Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/IX.3.3.2
IX.3.3.2 Het theoretisch fundament
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS357618:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook: Verhagen & Rongen 2000, p. 51 e.v.
Zie de artikelen 1584 lid 1, 1586, 1588 en 1591 BW (oud).
Vgl. ook: Blom 1988a, p. 22.
Vgl. Meijers 1958, p. 93-94, die met betrekking tot “contractuele rechten, die slechts uitgeoefend kunnen worden, nadat de belanghebbende zelf aan zijn verplichtingen voldaan heeft” opmerkt, dat het om “verkregen rechten” gaat “ook al kan dit recht eerst geldend gemaakt worden, nadat men zijnerzijds geleverd heeft of nadat men zich daartoe bereid verklaard heeft”. Voor huur- of pachtvorderingen zou zijns inziens hetzelfde gelden. Zie ook de annotatie van Meijers bij het arrest De Boer/Haskerveenpolder (NJ 1940, 848) waarin hij opmerkt: “Het bij een wederkeerige overeenkomst beschouwen van de eene prestatie als een “voorwaarde” voor het verschuldigd zijn van de andere prestatie, zoodat eerst met de vervulling dier voorwaarde de vordering ontstaat, is m.i. een opvatting, die onze wet vreemd is”. Zie verder diens noot onder HR 9 december 1932, NJ 1933, p. 300 e.v. Vgl. reeds: Tieleman 1923, p. 89-90 en de conclusie van P-G Tak voor het loonbeslag-arrest, NJ 1932, p. 303.
Met betrekking tot huurvorderingen was dit aanvankelijk ook de benadering van de Hoge Raad. Zie HR 15 maart 1940, NJ 1940, 848, m.nt. EMM, p. 1259-1260, waar de Hoge Raad overweegt “dat door het sluiten eener huurovereenkomst voor den huurder ontstaat [curs. MHER] de verbintenis tot betaling van de overeengekomen huurtermijnen op de bij de overeenkomst vastgestelde vervaldagen en voor den verhuurder een vordering dienovereenkomstig, terwijl in ons recht geenerlei bepaling belet, dat de verhuurder over die vordering, waarvan hij, op het oogenblik eener cessie, tot het geheele bedrag de eenig gerechtigde is, ten volle beschikt door die voor alle termijnen aan een derde over te dragen.” Vgl. over de duurverbintenis: Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nr. 43 en de daar genoemde literatuur.
Zie Parl. Gesch. Boek 6, p. 989, p. 991 en p. 992.
Zie HR 6 juni 1997, NJ 1998, 128, m.nt. PAS.
Zie r.o. 3.4. Vgl. ook: HR 8 maart 2002, NJ 2002, 199 (Hendrikx/Peters).
Het ligt niet voor de hand dat de Hoge Raad van mening zou zijn dat de verhuurder, ondanks het feit dat het gebruik van de zaak door de huurder geheel of in belangrijke mate verhinderd is, toch aan zijn verplichting tot het verschaffen van huurgenot heeft voldaan, zodat er een vordering tot het betalen van huur is ontstaan, die echter door de huurder kan worden opgeschort. Evenmin ligt voor de hand de benadering dat de vordering zonder meer ontstaat, indien zij opeisbaar wordt, ongeacht of er huurgenot is verschaft, waarna de schuldenaar evenwel een beroep op opschorting kan doen. Het ontstaan van de huurvordering zou dan immers, anders dan waar het WUH-arrest van uitgaat, niet afhankelijk zijn van de verschaffing van het huurgenot. Overigens zij erop gewezen dat de vraag of de huurvordering als een bestaande of een toekomstige vordering moest worden aangemerkt, in de procedure niet in geschil was. Zie ook: Verhagen & Rongen 2000, p. 48.
