Op grond van artikel 7.8 worden belastingplichtigen die:
⁃
geen inwoner zijn van Nederland;
⁃
inwoner zijn van een andere lidstaat van de EU, de Europese Economische Ruimte (EER), Zwitserland of de BES-eilanden; en
⁃
over meer dan 90% of meer van hun inkomen in Nederland loon- of inkomstenbelasting betalen;
als zogeheten kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen aangemerkt. Dit betekent dat zij recht op dezelfde aftrekposten en heffingskortingen als inwoners van Nederland. Hiermee geeft Nederland invulling aan het Schumacker-arrest. Bij kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen worden alleen de inkomsten uit Nederland belast, net als bij andere buitenlandse belastingplichtigen. Voor zover kwalificerende buitenlandse belastingplichtigenkosten kunnen aftrekken in hun woonland, hebben zij in Nederland geen recht op de aftrekposten. Immers, in dat geval kan in de woonstaat al rekening worden gehouden met de persoonlijke situatie en gezinssituatie. Artikel 7.8 is sinds 1 januari 2015 in de plaats gekomen van artikel 2.5.
Wat vindt u in de Vakstudie?
1. De geschiedenis en achtergrond van artikel 7.8 (aant. 1)
Artikel 7.8 is op 1 januari 2015 in de plaats gekomen van artikel 2.5. Ter vervanging van de keuzeregeling van artikel 2.5 is een nieuwe regeling in het leven geroepen voor buitenlandse belastingplichtigen die hun inkomen geheel of nagenoeg geheel in Nederland verdienen en die op grond van Europese jurisprudentie een gelijke behandeling met binnenlandse belastingplichtigen behoren te krijgen. Artikel 2.5 verviel omdat dat artikel enerzijds verder zou gaan dan Europeesrechtelijk noodzakelijk is en omdat het personele bereik van de keuzeregeling ruimer is dan de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) op dit punt, en anderzijds omdat een aantal aspecten van artikel 2.5 mogelijk niet in overeenstemming is met het recht van de Europese Unie (EU). Met artikel 7.8 wordt beoogd de regeling op grond waarvan bepaalde buitenlandse belastingplichtigen gelijk behandeld moeten worden met binnenlandse belastingplichtigen in overeenstemming te brengen met het recht van de EU.
2. De bepaling van het inkomen uit werk en woning (box 1), aanmerkelijk belang (box 2) en sparen en beleggen (box 3) (aant. 2, aant. 3 respectievelijk aant. 4)
Het belastbare inkomen uit werk en woning (box 1) wordt wordt bepaald aan de hand van artikel 7.2. Het betreft hier in grote lijnen de belastbare winst uit een Nederlandse onderneming, het belastbaar loon terzake van in Nederland verrichte arbeid, het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in Nederland, de belastbare periodieke pensioen- en lijfrente-uitkeringen en verstrekkingen uit Nederland en de belastbare publiekrechtelijke periodieke uitkeringen en verstrekkingen. De (negatieve) belastbare inkomsten uit een eigen woning in Nederland behoren ook het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland.
Het inkomen van een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige uit aanmerkelijk belang (box 2) in een in Nederland gevestigde vennootschap wordt bepaald aan de hand van artikel 7.5 en 7.6. Artikel 7.5 bevat de regeling voor inkomen uit aanmerkelijk belang genoten door buitenlandse belastingplichtigen. De regeling volgt op hoofdlijnen de in hoofdstuk 4 opgenomen regeling voor binnenlandse belastingplichtigen.
Het inkomen van een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige uit sparen en beleggen in Nederland wordt bepaald op grond van artikel 7.7. De rendementsgrondslag in Nederland is de waarde van de bezittingen in Nederland verminderd met de waarde van de schulden die verband houden met de bezittingen in Nederland. Bezittingen in Nederland zijn in Nederland gelegen onroerende zaken en rechten die direct of indirect betrekking hebben op in Nederland gelegen onroerende zaken en rechten op aandelen in de winst van een onderneming waarvan de leiding in Nederland is gevestigd, voor zover niet voortvloeiend uit aandelenbezit of uit dienstbetrekking en dat geen belastbaar inkomen uit werk en woning of uit aanmerkelijk belang is, zoals het winstrecht van een commanditaire vennoot. De staatssecretaris van Financiën heeft op 8 september 2023 een internetconsultatie gepubliceerd van de Wet werkelijk rendement box 3 (aant. 1.21). Het desbetreffende conceptvoorstel bevat ook een wijziging in artikel 7.7 en bijgevolg ook in artikel 7.8.
