
Tevens verzoekt belanghebbende U de inspecteur te veroordelen in de kosten van het geding, als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene Wet Bestuursrecht.
Uitspraak 20‑12‑2013
Partij(en)
20 december 2013
nr. 11/05308
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de fiscale eenheid [X1] Beheer B.V., [X2] B.V. c.s. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 28 oktober 2011, nr. 09/00007, betreffende een naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 maart 2005 tot en met 31 maart 2005 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te Breda (nr. AWB 07/4572) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ‘s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal M.E. van Hilten heeft op 31 januari 2013 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1.
In 1999 heeft [X2] B.V. (hierna: [X2] BV), een van belanghebbende (een fiscale eenheid voor de omzetbelasting) deel uitmakende vennootschap, een aantal onroerende zaken verkocht aan een derde (hierna: de koper) met het beding dat de verkochte zaken in bouwrijpe staat zullen worden geleverd. De koper is ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (tekst 1999; hierna: de Wet). De voor de onroerende zaken overeengekomen koopprijs bedroeg in totaal ƒ 5.500.000 (€ 2.495.791,19), te vermeerderen met omzetbelasting aangezien de levering zou plaatsvinden op of binnen twee jaren na het tijdstip van de eerste ingebruikneming. Overeengekomen werd dat de omzetbelasting tegelijk met de koopprijs zou worden voldaan.
3.1.2.
De koper heeft bij het sluiten van de koopovereenkomst een bedrag van ƒ 5.500.000 overgemaakt naar een zogenoemde kwaliteitsrekening (of: derdengeldenrekening) van een notaris.
In dit verband houdt de tot de gedingstukken behorende koopovereenkomst het volgende in:
“ARTIKEL 3. BETALING
1. De betaling van de koopprijs en van de overige kosten, rechten en belastingen vindt plaats op het kantoor van de notaris.
2. Koper heeft het verschuldigde voldaan bij het ondertekenen van deze akte door creditering van de bankrekening van [het notariskantoor] (inzake derdengelden) bij [de bank van het notariskantoor], rekening nummer […].
3. Uitbetaling aan verkoper zal eerst plaatsvinden, zodra de notaris uit onderzoek bij de openbare registers is gebleken, dat de bij aparte akte te vestigen hypotheekinschrijving tot zekerheid voor levering is geschied zonder inschrijvingen die bij het verlijden van de akte van hypotheek niet bekend waren. Verkoper is ermee bekend dat, in verband met dit onderzoek, tussen [onleesbaar, kennelijk ‘het tijdstip’] van het ondertekenen en het uitbetalen één of meer werkdagen verstrijken.
ARTIKEL 4. HYPOTHEEKINSCHRIJVING
1. In verband met de betaling van de koopsom en me tot zekerheid voor de levering van het verkochte aan koper, zullen partijen bij separate akte te verlijden voor mij, notaris, recht van eerste hypotheek vestigen op het verkochte voor een bedrag van zes miljoen [onleesbaar, kennelijk: ‘gulden’] (f 6.000.000,--), te vermeerderen met vijfendertig procent daarvan voor renten, [onleesbaar] kosten.
2. […]”
3.1.3.
[X2] BV heeft toentertijd geen factuur aan de koper uitgereikt en belanghebbende heeft te dezer zake toentertijd geen omzetbelasting op aangifte voldaan.
3.1.4.
Nadat tussen [X2] BV en de koper gerezen geschillen waren beslecht, heeft [X2] BV de onroerende zaken op 17 maart 2005 bij notariële akte als ‘bouwgrond’ aan de koper geleverd. In de akte is vermeld dat de koopprijs door de koper reeds bij het ondertekenen van de koopakte is voldaan op een kwaliteitsrekening van het hiervoor in 3.1.2 vermelde notariskantoor en dat de koper de over de koopprijs berekende omzetbelasting ten bedrage van € 474.200,33 heeft voldaan op de kwaliteitsrekening van de notaris die de akte van levering heeft verleden.
3.1.5.
Ter zake van de levering heeft de notaris twee verschillende nota’s van afrekening opgemaakt. De ene nota vermeldt een “Koopsom onroerende zaak” ten bedrage van € 2.495.791,19 alsmede “BTW 19% over de koopsom” voor een bedrag aan omzetbelasting van € 474.200,33. De andere nota vermeldt “Koopsom onroerende zaak, inkl. 19% BTW” ten bedrage van € 2.969.991,52 (zijnde de som van € 2.495.791,19 en € 474.200,33).
3.1.6.
Belanghebbende heeft in haar aangifte voor de omzetbelasting over het tijdvak maart 2005 ter zake van de hiervoor in 3.1.4 vermelde leveringen een bedrag van € 102.486 als verschuldigd opgegeven. Zij heeft de Inspecteur in een bij de aangifte begeleidende brief erop gewezen dat de hiervoor in 3.1.2 bedoelde betaling van € 2.495.791,19 een vooruitbetaling betrof waarover zij in 1999 op de voet van artikel 13, lid 2, van de Wet een bedrag van € 371.714 aan omzetbelasting (17,5/117,5% x € 2.495.791,19) verschuldigd was geworden. Dit brengt volgens belanghebbende mee dat ter zake van de levering van de onroerende zaken op 17 maart 2005 alleen het verschil tussen het hiervoor in 3.1.3 vermelde belastingbedrag van € 474.200 en € 371.714 werd verschuldigd. De Inspecteur heeft dit standpunt van belanghebbende verworpen en een naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van € 371.714, op de gronden dat niet sprake was van een vooruitbetaling als hiervoor bedoeld, – subsidiair – dat de levering ten tijde van de betaling van de koopsom vrijgesteld zou zijn van omzetbelasting, en – meer subsidiair – dat het nageheven bedrag wegens het vermeld zijn op de nota van afrekening is verschuldigd op grond van artikel 37 van de Wet.
