Voor zover in cassatie van belang. Zie het vonnis van de rechtbank Breda van 21 december 2012 en het arrest van het hof Den Bosch van 21 februari 2013, r.o. 2.1-3.4.2.
HR, 03-05-2013, nr. 13/01055
ECLI:NL:HR:2013:BZ5674
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
03-05-2013
- Zaaknummer
13/01055
- Conclusie
Mr. L. Timmerman
- LJN
BZ5674
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:BZ5674, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 03‑05‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ5674
ECLI:NL:PHR:2013:BZ5674, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 22‑03‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ5674
- Vindplaatsen
Uitspraak 03‑05‑2013
3 mei 2013
Eerste Kamer
13/01055
EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak met het insolventienummer 12.513 R van de rechtbank Breda van 21 december 2012;
b. het arrest in de zaak HV 200.119.570/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 februari 2013.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkheid op de voet van art. 80a RO.
De advocaat van [verzoeker] heeft bij brief van 2 april 2013 op dit standpunt gereageerd.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 2).
De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 3 mei 2013.
Conclusie 22‑03‑2013
Mr. L. Timmerman
Partij(en)
13/01055
Mr. L. Timmerman
Zitting 22 maart 2013
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
verzoeker tot cassatie,
1. Feiten en procesverloop1.
1.1
Bij vonnis van de rechtbank Breda van 27 juni 2012 is ten aanzien van [verzoeker] de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.
1.2
Bij vonnis van 21 december 2012 heeft de rechtbank de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd op grond van art. 350 lid 3 aanhef en sub c en e Fw.
1.3
Tegen dit vonnis is [verzoeker] in hoger beroep gekomen bij het hof Den Bosch. Hij verzocht het hof alsnog afwijzing van de voordracht tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling met verzoek de looptijd daarvan eventueel te verlengen met een of twee jaar. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 februari 2013.
Bij arrest van 2013 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
1.4
[Verzoeker] is van dit arrest tijdig2. in cassatie gekomen.
2. Ontvankelijkheid
2.1
Het verzoekschrift bevat twee cassatiemiddelen, elk bestaand uit meerdere ongenummerde alinea's.
Middel I betoogt dat het hof had moeten toetsen of de overstelpende hoeveelheid informatie welke [verzoeker] heeft opgestuurd "toerekenbaar" niet de informatie was waar de bewindvoerder(s) om vroegen "om tot een adequate uitvoering van de schuldsaneringsregeling'' te komen. Het begrip "om tot een adequate uitvoering van de schuldsaneringsregeling" te komen wordt door het hof niet gedefinieerd, zodat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, althans sprake is van een motiveringsgebrek.
Het middel faalt. Het komt op tegen slechts één van de door het hof in r.o. 3.5.2 genoemde tekortkomingen in de informatieverplichting en laat de overige in die rechtsoverweging genoemde tekortkomingen (te weten de weigering van [verzoeker] om de bewindvoerder te informeren over zijn woon- of verblijfplaats en zijn weinig coöperatieve houding jegens beide bewindvoerders) onverlet. Deze overige tekortkomingen kunnen het oordeel van het hof dat [verzoeker] is tekortgeschoten in één of meer van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende plichten zelfstandig dragen, nog los van de eveneens zelfstandig dragende grond genoemd in r.o. 3.5.5 (zie hierna de behandeling van middel II).
Overigens mist het middel feitelijke grondslag: het hof toetst in r.o. 3.5.2 of [verzoeker] heeft voldaan aan de door hem ten tijde van het huisbezoek ondertekende regels die van toepassing zijn op de schuldsaneringsregeling.
2.2
Middel II betoogt dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij de - kennelijk emotionele - uitlating van [verzoeker] ter zitting dat hij niet over enig inkomen beschikt, dat hij om hem moverende redenen geen bijstandsuitkering wenst aan te vragen, dat hij niet over een vaste woon-of verblijfplaats beschikt en een zwervend bestaan leidt.
Het middel geeft evenwel niet met de vereiste precisie aan waarin de onjuistheid van het oordeel is gelegen, en stelt niet dat de emotionele uitlating van [verzoeker] feitelijk onjuist is.
Bovendien mist het middel belang, nu het op r.o. 3.5.2 gebaseerde oordeel dat [verzoeker] is tekortgeschoten in één of meer van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende plichten de bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank zelfstandig kan dragen.
Verder vraagt het middel een herbeoordeling van de feiten die de cassatierechter niet kan geven.
Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 22‑03‑2013
Het verzoekschrift tot cassatie is per fax ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 1 maart 2013, overeenkomstig de in art. 351 lid 5 Fw genoemde cassatietermijn van 8 dagen.