3. De vangnetbepaling (aant. 5)
Als een kwalificerende belastingplichtige in zijn woonstaat recht heeft op bijvoorbeeld aftrek van hypotheekrente, pensioen- of lijfrentepremies of persoonsgebonden aftrekposten, dan kan hij deze kosten niet (nogmaals) in Nederland aftrekken.
4. De bepaling van inkomensafhankelijke aftrekposten (aant. 6)
Bij de berekening van inkomstenafhankelijke aftrekposten, zoals de giftenaftrek, wordt uitgegaan van het gehele inkomen, dus niet alleen van het inkomen in Nederland.
5. Wanneer wordt iemand als een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige aangemerkt? (aant. 7)
Een buitenlandse belastingplichtige die aan de voorwaarden voldoet, wordt altijd als een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige aangemerkt. Het is dus niet zo dat een belastingplichtige daarvoor kan kiezen.
6. De berekening van het inkomen (aant. 8)
Om te bepalen of de belastingplichtige aan de 90%-eis voldoet, moet zijn inkomen in Nederland worden gedeeld door zijn wereldwijde inkomen.
7. Beleidsbesluit pro-rata-aftrek (aant. 9)
In het besluit van 3 december 2019, nr. 2019-184103, Stcrt. 2019, 66192, is beleid opgenomen over de gevolgen van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 9 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:102. Dit besluit beschrijft de wijze waarop bij een niet kwalificerende buitenlandse belastingplichtige rekening moet worden gehouden met persoonlijke aftrekposten en tegemoetkomingen als de belastingplichtige in zijn woonland geen of onvoldoende inkomsten geniet om met zijn persoonlijke en gezinssituatie rekening te kunnen houden. Het besluit werkt terug tot en met 9 februari 2017.
8. De delegatiebepaling (aant. 10)
In het achtste lid is een delegatiebepaling opgenomen op grond waarvan een buitenlandse belastingplichtige alsnog als een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige worden aangemerkt voor het geval Nederland daar op grond van het EU-recht toe zou zijn gehouden en artikel 7.8 daar niet in voorziet.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Inkomstenbelasting, art. 7.8 Wet IB 2001, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 04-04-2026
04-04-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/45 en V-N 2026/12.24.
01-01-2015 tot: -
Vakstudie Inkomstenbelasting, art. 7.8 Wet IB 2001, aant. 1.1
Inkomstenbelasting / Buitenlands belastingplichtige
buitenlands belastingplichtige
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 7.8
Beschouwing
Op grond van artikel 7.8 worden belastingplichtigen die:
geen inwoner zijn van Nederland;
inwoner zijn van een andere lidstaat van de EU, de Europese Economische Ruimte (EER), Zwitserland of de BES-eilanden; en
over meer dan 90% of meer van hun inkomen in Nederland loon- of inkomstenbelasting betalen;
als zogeheten kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen aangemerkt. Dit betekent dat zij recht op dezelfde aftrekposten en heffingskortingen als inwoners van Nederland. Hiermee geeft Nederland invulling aan het Schumacker-arrest. Bij kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen worden alleen de inkomsten uit Nederland belast, net als bij andere buitenlandse belastingplichtigen. Voor zover kwalificerende buitenlandse belastingplichtigenkosten kunnen aftrekken in hun woonland, hebben zij in Nederland geen recht op de aftrekposten. Immers, in dat geval kan in de woonstaat al rekening worden gehouden met de persoonlijke situatie en gezinssituatie. Artikel 7.8 is sinds 1 januari 2015 in de plaats gekomen van artikel 2.5.
Wat vindt u in de Vakstudie?
1. De geschiedenis en achtergrond van artikel 7.8 (aant. 1)
Artikel 7.8 is op 1 januari 2015 in de plaats gekomen van artikel 2.5. Ter vervanging van de keuzeregeling van artikel 2.5 is een nieuwe regeling in het leven geroepen voor buitenlandse belastingplichtigen die hun inkomen geheel of nagenoeg geheel in Nederland verdienen en die op grond van Europese jurisprudentie een gelijke behandeling met binnenlandse belastingplichtigen behoren te krijgen. Artikel 2.5 verviel omdat dat artikel enerzijds verder zou gaan dan Europeesrechtelijk noodzakelijk is en omdat het personele bereik van de keuzeregeling ruimer is dan de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) op dit punt, en anderzijds omdat een aantal aspecten van artikel 2.5 mogelijk niet in overeenstemming is met het recht van de Europese Unie (EU). Met artikel 7.8 wordt beoogd de regeling op grond waarvan bepaalde buitenlandse belastingplichtigen gelijk behandeld moeten worden met binnenlandse belastingplichtigen in overeenstemming te brengen met het recht van de EU.
