Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/1.1.2
1.1.2 De bewijslastverdeling ex artikel 150 Rv
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS360641:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bij zaken waarin de gedaagde, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet in het geding verschijnt, geldt de eerste uitzondering op de hoofdregel: tegen hem zal - op grond van het bepaalde in art. 139 Rv - verstek worden verleend en de rechter zal de vordering als niet weersproken en - zo dat zo is - als niet onrechtmatig of ongegrond toewijzen. Waar nodig kan de rechter nader inlichtingen van de eiser vragen of hem bewijs opdragen. Een dadelijke afwijzing van de vordering is slechts op haar plaats, indien op grond van de gestelde feiten aanstonds duidelijk is dat het gevorderde bedrag berust op een begroting die klaarblijkelijk van elke grond ontbloot is (HR 17 januari 1969, NJ 1969, 112(Boré/De Vries)).
Tegenover gedetailleerde stellingen van de ene partij zal een simpele ontkenning van de juistheid daarvan licht als 'onvoldoende betwisting' worden aangemerkt. Zie (losbl.) Burgerlijke Rechtsvordering bij art. 149, p. 26-30 (suppl. 279, dec. 2001).
Wieten 2004, p. 22. Wieten heeft de bestaande theorieën reeds in 1992 (Dijksterhuis-Wieten 1992, p. 31 e.v.) helder en kort weergegeven. Ik volsta er in het kader van dit boek mee aan te geven dat de aanhangers van de objectiefrechtelijke theorie de nadruk leggen op de noodzaak voor procespartijen om, al vóórdat geprocedeerd wordt, te weten hoe de verdeling van de bewijslast zal uitvallen, zodat zij hun kansen om het proces te winnen kunnen berekenen, hetgeen uiteraard de rechtszekerheid bevordert. De aanhangers van de billijkheids- of procesrechtelijke theorie geven er daartegenover de voorkeur aan de verdeling van de bewijslast in concreto aan de rechter over te laten, waarbij zij als enige maatstaf de billijkheid gehanteerd willen zien. Voor een omvattende beschrijving van de 'scholenstrijd' wordt verwezen naar Asser 2004, nr. 2.3 en 2.4 en Giesen 2001, p. 87 die hier spreekt over 'stammenstrijd'.
Zie hierna onder 1.2 over de omkering van de bewijslast.
Asser 2004, nr. 18. Ook Giesen 2001, p. 107 stelt vast dat hoewel de Hoge Raad nooit expliciet voor die leer heeft gekozen, er in de rechtspraak een lijn te ontwaren is die nauw aansluit bij de objectiefrechtelijke theorie.
Met 'non liquet' ('het is niet duidelijk') wordt erop gedoeld dat soms gestelde feiten niet kunnen worden bewezen, omdat er geen bewijsmiddelen zijn waarmee dat kan gebeuren en evenmin hun tegendeel kan worden aangetoond. Het is in deze situatie dat de vraag welke partij het risico moet dragen dat de te bewijzen feiten niet komen vast te staan, het meest klemmend is. Zie Asser 2004, nr. 14. Zie ook hierna onder 1.2.1.
Zie Parl. Gesch. Bewijsrecht, p. 85.
Giesen 2001, p. 13.
Pitlo/Hidma & Rutgers 2004, nr. 19.
Een voorbeeld is 2:248 lid 3 BW: niet aansprakelijk is de bestuurder die bewijst dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur niet aan hem is te wijten. Of, specifiek voor het verzekeringsrecht, art. 7:952 BW, waarin is bepaald dat de verzekeraar geen schade vergoedt aan de verzekerde die de schade met opzet of door roekeloosheid heeft veroorzaakt. De verzekeraar die zich op het rechtsgevolg beroept ('ik betaal niet, want ...') dient de feiten of rechten te bewijzen.
Voorbeelden binnen het verzekeringsrecht zijn - art. 7:940 lid 3: de verzekeraar neemt bij de opzegging van de verzekeringsovereenkomst een termijn van twee maanden in acht, tenzij jegens hem is gehandeld met het opzet tot misleiding.- art. 7:946 BW: de verzekeringsovereenkomst dekt slechts belangen van de verzekeringnemer, tenzij anders is overeenkomen (de derde die stelt bij beding te zijn aangewezen, dient dit te bewijzen).
Asser 1992, nr. 42. Asser geeft - zoals hij zelf stelt: zonder pretentie van volledigheid - in de bedoelde paragraaf een aantal voorbeelden van woorden en combinatie(s) van woorden die op een vereiste, een voorwaarde of een beperking van een bevoegdheid, het verkrijgen van een recht, of het bestaan van een verplichting dan wel het teniet gaan of verval van het een of ander betrekking hebben. De door hem weergegeven terminologie lijkt ook buiten de door hem gegeven voorbeelden richting te geven aan de bewijslastverdeling. Ik zal de door Asser gehanteerde terminologie gebruiken als leidraad voor het geven van voorbeelden, zij het dat ik mijn voorbeelden - vanzelfsprekend - zoveel mogelijk 'vertaal' naar verzekeringsrechtelijke bepalingen.
