Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/5.2.1
5.2.1 De Wet op de Omzetbelasting 1954
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS397622:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamer II, vergaderjaar 1951-1952, 2602, nr. 3 (MvT), blz. 25.
Art. 6 UB OB 1954 verwijst dan ook naar art. 12, vijfde lid, UB OB 1954.
Paragraaf 38, eerste lid, Leidraad Omzetbelasting 1954, opgenomen in C.P. Tuk, Wet op de Omzetbelasting 1954, Zwolle, N.V. Uitgevers-maatschappij W.E.J. Tjeenk Willink, 1955, blz. 224.
Aldus ook: H.W.M. van Kesteren, Het begrip vaste inrichting’ in de omzetbelasting, in: L.W. Sillevis, N.H. de Vries en M.A. Wisselink (red.), Leids fiscaal jaarboek 1987. Fiscaal ondernemingsrecht, Arnhem, Gouda Quint, 1987, blz. 96.
HR 11 maart 1992, nr. 27 739, BNB 1992/173.
Wet van 23 december 1965, Stb. 1965, 661.
Wet van 2 juli 1959, Stb. 1959, 301.
Dit staat vermeld in de aanhef van de wet van 23 december 1965, Stb. 1965, 661.
Kamer II, vergaderjaar 1965-1966, 8032, nr. 5 (MvA), blz. 3.
Reeds in de Wet OB 1954 komt een woon- en vestigingsplaats als heffingsaanknopingspunt voor. Art. 5, tweede lid, Wet OB 1954 geeft voor een aantal diensten, zoals diensten met betrekking tot een onroerende zaak, bijzondere regels ter bepaling van de plaats van dienst. Voor alle overige diensten geldt op grond van art. 5, tweede lid, onderdeel d, Wet OB 1954 dat deze belast zijn in het land waar degene aan wie de dienst wordt bewezen woont of is gevestigd. Indien degene aan wie de dienst wordt bewezen niet in Nederland woont of is gevestigd, maar wel in Nederland het genot van de prestatie heeft, wordt de dienst echter belast daar waar de ondernemer zijn prestatie of het belangrijkste deel van zijn prestatie verricht. Uit de Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel voor de Wet OB 1954 blijkt dat de wetgever met de regels voor de plaats van dienst en dus ook met het criterium ‘woont of is gevestigd’ ernaar streeft om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de gedachte dat heffing dient plaats te vinden in het land van verbruik zonder dat dit tot praktische moeilijkheden leidt. Een dienst wordt volgens de wetgever in Nederland verbruikt wanneer degene aan wie hij wordt bewezen in Nederland het genot van die dienst heeft.1
Naast de regeling voor de plaats van dienst is het van groot belang om de aansprakelijkheidsregeling van art. 20, tweede lid, Wet OB 1954 (tekst 1954) te noemen. Op grond van deze bepaling is de in Nederland woonachtige of gevestigde ontvangende ondernemer van een levering of dienst van een buitenlandse ondernemer hoofdelijk aansprakelijk voor de door de presterende ondernemer verschuldigde omzetbelasting. Art. 6 UB OB 1954 (tekst 1954) geeft de ondernemer die hoofdelijk aansprakelijk is een meldingsplicht. Hij dient de leveringen en diensten waarvoor hij hoofdelijk aansprakelijk is te melden bij de inspecteur der accijnzen te ’s-Gravenhage. De melding bij de inspecteur in ’s-Gravenhage houdt verband met het feit dat deze op grond van art. 12, vijfde lid, UB OB 1954 (tekst 1954) ter zake van de heffing van omzetbelasting voor de presterende ondernemer bevoegd is.2 Via de melding die de ondernemer die de prestatie ontvangt doet, kan de inspecteur nagaan welke leveringen en diensten door buitenlandse ondernemers in Nederland zijn verricht en of de belasting over deze leveringen en diensten door deze buitenlandse ondernemers is betaald. Is dit niet het geval dan kan de inspecteur de omzetbelasting verhalen op de in Nederland woonachtige of gevestigde ondernemer die de prestatie heeft ontvangen.3 Uit art. 12 UB OB 1954 (tekst 1954) kan worden afgeleid wanneer sprake is van een in het buitenland gevestigde ondernemer. Art. 12 UB OB 1954 (tekst 1954) luidt als volgt:
“Artikel 12
Ten aanzien van de ondernemer, die hier te lande woont of is gevestigd, is bevoegd de inspecteur binnen wiens ambtskring het bedrijf of beroep of het belangrijkste gedeelte daarvan wordt uitgeoefend. Voor de toepassing van deze bepaling worden verscheidene door een ondernemer uitgeoefende bedrijven of beroepen als één bedrijf of beroep beschouwd.