2. De bepaling van het inkomen uit werk en woning (box 1), aanmerkelijk belang (box 2) en sparen en beleggen (box 3) (aant. 2, aant. 3 respectievelijk aant. 4)
Het belastbare inkomen uit werk en woning (box 1) wordt wordt bepaald aan de hand van artikel 7.2. Het betreft hier in grote lijnen de belastbare winst uit een Nederlandse onderneming, het belastbaar loon terzake van in Nederland verrichte arbeid, het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in Nederland, de belastbare periodieke pensioen- en lijfrente-uitkeringen en verstrekkingen uit Nederland en de belastbare publiekrechtelijke periodieke uitkeringen en verstrekkingen. De (negatieve) belastbare inkomsten uit een eigen woning in Nederland behoren ook het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland.
Het inkomen van een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige uit aanmerkelijk belang (box 2) in een in Nederland gevestigde vennootschap wordt bepaald aan de hand van artikel 7.5 en 7.6. Artikel 7.5 bevat de regeling voor inkomen uit aanmerkelijk belang genoten door buitenlandse belastingplichtigen. De regeling volgt op hoofdlijnen de in hoofdstuk 4 opgenomen regeling voor binnenlandse belastingplichtigen.
Het inkomen van een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige uit sparen en beleggen in Nederland wordt bepaald op grond van artikel 7.7. De rendementsgrondslag in Nederland is de waarde van de bezittingen in Nederland verminderd met de waarde van de schulden die verband houden met de bezittingen in Nederland. Bezittingen in Nederland zijn in Nederland gelegen onroerende zaken en rechten die direct of indirect betrekking hebben op in Nederland gelegen onroerende zaken en rechten op aandelen in de winst van een onderneming waarvan de leiding in Nederland is gevestigd, voor zover niet voortvloeiend uit aandelenbezit of uit dienstbetrekking en dat geen belastbaar inkomen uit werk en woning of uit aanmerkelijk belang is, zoals het winstrecht van een commanditaire vennoot. De staatssecretaris van Financiën heeft op 8 september 2023 een internetconsultatie gepubliceerd van de Wet werkelijk rendement box 3 (aant. 1.21). Het desbetreffende conceptvoorstel bevat ook een wijziging in artikel 7.7 en bijgevolg ook in artikel 7.8.
3. De vangnetbepaling (aant. 5)
Als een kwalificerende belastingplichtige in zijn woonstaat recht heeft op bijvoorbeeld aftrek van hypotheekrente, pensioen- of lijfrentepremies of persoonsgebonden aftrekposten, dan kan hij deze kosten niet (nogmaals) in Nederland aftrekken.
4. De bepaling van inkomensafhankelijke aftrekposten (aant. 6)
Bij de berekening van inkomstenafhankelijke aftrekposten, zoals de giftenaftrek, wordt uitgegaan van het gehele inkomen, dus niet alleen van het inkomen in Nederland.
5. Wanneer wordt iemand als een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige aangemerkt? (aant. 7)
Een buitenlandse belastingplichtige die aan de voorwaarden voldoet, wordt altijd als een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige aangemerkt. Het is dus niet zo dat een belastingplichtige daarvoor kan kiezen.
6. De berekening van het inkomen (aant. 8)
Om te bepalen of de belastingplichtige aan de 90%-eis voldoet, moet zijn inkomen in Nederland worden gedeeld door zijn wereldwijde inkomen.
7. Beleidsbesluit pro-rata-aftrek (aant. 9)
In het besluit van 3 december 2019, nr. 2019-184103, Stcrt. 2019, 66192, is beleid opgenomen over de gevolgen van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 9 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:102. Dit besluit beschrijft de wijze waarop bij een niet kwalificerende buitenlandse belastingplichtige rekening moet worden gehouden met persoonlijke aftrekposten en tegemoetkomingen als de belastingplichtige in zijn woonland geen of onvoldoende inkomsten geniet om met zijn persoonlijke en gezinssituatie rekening te kunnen houden. Het besluit werkt terug tot en met 9 februari 2017.
8. De delegatiebepaling (aant. 10)
In het achtste lid is een delegatiebepaling opgenomen op grond waarvan een buitenlandse belastingplichtige alsnog als een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige worden aangemerkt voor het geval Nederland daar op grond van het EU-recht toe zou zijn gehouden en artikel 7.8 daar niet in voorziet.