Asser 1992, nr. 42.
Asser 1992, nr. 42. Overigens ontbreekt een (vergelijkbare) passage over de in de hoofdtekst besproken terminologie in Assers nieuwe boek over bewijslastverdeling (Asser 2004).
Ik volg daarmee - in samenvattende zin - Asser (1992, p. 82 en 83).
Asser 1992, nr. 42.
Asser 2004, nr. 34. Asser wijst er met recht op dat ingeval aan het bewijs van de hulpfeiten te hoge eisen gesteld worden, de in het vooruitzicht gestelde gunstige werking van het wettelijk vermoeden ineffectief wordt, met als gevolg dat de doelstelling van het vermoeden wordt ondermijnd.
Giesen 2001, p. 66 e.v., alsook Pitlo/Hidma & Rutgers 2004, nr. 23-24. Asser 2004, nr. 42 e.v., onderscheidt in de weerlegbare wettelijke vermoedens een drietal categorieën, te weten de vermoedens in eigenlijke zin met een overheersend feitelijk karakter, die met een overheersend normatief karakter en de verdeling van de bewijslast onder de naam van een vermoeden. Voor een nadere beschrijving en een groot aantal voorbeelden per categorie verwijs ik naar Asser 2004, nr. 35 en 38-41.
Anders naar het lijkt W.M.A. Kalkman, De overeenkomst van levensverzekering, Kluwer 2004, p. 171. De Toelichting bij art. 7:967 lid 2 BW is in zoverre onduidelijk dat wordt gesproken over 'vermoedens die wijken voor een andere bedoeling' (Kamerstukken II 1985/86, 19 529, nr. 3, p. 38).
Pitlo/Hidma & Rutgers 2004, nr. 22.
Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1649. Achtergrond achter het onweerlegbaar vermoeden was dat de wetgever, juist bij een massaal verschijnsel als het gebruik van algemene voorwaarden, moet waken voor een evenredig groot beslag op de rechterlijke macht.
Pitlo/Hidma & Rutgers 2004, nr. 22. Zie in dezelfde zin Asser 2004, nr. 37, die erop wijst dat het enige bewijsrechtelijk aspect dat voor het onweerlegbaar wettelijk vermoeden (en de hierna in de hoofdtekst te behandelen fictie) nog heeft, erin is gelegen dat de partij die zich beroept op het aan een vermoeden of fictie verbonden rechtsgevolg, de bewijslast heeft van de feiten die moeten vaststaan wil het vermoeden zijn werking kunnen hebben en dat rechtsgevolg kunnen intreden in de zin van art. 150 Rv.
Giesen 2001, p. 66.
Pitlo/Hidma & Rutgers 2004, nr. 22. Een mooi voorbeeld van de fictie is de bescherming van het belang van reeds verwekte, maar nog niet geboren kinderen, waartoe gebruik gemaakt wordt van twee ficties: het ongeboren kind wordt als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert, maar het kind wordt geacht nooit te hebben bestaan indien het dood ter wereld komt, aldus art. 1:2 BW.
Ik hecht eraan om reeds hier aan te geven dat het antwoord op deze vraag steeds ontkennend is; zie hierna in de hoofdtekst.
Pitlo/Hidma & Rutgers 2004, p. 40.
NJ 1992, 813 (Stichting Centraal Ziekenfonds en Van der Pasch tegen Van der Velden). Zie ook de annotatie van Rutgers in AA 1993, p. 653-657.
HR 23 oktober 1992, NJ 1992, 813(Stichting Centraal Ziekenfonds en Van der Pasch tegen Van der Velden).
HR 2 mei 2003, NJ 2003, 468. Zie in diezelfde lijn ook HR 7 april 2000, NJ 2001, 32, m.nt. DA; HR 9 oktober 1998, NJ 1999, 195, m.nt. ARB; HR 9 oktober 1998, NJ 1999, 195, m.nt. ARB; HR 6 januari 1994, NJ 1995, 549; HR 24 september 1993, NJ 1994, 226, m.nt. HER onder NJ 1994, 227; HR 23 oktober 1992, NJ 1992, 813. Zie in de literatuur Pitlo/Hidma & Rutgers 2004, nr. 28 en Visser 1997, p. 73 e.v. Zie voor een arrest over bewijslastverdeling in verzekeringsrechtelijk verband het (hierna in de hoofdtekst te behandelen) arrest van de Hoge Raad van 22 september 2000, NJ 2000, 631. De in dit arrest weergegeven regel voor het verzekeringsrecht is daarmee in overeenstemming met de algehele hoofdregel. Zie ook I. Giesen, NTBR 1998, p. 89.
Laatstelijk HR 2 mei 2003, NJ 2003, 468.
Giesen 2001, p. 104.
Aldus Giesen 2001, p. 104. Giesen spreekt over het bepalen van de grens tussen wat nog een betwisting van de voor de grondnorm vereiste feiten is en wat het inroepen van een tegennorm constitueert.