Ten aanzien van de ondernemer, die hier te lande woont of is gevestigd, doch die zijn bedrijf of beroep rondvarend of rondtrekkend uitoefent, is bevoegd de inspecteur binnen wiens ambtskring de ondernemer woont of is gevestigd.
Ten aanzien van de ondernemer, die hier te lande woont of is gevestigd, doch die hier te lande geen woon- of verblijfplaats heeft, is bevoegd de inspecteur, die zich het eerste met de belasting bemoeit.
Ten aanzien van de ondernemer die niet hier te lande woont of is gevestigd, is bevoegd de inspecteur binnen wiens ambtskring:
de enige of belangrijkste vaste inrichting zich bevindt, indien de ondernemer hier te lande één of meer vaste inrichtingen heeft;
de enige of de belangrijkste vertegenwoordiger kantoor houdt of woont, indien de ondernemer hier te lande geen vaste inrichting, doch wel één of meer vaste vertegenwoordigers heeft.
Bij twijfel omtrent de belangrijkheid van vaste inrichtingen of vertegenwoordigers beslist uitsluitend de Inspecteur der accijnzen te ’s-Gravenhage.
Ten aanzien van de ondernemer, die niet hier te lande woont of is gevestigd en die niet onder het vierde lid valt, is bevoegd de Inspecteur te ’s-Gravenhage.
In afwijking van het eerste, vierde en vijfde lid is ten aanzien van natuurlijke personen, die een vrij beroep uitoefenen, bevoegd de inspecteur binnen wiens ambtskring de ondernemer woont of, indien de ondernemer niet hier ten lande woont doch aldaar wel gewoonlijk verblijf houdt, de inspecteur binnen wiens ambtskring de verblijfplaats zich bevindt. In het laatste geval is, indien de ondernemer gewoonlijk hier te lande verblijf houdt, doch zulks niet doet binnen de ambtskring van een bepaalde inspecteur, bevoegd de inspecteur die zich het eerst met de belastingheffing bemoeit.”
Uit art. 12 UB OB 1954 (tekst 1954) volgt dat sprake is van een in het buitenland woonachtige of gevestigde ondernemer indien een ondernemer niet in Nederland woont of is gevestigd en in Nederland geen vaste inrichting of een vaste vertegenwoordiger heeft.4 Het zijn immers slechts deze ondernemers ten aanzien waarvan de inspecteur in ’s-Gravenhage bevoegd is. Verder volgt uit art. 12 UB OB 1954 (tekst 1954) dat de plaats waar iemand woont of is gevestigd een andere plaats kan zijn dan die waar hij zijn bedrijf uitoefent. Niet de inspecteur binnen wiens ambtskring de belastingplichtige woont of is gevestigd, maar de inspecteur binnen wiens ambtskring de belastingplichtige het bedrijf of beroep of het belangrijkste gedeelte daarvan uitoefent, is op grond van art. 12, eerste lid, UB OB 1954 (tekst 1954) bevoegd. Aangenomen moet worden dat met de plaats waar de ondernemer woont of is gevestigd wordt gedoeld op de plaats waar hij zijn privéleven heeft respectievelijk de plaats waar de ondernemer statutair is gevestigd of eventueel de plaats waar de feitelijke leiding wordt uitgeoefend. Met de plaats waar het bedrijf of beroep wordt uitgeoefend, zal juist gedoeld worden op de daadwerkelijke bedrijfsuitoefening. Het is ook logisch dat daarbij wordt aangesloten. In het algemeen zullen vanuit die plaats de belastbare leveringen en diensten worden verricht. Indien een dergelijk vast punt ontbreekt, zoals bij de rondtrekkende ondernemer, wordt teruggekeerd naar de woon- of vestigingsplaats, art. 12, tweede lid, UB OB 1954 (tekst 1954). Voor ondernemers die een beroep uitoefenen is evenwel op grond van art. 12, zesde lid, UB OB 1954 de inspecteur bevoegd binnen wiens ambtskring de belastingplichtige woont. Als de belastingplichtige beroepsbeoefenaar