Wie iets geschonken krijgt, betaalt schenkbelasting. Niet iedere schenking is belast. In de Successiewet 1956 zijn namelijk vrijstellingen schenkbelasting opgenomen. Artikel 33 geeft de vrijstellingen schenkbelasting.
Wanneer een vrijstelling schenkbelasting van toepassing is, hoeft de begiftigde geen of minder schenkbelasting te betalen. Artikel 33 bevat vrijstellingen voor schenkingen die zijn ontvangen:
-
van de Koning, de voormalig Koning, de kroonprins(es) en hun echtgenoten (onder 1°);
-
door de Staat en van de Staat, een provincie, een gemeente of een BES-eiland (onder 2°);
-
door een provincie of gemeente (onder 3°);
-
door een algemeen nut beogende instelling (onder 4°);
-
door een kind van de ouders, de jaarlijkse vrijstelling (onder 5°);
-
door een kind tussen 18 en 40 jaar oud van de ouders, de eenmalig verhoogde vrijstelling (onder 5°);
-
door anderen (onder 7°);
-
door een persoon die niet in staat is zijn schulden te betalen (onder 8°);
-
door een persoon die over de schenking ook inkomstenbelasting is verschuldigd (onder 9°);
-
van een algemeen nut beogende instelling (onder 10°);
-
van een rechtspersoon die (nagenoeg) uitsluitend ten doel heeft de bevordering van de materiële en geestelijke belangen van de werknemers in het bedrijf van de schenker (onder 11°);
-
in het kader van de voldoening aan een natuurlijke verbintenis (onder 12°);
-
door een sociaal belang behartigende instelling (onder 13°);
-
door een steunstichting SBBI (onder 14°).
In deze aantekening wordt een overzicht gegeven van de vrijstellingen en wordt verder op de vrijstellingen in algemene zin ingegaan.
De vrijstellingen schenkbelasting worden verder afzonderlijk per onderdeel van commentaar voorzien. Voor diepgaander commentaar op de vrijstellingen wordt derhalve verwezen naar het specifieke commentaar per vrijstelling.
Wat vindt u in de Vakstudie?
1. De geschiedenis en de achtergrond van artikel 33 (aant. 1.2 tot en met 1.4)
In aant. 1 wordt ingegaan op een aantal algemene aspecten van de vrijstellingen schenkbelasting. Daarbij wordt ingegaan op de historie van de vrijstelling en de parlementaire behandeling (aant. 1.2) en de bedoeling van de vrijstellingen (aant. 1.4). Een overzicht van de verschenen literatuur over deze vrijstellingen is opgenomen in aant. 1.3.
2. Op welk tijdstip vindt de beoordeling van de toepasselijkheid van de vrijstelling plaats? (aant. 1.5)
Op het moment van de verkrijging moet aan alle voorwaarden voor toepassing van een van de vrijstellingen van artikel 33 zijn voldaan. De beoordeling vindt dus plaats naar het moment van de verkrijging.
3. Samenloop met andere vrijstellingen, andere belastingen en andere bepalingen (aant. 1.6)
In aant. 1.6 wordt achtereenvolgens ingegaan op de mogelijke samenloop tussen de verschillende vrijstellingen van schenkbelasting (aant. 1.6.1), de samenloop tussen schenkbelasting en andere belastingen (aant. 1.6.2) en het verband van de vrijstellingen met andere bepalingen in de Successiewet 1956..
4. Vrijstellingen schenkbelasting die niet in artikel 33 zijn opgenomen (aant. 1.8 tot en met 1.10)
Er zijn ook vrijstellingen schenkbelasting, of regelingen die materieel gelijk zijn aan een vrijstelling, die niet in artikel 33 zijn opgenomen. Hierbij kan gedacht worden aan een grondwettelijke vrijstelling voor bepaalde verkrijgingen door de Koning, een vrijstelling bij bedrijfsopvolging en kwijtscheldingsregelingen.
5. Individuele en buitensporige last (aant. 1.11)
Een aanslag erfbelasting kan in strijd zijn met artikel 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, doordat die aanslag een individuele en buitensporige last vormt voor de belastingplichtige. Hierop wordt ingegaan in aant. 1.11.
6. Hardheidsclausulebeleid (aant. 1.13)
Met toepassing van de hardheidsclausule (artikel 63 van de AWR) kan een tegemoetkoming in de belastingheffing worden verleend als de toepassing van een wettelijke regeling tot een resultaat leidt dat de wetgever niet heeft beoogd of voorzien bij de totstandkoming van die regeling. Er bestaat nogal wat hardheidsclausulebeleid voor de schenkbelasting dat materieel gezien tot eenzelfde resultaat leidt als een wettelijke vrijstelling. Daarnaast bestaat beleid met betrekking tot vrijstellingen die in artikel 33 zijn opgenomen, zoals bijvoorbeeld de eenmalig verhoogde vrijstelling die is opgenomen onder 5° en 7°. Een opsomming van dit beleid is opgenomen in aant. 1.13.
7. Vervallen beleid (aant. 1.14)
In aant. 1.14 wordt kort aandacht besteed aan inmiddels vervallen beleid.
8. Ontwikkelingen op civielrechtelijk en fiscaal gebied (aant. 1.20)
In aant. 1.20 worden enkele ontwikkelingen geschetst op het gebied van het civiele en het fiscale recht die mogelijk gevolgen zullen hebben voor de reikwijdte van vrijstellingen erfbelasting in de toekomst. Ook wordt ingegaan op de verlaging en afschaffing van de eenmalig verhoogde vrijstelling voor de eigen woning.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Successiewet, art. 33 SW 1956, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 17-03-2026
17-03-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/45 en V-N 2026/12.24
01-01-2010 tot: -
Vakstudie Successiewet, art. 33 SW 1956, aant. 1.1
Schenk- en erfbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Schenkbelasting
vrijstelling schenkbelasting
Successiewet 1956 artikel 33
Beschouwing
Wie iets geschonken krijgt, betaalt schenkbelasting. Niet iedere schenking is belast. In de Successiewet 1956 zijn namelijk vrijstellingen schenkbelasting opgenomen. Artikel 33 geeft de vrijstellingen schenkbelasting.