Zij zegt daarmee niet: 'ja, maar', zoals Giesen 2001, p. 105, het zo treffend verwoordt. Zij geeft - in tegendeel - juist primair een betwisting en pas later, subsidiair, een zelfstandig verweer. Verkade gaat in een conclusie voor een later arrest (HR 15 december 2006, NJ 2007, 293(NNEK/Mourik c.s.), m.nt. MRM) in op de 'ja, maar ...'-aanduiding van het zelfstandig verweer, door daar het gewone ontkennende gemotiveerde verweer tegenover neer te zetten als het 'nee, want ...'-verweer.
Ook voorkomend is de terminologie rechtsverhinderend of rechtsvernietigend feit.
Uit het gepubliceerde arrest kan niet blijken hoe de polisdekking omschreven is. De A-G nam alleen de uitsluiting woordelijk op, terwijl ook in de weergave van de procedure in feitelijke instanties de bepaling niet terug te vinden is.
Aldus NJ 2000, 631. Zie over het bewijs van uitsluitingen in breder zin onder 7.2.4.
In de regel is het bij zaken op tegenspraak1 zo dat de rechter zich geconfronteerd ziet met de omstandigheid dat de door de eisende partij aan zijn vordering ten grondslag gelegde feiten door de wederpartij worden betwist. De vraag of sprake is van een in voldoende mate betwist feit, in die zin dat bewijs opgedragen dient te worden aan de partij die zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept (en er niet uitgegaan wordt van een onvoldoende betwist feit dat door de rechter als vaststaand moet worden beschouwd in de zin van het vorige artikel), wordt bepaald door de omstandigheden van het geval en in het licht van het voorschrift dat eis en antwoord 'met redenen omkleed' moeten zijn.2
Het is dan aan partijen ervoor zorg te dragen dat deze feiten of rechten komen vast te staan zodat de rechter deze - in de zin van art. 149 Rv - aan zijn beslissing ten grondslag te kunnen leggen. Een handvat wordt hem daartoe geboden door de bewijslastverdeling van art. 150 Rv:
'De partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, draagt de bewijslast van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.'
Ook in dit artikel is - zij het hier bij wege van compromis - uitgegaan van een hoofdregel met uitzonderingen.
Artikel 150 Rv als compromis binnen het spanningsveld tussen rechtszekerheid en billijkheid
Door te bepalen dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast van die feiten of rechten draagt, en daarop vervolgens een aantal uitzonderingen te maken, heeft de wetgever gekozen voor een compromis tussen enerzijds de zgn. objectief-rechtelijke en anderzijds de procesrechtelijke of billijkheidstheorie. De tekst geeft de bedoeling van een gematigd objectiefrechtelijk stelsel weer.3 Enerzijds immers biedt zij de door de objectiefrechtelijke leer aangehangen rechtszekerheid en de mogelijkheid tot inschatting van proceskansen, omdat de verdeling van de bewijslast in beginsel vaststaat; daarbij geldt dat ook een materiële regel omkering van de bewijslast kan voorschrijven en de zekerheid kan bieden waar de objectiefrechtelijke theorie vanuit gaat.4Anderzijds blijft er ruimte voor een verdeling naar redelijkheid en billijkheid, zoals door de billijkheidstheorie voorgestaan.
Art. 150 Rv bevat dus in zoverre een compromis, maar zoals Asser aangeeft leert de praktijk dat de Hoge Raad krachtig de nadruk legt op de hoofdregel, zodat niet alleen uit de wetsgeschiedenis en de wetstekst, maar ook uit de toepassing door de rechter duidelijk wordt dat de objectiefrech-telijke leer in ons recht de heersende is geworden en dat het compromiskarakter inmiddels op de achtergrond is geraakt.5
De hoofdregel is daarmee duidelijk: degene die zich beroept op de rechtsgevolgen, draagt de last de door hem gestelde feiten of rechten te bewijzen en op het moment dat de partij aan wie dat bewijs van een feit is opgedragen, daarin niet slaagt, komt dit feit in het geding niet vast te staan.6 De op dit feit gebaseerde stellingen die aan de vordering of het verweer ten grondslag liggen, zullen niet opgaan en in de regel zullen hieraan gevolgen voor de afwikkeling verbonden zijn. De Memorie van Toelichting beschrijft het aldus:
'Voor de partijen is van groot belang de vraag wie van haar het risico draagt van een onmogelijke of mislukte bewijsvoering, op wie van haar met andere woorden de bewijslast rust van de juistheid harer stellingen. Men heeft te allen tijde begrepen, dat deze last niet steeds op een van beide partijen moet rusten; het zou bijvoorbeeld niet redelijk zijn de eiser behalve met het bewijs van de grondslag zijner vordering tevens te belasten met het bewijs van de onwaarheid van hetgeen de gedaagde daartegen heeft ingebracht, noch de gedaagde, die de vordering van de eiser betwist, de onjuistheid van het door deze gestelde te laten aantonen. Uit art. 1902 B.W. (het latere 177, huidig 150 Rv, NvT) pleegt te worden afgeleid, dat de eiser allereerst de grondslag van zijn aanspraak moet waar maken en daarna de gedaagde de stellingen waarop hij een zelfstandig verweer doet steunen. De eiser die een zaak revindiceert heeft zijn eigendomsrecht, de gedaagde die zich daartegenover op vruchtgebruik beroept, dit recht te bewijzen. Erkent de eiser dan het ontstaan van het vruchtgebruik met de toevoeging dat het sedert is vervallen, de bewijslast daarvan rust op hem.'7
Veelal gehanteerd is het adagium 'bewijslast is bewijsrisico'. Giesen geeft aan dat het zuiverder is om het begrip 'bewijslast' te onderscheiden naar twee aspecten, te weten het bewijsrisico en de bewijsvoeringslast. Ik volg hem daarin omdat het bij het bewijsrisico - zoals hij ook aangeeft - draait om de vraag wie uiteindelijk het geschilpunt verliest als de feiten niet opgehelderd zijn, de bewijsvoeringslast geeft aan welke partij op een bepaald moment in de procedure aan zet is om met bewijs(middelen) te komen, omdat die partij op dat moment op 'verlies' staat.8 Bij de bewijsvoerings-last kan het onder omstandigheden voldoende zijn wanneer twijfel gezaaid wordt over de in beginsel voor juist aangenomen stellingen van degene die het bewijsrisico draagt. Zie hierover meer onder 1.2.2.1.