niet in Nederland woont, maar in Nederland wel gewoonlijk verblijf houdt, is de inspecteur bevoegd binnen wiens ambtskring de verblijfplaats van de belastingplichtige zich bevindt. Het kenmerkende van het uitoefenen van een beroep is dat de factor kapitaal vaak ontbreekt of slechts in geringe mate aanwezig is. De factor arbeid in de vorm van de persoonlijke kwaliteiten van de beroepsbeoefenaar is het belangrijkste.5 De activiteit vergt dus ook de aanwezigheid van de beroepsbeoefenaar ter plaatse. Aangenomen moet worden dat de beroepsbeoefenaars, zoals de arts, de tandarts en de notaris hun praktijk in het algemeen aan huis hadden. Om die reden kan mijns inziens worden aangenomen dat de criteria woon- en verblijfplaats in 1954 ertoe leiden dat de inspecteur bevoegd was binnen wiens ambtsgebied het beroep daadwerkelijk werd uitgeoefend. De wet- en regelgeving uit die tijd geeft niet aan hoe de genoemde begrippen woonplaats, vestigingsplaats, verblijfplaats, vaste inrichting, vertegenwoordiger en de plaats waar het bedrijf of beroep wordt uitgeoefend moeten worden ingevuld. Ook de AWR bestond nog niet. Aangenomen kan echter worden dat in principe aan deze begrippen een soortgelijke uitleg zal zijn gegeven als aan dergelijke begrippen in andere heffingswetten uit die tijd is gegeven.
Bij wet van 23 december 19656 wordt de Wet OB 1954 op het punt van de regeling voor de hoofdelijke aansprakelijkheid gewijzigd. Er wordt een verleggingsregeling geïntroduceerd in art. 18, tweede lid, Wet OB 1954 (tekst vanaf 1966). Op grond van deze regeling is de omzetbelasting verschuldigd door de binnen Nederland wonende of gevestigde ondernemer, publiekrechtelijk lichaam, vereniging of stichting aan wie de prestatie wordt verricht indien de presterende ondernemer niet in Nederland woont of is gevestigd. De aanpassingen zijn volgens de wetgever nodig in verband met de in 1959 uitgevaardigde AWR.7, 8 In de Memorie van Antwoord stelt de wetgever in reactie op de door de Kamer geuite bezwaren dat de nieuwe verleggingsregeling problemen oplevert bij sommige gevallen van uitvoering van werken door buitenlandse ondernemers hier te lande met inschakeling van binnenlandse onderaannemers of toeleveringsbedrijven:
“Bedacht dient hierbij te worden, dat in de meeste van de hiervoor vermelde gevallen sprake zal zijn van buitenlandse ondernemers die door middel van een filiaal of andere zodanige inrichting mede hier te lande hun bedrijf uitoefenen. Voor deze gevallen bestaat echter aan een verlegging van de belastingplicht minder behoefte. Het ligt daarom in het voornemen van de ondergetekende om een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheid om voor deze gevallen bij algemene maatregel van bestuur een uitzondering in het leven te roepen op de algemene regel van artikel 18, tweede lid.9”
In art. 5 UB OB 1954 (tekst vanaf 1966) is vervolgens vastgelegd dat voor de toepassing van art. 18, tweede lid van de wet een ondernemer die binnen Nederland een vaste inrichting heeft, wordt aangemerkt als ondernemer die binnen Nederland woont of is gevestigd. Opvallend is dat de vaste vertegenwoordiger in de verleggingsregeling niet is opgenomen. Verlegging vindt niet plaats wanneer de presterende ondernemer in Nederland woont of is gevestigd of in Nederland een vaste inrichting heeft. Heeft hij een vaste vertegenwoordiger in Nederland dan vindt wel verlegging plaats. Bij de oude aansprakelijkheidsregeling was de afnemer in dat geval echter niet hoofdelijk aansprakelijk voor de te betalen omzetbelasting.