Wanneer een vrijstelling schenkbelasting van toepassing is, hoeft de begiftigde geen of minder schenkbelasting te betalen. Artikel 33 bevat vrijstellingen voor schenkingen die zijn ontvangen:
van de Koning, de voormalig Koning, de kroonprins(es) en hun echtgenoten (onder 1°);
door de Staat en van de Staat, een provincie, een gemeente of een BES-eiland (onder 2°);
door een provincie of gemeente (onder 3°);
door een algemeen nut beogende instelling (onder 4°);
door een kind van de ouders, de jaarlijkse vrijstelling (onder 5°);
door een kind tussen 18 en 40 jaar oud van de ouders, de eenmalig verhoogde vrijstelling (onder 5°);
door anderen (onder 7°);
door een persoon die niet in staat is zijn schulden te betalen (onder 8°);
door een persoon die over de schenking ook inkomstenbelasting is verschuldigd (onder 9°);
van een algemeen nut beogende instelling (onder 10°);
van een rechtspersoon die (nagenoeg) uitsluitend ten doel heeft de bevordering van de materiële en geestelijke belangen van de werknemers in het bedrijf van de schenker (onder 11°);
in het kader van de voldoening aan een natuurlijke verbintenis (onder 12°);
door een sociaal belang behartigende instelling (onder 13°);
door een steunstichting SBBI (onder 14°).
In deze aantekening wordt een overzicht gegeven van de vrijstellingen en wordt verder op de vrijstellingen in algemene zin ingegaan.
De vrijstellingen schenkbelasting worden verder afzonderlijk per onderdeel van commentaar voorzien. Voor diepgaander commentaar op de vrijstellingen wordt derhalve verwezen naar het specifieke commentaar per vrijstelling.
Wat vindt u in de Vakstudie?
1. De geschiedenis en de achtergrond van artikel 33 (aant. 1.2 tot en met 1.4)
In aant. 1 wordt ingegaan op een aantal algemene aspecten van de vrijstellingen schenkbelasting. Daarbij wordt ingegaan op de historie van de vrijstelling en de parlementaire behandeling (aant. 1.2) en de bedoeling van de vrijstellingen (aant. 1.4). Een overzicht van de verschenen literatuur over deze vrijstellingen is opgenomen in aant. 1.3.
2. Op welk tijdstip vindt de beoordeling van de toepasselijkheid van de vrijstelling plaats? (aant. 1.5)
Op het moment van de verkrijging moet aan alle voorwaarden voor toepassing van een van de vrijstellingen van artikel 33 zijn voldaan. De beoordeling vindt dus plaats naar het moment van de verkrijging.
3. Samenloop met andere vrijstellingen, andere belastingen en andere bepalingen (aant. 1.6)
In aant. 1.6 wordt achtereenvolgens ingegaan op de mogelijke samenloop tussen de verschillende vrijstellingen van schenkbelasting (aant. 1.6.1), de samenloop tussen schenkbelasting en andere belastingen (aant. 1.6.2) en het verband van de vrijstellingen met andere bepalingen in de Successiewet 1956..
4. Vrijstellingen schenkbelasting die niet in artikel 33 zijn opgenomen (aant. 1.8 tot en met 1.10)
Er zijn ook vrijstellingen schenkbelasting, of regelingen die materieel gelijk zijn aan een vrijstelling, die niet in artikel 33 zijn opgenomen. Hierbij kan gedacht worden aan een grondwettelijke vrijstelling voor bepaalde verkrijgingen door de Koning, een vrijstelling bij bedrijfsopvolging en kwijtscheldingsregelingen.
5. Individuele en buitensporige last (aant. 1.11)
Een aanslag erfbelasting kan in strijd zijn met artikel 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, doordat die aanslag een individuele en buitensporige last vormt voor de belastingplichtige. Hierop wordt ingegaan in aant. 1.11.
6. Hardheidsclausulebeleid (aant. 1.13)
Met toepassing van de hardheidsclausule (artikel 63 van de AWR) kan een tegemoetkoming in de belastingheffing worden verleend als de toepassing van een wettelijke regeling tot een resultaat leidt dat de wetgever niet heeft beoogd of voorzien bij de totstandkoming van die regeling. Er bestaat nogal wat hardheidsclausulebeleid voor de schenkbelasting dat materieel gezien tot eenzelfde resultaat leidt als een wettelijke vrijstelling. Daarnaast bestaat beleid met betrekking tot vrijstellingen die in artikel 33 zijn opgenomen, zoals bijvoorbeeld de eenmalig verhoogde vrijstelling die is opgenomen onder 5° en 7°. Een opsomming van dit beleid is opgenomen in aant. 1.13.
7. Vervallen beleid (aant. 1.14)
In aant. 1.14 wordt kort aandacht besteed aan inmiddels vervallen beleid.
8. Ontwikkelingen op civielrechtelijk en fiscaal gebied (aant. 1.20)
In aant. 1.20 worden enkele ontwikkelingen geschetst op het gebied van het civiele en het fiscale recht die mogelijk gevolgen zullen hebben voor de reikwijdte van vrijstellingen erfbelasting in de toekomst. Ook wordt ingegaan op de verlaging en afschaffing van de eenmalig verhoogde vrijstelling voor de eigen woning.