Materieel recht als uitgangspunt voor bewijs
Wat de stelplicht en - in het verlengde daarvan - de bewijsvoeringslast uit art. 150 Rv in een concreet geval (verder) inhoudt, dient - wil de (gematigd) objectiefrechtelijke bewijslasttheorie tot haar recht kunnen komen - zoveel mogelijk uit het materiële recht te kunnen worden afgeleid.9 Onder het huidig recht is dit nagestreefd, in die zin dat soms expliciet is aangegeven wie wat dient te bewijzen.10 Vaak echter zijn de formuleringen van de wetsbepalingen in het Burgerlijk Wetboek zodanig gekozen, dat de verdeling van de bewijslast daarin impliciet te lezen valt. Hiertoe worden de volgende methoden gehanteerd:
Als in een wetsbepaling een bijzin, aanvangend met 'tenzij ... ' is opgenomen, rust de bewijslast op degene ten behoeve van wie de uitzondering is opgenomen.11
Als in een wetsbepaling de term 'vermoed worden' voorkomt, dient uitgegaan te worden van een zogenaamd 'weerlegbaar wettelijk vermoeden'. Dan gaat de wet uit van die situatie en draagt degene die het tegendeel beweert de bewijsvoeringslast.
Andere nadere aanduidingen binnen het materiële recht
Naast de hiervoor beschreven wettelijke systematiek die wijst op een bepaalde bewijslastverdeling, worden in de wet ook formuleringen gebruikt, die een nader vereiste vormen voor, of voorwaarden of beperkingen stellen aan het intreden van het door de bewuste bepaling daaraan verbonden rechtsgevolg.
Asser12 noemt als voorbeelden hiervan de volgende woorden en woordcombinaties:
'indien' (zie art. 7:928 lid 2, 928 lid 6, 929 lid 1, 930 lid 4, 7:932 lid 1, laatste volzin, 932 lid 3, 940 lid 3, derde volzin, 946 lid 2),
'tenzij ... indien' (7:967 lid 1),
'niet ... indien' (7:932),
'indien ... niet' (art. 7:930 leden 1 tot en met 3, 941 lid 3, 957 lid 3),
'indien ... geen' (art. 7:938),
'wanneer' (7:936 lid 6, 958 lid 1), dat men ook in combinatie met 'niet' tegenkomt.
Tot dezelfde categorie13 behoren de woorden 'als', 'zolang' (7:967 lid 8), 'zolang ... niet' en 'voor zover' (art. 7:928 lid 5, 936 lid 1, 937, 940 lid 5, 941lid 5, 953 eerste volzin, 954 lid 4, 5 en 7, 962 lid 1 en 3, 963 lid 6), 'mits' (art. 7:949), mogelijk in de combinatie 'mits ... niet' of 'mits ... geen'.
Voor komt, naar Asser verder stelt, nog de formulering met een beperkende bijzin (bijvoorbeeld 'hem, die' of 'hij, die'; vgl. 7:952), alsmede die welke begint met de vooropstelling van een bepaald feit, gevolgd door 'dan'. Zie voor een voorbeeld van dit laatste art. 7:928 lid 3: 'Betreft een persoonsverzekering het risico van een bekende derde die de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, dan omvat de mededelingsplicht mede de hem betreffende feiten ...'. Zie ook 7:930 lid 3, tweede volzin, 936 lid 1 tot en met 3 (laatstevolzin), 939 lid 3 en 958 lid 3.
Asser geeft aan dat het gebruik van de hier bedoelde terminologie er op kan wijzen dat de partij die zich op de bevoegdheid of het recht beroept, de stel-plicht en bewijslast draagt voor de betrokken feiten, maar niet zonder meer duidt op een keuze van de wetgever voor een bepaalde verdeling van de bewijslast.14 Het lijkt voor de praktijk goed om als handvat voor de bewijsrechtelijke verhoudingen aan te houden dat de hoofdregel van art. 150 Rv ('de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten en rechten, draagt de bewijslast van die feiten of rechten') geldt, indien (a) de hiervoor bedoelde terminologie duidt op vereisten voor het kunnen uitoefenen van een bevoegdheid of het hebben van een recht en (b) indien de bevoegdheid of het recht slechts onder bepaalde voorwaarden of omstandigheden kan worden uitgeoefend of verkregen.