3.2.1.
Het Hof heeft veronderstellenderwijs met belanghebbende aangenomen dat in 1999 sprake is geweest van een (gedeeltelijke) vooruitbetaling van de vergoeding voor de onderhavige leveringen met daarin begrepen een bedrag aan omzetbelasting van € 371.714 (naar het in 1999 geldende tarief). Op basis van die aanname heeft het Hof berekend dat belanghebbende ter zake van de levering op 17 maart 2005 over het verschil tussen de vooruitbetaalde koopprijs van € 2.495.791 en de nog te betalen koopprijs ten bedrage van € 2.124.077, zijnde € 371.714, een bedrag van € 70.626 (19% van € 371.714) aan omzetbelasting was verschuldigd. Het Hof heeft geoordeeld dat, aangezien op de nota van afrekening niet het bedrag van € 70.626 is vermeld maar het bedrag van € 474.200,33, het verschil tussen die twee bedragen (€ 403.574) ten onrechte is gefactureerd. Op die grond is belanghebbende dit bedrag, aldus het Hof, op de voet van artikel 37 van de Wet verschuldigd geworden.
3.2.2.
Het Hof heeft aldus geoordeeld dat de hiervoor in 3.1.6 bedoelde meer subsidiaire stelling van de Inspecteur doel treft en op grond daarvan de overige – door belanghebbende bestreden – stellingen van de Inspecteur onbehandeld gelaten.
3.3.
De middelen richten zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het hiervoor in 3.2.1, laatste volzin, omschreven oordeel van het Hof. Zij betogen dat belanghebbende in 1999 vanwege de ontvangen vooruitbetaling omzetbelasting verschuldigd is geworden op grond van artikel 13, lid 2, van de Wet. Daarom is, aldus de middelen, het ter zake van het (op een later moment) uitreiken van een factuur als de onderhavige opnieuw verschuldigd worden van - reeds eerder op grond van de Wet verschuldigd geworden - omzetbelasting in strijd met de tekst en de bedoeling van artikel 37 van de Wet. Bovendien houdt dit volgens de middelen een schending in van het neutraliteitsbeginsel.
3.4.1.
Op grond van artikel 1, aanhef en letter a, van de Wet wordt, voor zover hier van belang, omzetbelasting geheven ter zake van leveringen van goederen. Deze belasting wordt op grond van artikel 12, lid 1, van de Wet geheven van degene die de levering verricht. In gevallen waarin ingevolge artikel 35 van de Wet een factuur moet worden uitgereikt, wordt deze belasting verschuldigd op het tijdstip van de uitreiking daarvan of, indien deze niet tijdig plaatsvindt, het tijdstip waarop zij uiterlijk had moeten geschieden (artikel 13, lid 1, aanhef en letters a en b, van de Wet). In afwijking in zoverre hiervan wordt de belasting uiterlijk verschuldigd op het tijdstip waarop de vergoeding geheel of gedeeltelijk wordt ontvangen (artikel 13, lid 2, van de Wet). Op grond van artikel 14, lid 1, van de Wet dient de in een tijdvak verschuldigd geworden omzetbelasting op aangifte te worden voldaan.
3.4.2.
Indien een ondernemer nalaat de in een tijdvak verschuldigd geworden omzetbelasting op aangifte te voldoen, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen (artikel 20, lid 1, AWR). De bevoegdheid tot naheffen vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan.
3.4.3.
In dit geval is het Hof veronderstellenderwijs ervan uitgegaan dat de vergoeding in 1999 is vooruitbetaald. Dit houdt in dat naar het oordeel van het Hof (veronderstellenderwijs) de betaling van de koopsom door de koper hetzij is aan te merken als een (opeisbare) vooruitbetaling in de zin van artikel 35, lid 5, tweede volzin, van de Wet - zodat in december 1999 omzetbelasting verschuldigd is geworden op de voet van artikel 13, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet -, hetzij als de ontvangst van een spontaan betaalde vergoeding door [X2] BV in de zin van artikel 13, lid 2, van de Wet. In dit een en ander ligt besloten het oordeel dat in 1999 ter zake van de levering van de onroerende zaken op de voet van de laatstvermelde bepalingen omzetbelasting verschuldigd is geworden.
Hiervan uitgaande is onjuist ’s Hofs oordeel dat – kort gezegd – deze indertijd niet gefactureerde en niet voldane omzetbelasting bij het uitreiken van de factuur in maart 2005 verschuldigd is geworden op de grond dat deze factuur een bedrag aan omzetbelasting vermeldt, dat anders dan ingevolge artikel 37 van de Wet niet verschuldigd is geworden. De enkele omstandigheid dat een factuur met omzetbelasting later wordt uitgereikt dan in artikel 35, lid 5, van de Wet is voorgeschreven, brengt niet mee dat dan in zoverre sprake is van het melding maken van omzetbelasting op een factuur in de zin van artikel 37 van de Wet. Dit nog ervan afgezien dat de Wet ter zake van een ontvangst van een vergoeding in de zin van artikel 13, lid 2, van de Wet geen tijdstip vermeldt waarop de factuur uiterlijk moet worden uitgereikt.
3.4.4.
Op grond van het hiervoor in 3.4.3 overwogene slagen de middelen in zoverre. Zij behoeven voor het overige geen behandeling. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een hernieuwd onderzoek van de zaak in volle omvang.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 454, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1770 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, E.N. Punt en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2013.