871. Kritische kanttekeningen bij het theoretische fundament van het arrest WUH/Emmerig q.q. Het kan worden betwijfeld of het theoretische fundament van het arrest WUH/Emmerig q.q. wel solide is.1 Weliswaar zou uit de door de Hoge Raad genoemde wetsbepalingen2 kunnen worden afgeleid – duidelijk is dat echter niet – dat de verhuurder in beginsel – zonder nadere afspraken – pas betaling van de huur kan vorderen, indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan, waaronder het verschaffen van het huurgenot, maar dat hoeft nog niet tot de conclusie te leiden dat huurvorderingen toekomstige vorderingen zijn en niet als bestaande vorderingen onder tijdsbepaling en/of voorwaarden zouden kunnen worden aangemerkt.3 Het oordeel van de Hoge Raad en de hiervoor genoemde opvattingen staan op gespannen voet met de aard van een wederkerige verbintenisscheppende overeenkomst. Een wederkerige verbintenisscheppende overeenkomst (zoals een huur- of een koopovereenkomst) is er naar zijn aard op gericht om van meet af aan over en weer verbintenissen te doen ontstaan (zie art. 6:261 lid 1 BW, alsmede hierna:§ 3.5.4). De bevoegdheid van de schuldenaar om de nakoming van zijn verplichting achterwege te laten, indien de schuldeiser nalaat de tegenprestatie te verrichten, is niet het gevolg van het feit dat zijn schuld nog niet is ontstaan, maar van een aan de schuldenaar toekomend opschortingsrecht, een opschortende voorwaarde of een recht van (gedeeltelijke) ontbinding (artt. 6:262, 263, 265 BW). Voor de bescherming van de huurder is het dus niet nodig om de huurvordering als een toekomstige aan te merken. Het enkele feit dat de verbintenisscheppende overeenkomst een duurovereenkomst is met een periodiek karakter, noopt niet tot een andere conclusie.4 De analyse is dan – en dat zou ook voor huur kunnen worden aangenomen – dat de overeenkomst van meet af aan duurverbintenissen in het leven roept die verplichten tot voortdurende of periodieke prestaties.5
Het feit dat de (opeisbaarheid van de) vordering afhankelijk is van een nog door de schuldeiser te verrichten prestatie, zou op zichzelf voor de analyse niet relevant hoeven te zijn. Denk aan een koopovereenkomst waarbij de koper heeft bedongen dat de koopprijs eerst betaald hoeft te worden als de koopwaar afgeleverd is. Deze afspraak brengt niet met zich dat de vordering tot betaling van de koopprijs pas ontstaat na aflevering. Het lijdt geen twijfel dat het gaat om een bestaande vordering onder een opschortende voorwaarde. Ook in de parlementaire geschiedenis wordt de figuur van een bestaande vordering onder de opschortende voorwaarde dat de schuldeiser zelf eerst presteert, met zoveel woorden erkend.6 De afhankelijkheid van de vordering van de prestatie(plicht) van de schuldeiser, hoeft er dus niet aan in de weg te staan dat de vordering als een bestaande kan worden aangemerkt. Het feit dat huur een duurovereenkomst is, zou er niet toe moeten doen.
In dit verband kan nog worden gewezen op het opmerkelijke arrest Van Bommel/Ruijgrok-Ballering.7 In dit arrest oordeelde de Hoge Raad dat de huurder bevoegd is de betaling van de huur op te schorten, indien de verhuurde zaak (in casu een woning) dusdanige gebreken vertoont dat het gebruik van de zaak daardoor geheel of in belangrijke mate verhinderd is.8 Hoewel de verhuurder in feite is tekortgeschoten in zijn verplichting om het huurgenot te verschaffen, rustte er kennelijk op de huurder niettemin een verplichting om huur te betalen. Het arrest staat op gespannen voet met het arrest WUH/Emmerig q.q. De Hoge Raad lijkt immers, anders dan in het WUH-arrest, uit te gaan – naar mijn mening terecht – van de constructie dat er voor de huurder een voortdurende verbintenis bestaat tot periodieke betaling van huur, waarmee een bestaande vordering van de verhuurder correspondeert en waarvan de nakoming door de huurder kan worden opgeschort, indien de verhuurder in zijn verplichting tot het verschaffen van huurgenot tekortschiet.9