In die beide genoemde gevallen draagt degene die zich erop beroept bevoegd of gerechtigd te zijn, resp. die zich beroept op het bestaan van die bevoegdheid of het recht, te dien aanzien de stelplicht en de bewijslast.15Asser onderscheidt naast de terminologie die vereisten stelt aan een bevoegdheid of een recht (als door mij aangeduid onder (a)) en de voorwaarden of omstandigheden waaronder een bevoegdheid of recht kan worden verkregen (door mij aangeduid onder (b)) nog de verplichtingen waaraan degene die een bevoegdheid of recht mag uitoefenen heeft te voldoen, maar die geen voorwaarde of vereiste zijn voor het bestaan van de bevoegdheid of het recht. Hier zal voor de bewijslastverdeling enerzijds beslissend zijn om welke rechtsgevolgen het in het geding gaat. Asser verwoordt het als volgt:
'Zo zal degene die stelt schade te hebben geleden of te zullen lijden als gevolg van schending van zo'n verplichting door de wederpartij, in beginsel de bewijslast hebben te dragen van die schending. Anderzijds zal de strekking van de verplichting meewegen bij de bewijslastverdeling, omdat het non liquet niet zonder meer ten nadele kan worden gebracht van de partij die de wet door het in het leven roepen van de verplichting nu juist beoogt te beschermen. Bij dit alles dient echter steeds in het oog te worden gehouden dat de vraag tot welk oordeel de rechter in het concrete proces komt aangaande het bewijsrisico van beide partijen afhangt van de gevolgtrekkingen die hij maakt uit het debat van partijen en de andere omstandigheden die in de procedure van belang gebleken zijn.'16
Daar waar de door mij behandelde onderwerpen daartoe aanleiding geven, zal ik - naar de structuur van het boek: bij de onderscheiden hoofdstukken - op dit uitgangspunt voor de bewijslastverdeling nader ingaan.
Wettelijke vermoedens
Het is goed op deze plaats enige nadere aandacht te besteden aan het hiervoor onder het kopje 'materieel recht als uitgangspunt voor bewijs' (onder 2) aangestipte wettelijk vermoeden. Op tal van plaatsen in de wet wordt uitgegaan van zogenaamde wettelijke vermoedens. Dit zijn voorschriften waarbij de wetgever invloed uitoefent op de bewijslast door bepaalde veronderstellingen tot een wettelijk vermoeden te verheffen: uit het bestaan van feit A volgt volgens de wet feit B. Gevolg is dat degene die feit B dient te bewijzen, kan volstaan met het bewijs van feit A. Daarmee wordt de methode van indirect bewijs gehanteerd en voor (hulpfeit) A draagt de partij te wiens gunste het wettelijk vermoeden werkt de stelplicht en bewijs-last.17 Voor de vraag of tegen een in de wet gehanteerd vermoeden tegenbewijs mogelijk is, is doorslaggevend de door de wetgever gehanteerde terminologische aanduiding. In die gevallen, waarin wordt gewerkt met de aanduiding 'wordt/worden vermoed', is sprake van een weerlegbaar wettelijk vermoeden. Illustratief is art. 7:967 lid 2, tweede volzin, BW: 'Indien de begunstigde zowel bij naam als in hoedanigheid is aangeduid, wordt de aanwijzing vermoed te zijn gedaan ten behoeve van de bij naam aangewezen begunstigde'. Het artikel geeft een leidraad om met in de polis vermelde begunstiging om te gaan in die zin, dat uitgangspunt is dat de bij naam aangewezen persoon de begunstigde is. De bepaling laat echter ruimte voor het leveren van tegenbewijs door degene die stelt dat dat anders is. Tegelijkertijd blijft het bewijsrisico - ingeval het vermoeden door de in hoedanigheid aangeduide persoon door tegenbewijs te leveren, ontkracht is -rusten op degene die zich op de betreffende bepaling beroept, dus de bij naam genoemde begunstigde.18 Het wettelijk vermoeden beïnvloedt het bewijsrisico dus niet in die zin dat dit verschuift, maar door het vermoeden wordt de partij met de bewijslast tegemoet gekomen; op het moment dat het tegenbewijs geleverd wordt, realiseert zich het bewijsrisico alsnog in die zin dat de oorspronkelijk daarmee belaste partij alsnog dient te bewijzen.19Daartegenover bestaan de zogenaamde onweerlegbare wettelijke vermoedens, oftewel die vermoedens, waarmee de wetgever reeds op voorhand in de wet de bewijspositie van partijen in het geding heeft willen vastleggen. Wanneer in het burgerlijk wetboek de woorden 'wordt geacht', 'geldt als' of 'wordt aangemerkt als' gebruikt worden, duidt dit - voor zover er geen sprake is van een fictie - op een onweerlegbaar vermoeden.20 Hier een voorbeeld in de sfeer van de algemene voorwaarden, waar art. 6:236 aanhef en onder k bepaalt: 'als onredelijk bezwarend wordt aangemerkt een in de algemene voorwaarden voorkomend beding dat de bevoegdheid van de wederpartij om bewijs te leveren uitsluit of beperkt, of dat de uit de wet voortvloeiende verdeling van de bewijslast ten nadele van de wederpartij wijzigt (...)'. Een dergelijk beding heeft dus steeds als onredelijk bezwarend te gelden; tegenbewijs is uitgesloten.21 Pitlo/Hidma & Rutgers wijzen er met recht op dat daar waar de wetgever tegenbewijs tegen een onweerlegbaar vermoeden heeft uitgesloten, er een regel van materieel recht over blijft, waaromtrent de wetgever de bewijsrechtelijke discussie in het geding heeft uitgesloten.22 Of, zoals Giesen het stelt: 'De wetgever spreekt een waardering uit: zo is het en niet anders. Het kan feitelijk wel onjuist zijn, maar zo wordt de rechter geacht het te zien'.23 In bewijsrechtelijk opzicht heeft hetzelfde te gelden voor de zo-even genoemde fictie: ook daar heeft de wetgever onontwarbare feitelijke geschilpunten willen uitsluiten, met dat verschil dat bij het onweerlegbaar wettelijk vermoeden de wetgever dat getracht heeft te doen door met zo groot mogelijke waarschijnlijkheid de onbekende waarheid te benaderen, waar bij de fictie uitgegaan wordt van een opzettelijke onwaarheid, bestaande uit het voor waar aannemen van wat niet of uiterst onwaarschijnlijk is, dan wel het ontkennen van wat is.24
'De partij die zich op rechtsgevolgen beroept, dient te bewijzen' blijft (toch) de hoofdregel
In het ideale geval zal de stelplicht waarbij de hoofdregel van art. 150 Rv aanknoopt, voldoende duidelijk voortvloeien uit het materiële recht. Voor zover dat niet het geval is, dient de rechter zich - met inachtneming van art. 150 Rv - te laten leiden door de uitleg van het materiële recht ('welke rechtsgevolgen zijn in het geding?') en hetgeen in de procedure door partijen naar voren wordt gebracht. De vraag die dan rijst, is of de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten met het bewijs van die feiten moet worden belast of dat de wederpartij de feiten moet bewijzen die zij stelt ter motivering van haar betwisting van die fei-ten.25 Pitlo/Hidma & Rutgers merken met recht op dat het (veelgebruikte) adagium 'wie stelt, moet bewijzen' bij de beantwoording van die vraag niet steeds een oplossing zal bieden; beide partijen plegen immers het nodige te stellen in een contradictoir geding.26
De Hoge Raad legt de hoofdregel van art. 150 Rv - nog onder de vigeur van art. 177 Rv - uit in zijn arrest van 23 oktober 1992.27 De casus, die aanspreekt omdat deze een beeld geeft van een gemiddeld te voeren feitelijk verweer, is als volgt: in de nacht van 13 oktober 1985 is de door Van der Velden bestuurde personenauto van de weg geraakt en tegen een boom gereden. De naast haar zittende Van der Pasch is daarbij gewond geraakt. In het geding vordert het Ziekenfonds verhaal op de voet van art. 83b Ziekenfondswet en vordert Van der Pasch vergoeding van door hem als gevolg van een ongeval geleden schade. In de procedure stellen het Ziekenfonds en Van der Pasch dat Van der Velden aansprakelijk is voor de gevolgen van de door hen gestelde fout. Van der Velden stelt zich op het standpunt, dat het ongeval niet door haar onrechtmatig toedoen en schuld is veroorzaakt en dat uit niets volgt dat zij een verkeersfout zou hebben gemaakt, met name ook niet dat zij te hard zou hebben gereden. Zij stelt dat juist de passagier degene is die het ongeval door onrechtmatige daad en schuld heeft veroorzaakt door tijdens het rijden plotseling aan de handrem te trekken.
Ieder der partijen is in feitelijke instanties één keer in het gelijk gesteld: de rechtbank oordeelde, naar uit het arrest van de Hoge Raad blijkt, dat, nu de auto van de weg is geraakt zonder dat er ander verkeer bij betrokken was of de verkeerssituatie daartoe aanleiding kon geven, Van der Velden haar stelling moet bewijzen dat Van der Pasch het ongeval heeft veroorzaakt door aan de handrem te trekken. Van der Velden werd dienovereenkomstig bewijs opgedragen. Het hof daarentegen oordeelde dat op het Ziekenfonds en Van der Pasch de bewijslast rust van de door hen gestelde onrechtmatige daad en schuld. Het Ziekenfonds en Van der Pasch gaan in cassatie en voeren daartoe in de onderdelen 1 en 2 - zakelijk weergegeven - aan (1) dat het hof heeft miskend dat op het Ziekenfonds en Van der Pasch de last drukt om de aan hun vorderingen ten grondslag gelegde stellingen te bewijzen, maar evenzeer dat Van der Velden de bewijslast draagt van de feiten, die zij aan haar verweer ten grondslag heeft gelegd en (2) dat indien een andere oorzaak, op grond waarvan de eisers de verweerder aansprakelijk achten voor het ongeval en de aansprakelijkheid daarvan, niet onaannemelijk is, terwijl die andere oorzaak door de verweerder aan zijn verweer ten grondslag is gelegd, die verweerder niet ontslaat van de last om de daartoe gestelde feiten (de andere oorzaak) te bewijzen.
De Hoge Raad oordeelde daarop als volgt:
'Voorop moet worden gesteld dat het Ziekenfonds en Van der Pasch zich erop hebben beroepen dat Van der Velden aansprakelijk is voor de gevolgen van de door hen gestelde fout van Van der Velden. Ingevolge de hoofdregel van art. 177 (thans 150 Rv, NvT) rust daarom op hen de bewijslast van de door hen gestelde feiten waarop hun vorderingen zijn gegrond.
Aan de onderdelen 1 en 2 ligt evenwel de opvatting ten grondslag dat uit art. 177 volgt dat op Van der Velden de last rust de feiten te bewijzen die zij tot haar verweer heeft aangevoerd. Die opvatting kan niet als juist worden aanvaard. Ingevolge de hoofdregel van art. 177 is de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten belast met het bewijs van die feiten. Uit deze regel kan niet worden afgeleid dat de wederpartij de feiten moet bewijzen die zij stelt ter motivering van haar betwisting van de eerder bedoelde feiten. Het hof heeft kennelijk en in het licht van het onder 3.1 overwogene niet onbegrijpelijk aangenomen dat dit laatste geval zich hier voordoet. Van der Velden kan dan ook slechts met het bewijs van de door haar gestelde feiten worden belast op de feitelijke grond dat de eisers hun stellingen, behoudens tegenbewijs, reeds afdoende hebben bewezen, dan wel op een van de gronden, vermeld in de slotzinsnede van art. 177. In 's hofs overwegingen ligt het oordeel besloten dat geen van deze gronden hier in aanmerking komt. Een en ander brengt mee dat de onderdelen 1 en 2 falen.'28
De hoofdregel is daarmee duidelijk: de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten, draagt de bewijslast van die feiten. Uit deze regel kan met worden afgeleid dat de wederpartij de feiten moet bewijzen die zij stelt ter motivering van haar betwisting van de eerder bedoelde feiten. Voor het opdragen van bewijs aan die wederpartij is slechts grond (1) indien - feitelijk - wordt geoordeeld dat de oorspronkelijk stellende partij haar stellingen, behoudens tegenbewijs, afdoende heeft bewezen, dan wel (2) indien, zoals bepaald in de slotzinsnede van art. 150 Rv, uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.29 Daarbij verdient aantekening dat voor het slagen van het onder (1) bedoelde tegenbewijs voldoende is dat het door de partij op wie de bewijslast rust, geleverde bewijs erdoor wordt ontzenuwd.30 Waar de Hoge Raad hier spreekt over de aanwezigheid van grond 'voor het opdragen van bewijs aan de wederpartij' is daarmee sprake van het opleggen van een bewijsvoeringslast; zie ook onder 1.2.2.2.
Het zgn. zelfstandig verweer
Alvorens hieronder in te gaan op de genoemde (wettelijke) uitzonderingen op de hoofdregel, lijkt het goed op deze plaats aandacht te besteden aan een voor de bewijslastverdeling richting gevend aspect van de betwisting: het zgn. zelfstandig verweer, ook wel bevrijdend feit genoemd. Voorstelbaar is dat de wederpartij in het kader van de (motivering van de) betwisting niet alleen maar feiten naar voren brengt die direct verband houden met de door eiser gestelde feiten, maar dat hij 'verder' gaat. Zoals uit de hiervoor weergegeven hoofdregel blijkt, brengt het naar voren brengen van feiten die direct verband houden met de door eiser gestelde feiten - de zuivere betwisting - geen bewijsrisico met zich mee.31 Gaat hij echter verder dan dat, dan komt een zelfstandig verweer en het daarbij behorende bewijsrisi-co in zicht.32 Hoewel in een zaak als Stichting Centraal Ziekenfonds en Van der Pasch tegen Van der Velden de gedachten afdwalen naar het leerstuk van het zelfstandig verweer, was daarvan geen sprake. Primair, immers, kwam het standpunt van Van der Velden neer op een zuivere betwisting: 'Uit niets blijkt dat ik, Van der Velden, een verkeersfout zou hebben gemaakt, met name ook niet dat ik te hard zou hebben gereden' (vrij naar r.o. 4.4 van het hof).33 Het zelfstandig verweer ('jij hebt tijdens het rijden plotseling aan mijn handrem getrokken en daardoor is het ongeval veroorzaakt') wordt daarmee eerst subsidiair gevoerd.
Van een 'zuiver' bevrijdend feit is wel sprake in het volgende voorbeeld: eiser vordert in rechte betaling op grond van een koopovereenkomst. Op hem rust het bewijs van de koopovereenkomst en de levering. Wanneer gedaagde zich ten verwere op het standpunt stelt dat hij al heeft betaald, betwist hij de vordering als zodanig niet, maar voert hij een zelfstandig verweer: de vordering ligt in beginsel voor toewijzing gereed en kan alleen nog worden afgewezen als de gedaagde dit door hem gesteld bevrijdend feit34bewijst.
Het vinden van het omslagpunt tussen enerzijds het feitelijk verweer op een ingenomen standpunt en anderzijds een zelfstandig verweer, is (ook) binnen het verzekeringsrecht lastig. Een geschil tussen partijen bij de verzekeringsovereenkomst wordt immers (mede) bepaald door dekkingsom-schrijving(en) en (daaraan weer 'afdoende') uitsluitingsbepalingen. Bij de toepassing van bewijsrechtelijke regels kunnen met name problemen ontstaan daar waar niet zonder meer duidelijk is of de in het geding zijnde feiten behoren tot de dekkings- of de uitsluitingsomschrijving. Op die problematiek zal ik hierna onder 5.4 nader ingaan, zij het dat het desondanks goed lijkt hier alvast ter illustratie een voorbeeld te geven en wel de casus die ten grondslag ligt aan de uitspraak van de Hoge Raad van 22 september 2000, NJ 2000, 631.
In de betreffende casus was een auto tegen een lantaarnpaal gebotst. De verzekeringnemer, N, die ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol had verkeerd, stelt dat hij niet zelf had gereden, maar dat een ander dat had gedaan. Verzekeraar, ZLM, stelt daar tegenover dat de schade was uitgesloten, omdat deze (wel) veroorzaakt was door verzekeringnemer als bestuurder en dat de schade - doordat hij onder invloed van alcohol verkeerde - van dekking is uitgesloten. Hier toont zich fraai die samenhang tussen de primaire polisdekking en de uitsluiting(en) daarop: eerst dekking, dan uitsluiting. Of, meer concreet: eerst wanneer de dekking betwist wordt, dient deze door de verzekeringnemer bewezen te worden. Pas wanneer de dekking vaststaat, ofwel (a) door het door verzekerde geleverde bewijs, danwel (b) omdat de dekking nimmer betwist is geweest (Verzekeraar: 'ja, er is in beginsel dekking onder de polis want daartoe hoeft 'slechts' sprake te zijn van een omschreven voorval, maar een uitsluiting doet zich voor') komt (het bewijs van) de uitsluiting aan bod. De door de Hoge Raad onder 5.1 geformuleerde hoofdregel sluit daarbij aan:
'In zodanig geval rust ingevolge art. 177 (huidig 150, NvT) Rv op de verzekerde de last te bewijzen dat zich een gebeurtenis heeft voorgedaan tegen de gevolgen waarvan de verzekering in beginsel dekking biedt. Ingevolge genoemde bepaling zal de verzekeraar vervolgens de feiten dienen te bewijzen die, naar hij stelt, hem van zijn verplichting tot vergoeding van de schade ontheffen.'
Dit oordeel is in lijn met het uitgangspunt dat voor dekking doorgaans35voldoende is dat zich een 'gedekte gebeurtenis', zoals een botsing met een lantaarnpaal, heeft voorgedaan. En zulks in beginsel ongeacht wie de bestuurder van het voertuig is. Onder die omstandigheden komt het mij voor dat - nu de vraag of zich een botsing heeft voorgedaan tussen partijen nimmer in geschil is geweest - de stelling dat er een dronken bestuurder (mogelijk N zelf) achter het stuur zat (waardoor de uitsluiting van toepassing zou zijn) een zelfstandig verweer is. De bewijslast rust daarmee mijns inziens in beginsel op de verzekeraar. Dat laat onverlet dat zo de omstandigheden van het geval zulks rechtvaardigen, de rechter uitgaat van een voorshands bewijsoordeel. Dat is het geval in de voorliggende zaak, waaromtrent de Hoge Raad het volgende opmerkt:
'Hetgeen het hof (... ) heeft overwogen, moet als volgt worden begrepen. De omstandigheid dat N. aanvankelijk tegenover de politie heeft verklaard dat een hem onbekend persoon zijn auto ten tijde van het ongeval bestuurde, maar daarvan later is teruggekomen, doet zijn verklaring dat G. (een derde, hem wel bekende persoon, NvT) de auto bestuurde ongeloofwaardig zijn. Daartegenover staan verklaringen van personen, afgelegd tegenover de politie, waaruit kan worden afgeleid dat N. zijn auto ten tijde van het ongeval bestuurde. Op grond van dit een en ander is volgens het hof zo aannemelijk dat N. zijn auto ten tijde van het ongeval zelf bestuurde, dat zulks voorshands, behoudens tegenbewijs, als bewezen moet worden aangemerkt. Dit oordeel, dat niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk geeft en dat in het licht van de inhoud van het tot de stukken van het geding behorende proces-verbaal van de Regio politie Oosterschelde niet onbegrijpelijk is, kan 's Hofs oordeel dat op N. de bewijslast rustte van zijn stelling, dat niet hij maar G. de auto bestuurde, zelfstandig dragen.36