Verlofstelsels in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/5.7:5.7 Conclusie
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/5.7
5.7 Conclusie
Documentgegevens:
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS610734:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Hullu schreef in 1989 dat de wetgever bij de vormgeving van de regeling van rechtsmiddelen stilzwijgend is uitgegaan van een cruciale vooronderstelling: “er wordt slechts in beperkte mate van rechtsmiddelen gebruik gemaakt”. Werkelijk frequent gebruik van rechtsmiddelen zou volgens De Hullu ontwrichting van het strafrechtelijk apparaat tot gevolg hebben en ook leiden tot het opwerpen van wettelijke drempels, “zoals verlofregelingen”.1 Deze voorspelling is voor hoger beroep en cassatie in zoverre uitgekomen dat beide gewone rechtsmiddelen inmiddels zijn voorzien van extra ontvankelijkheidsvoorwaarden, waardoor de toegang tot beide rechtsmiddelen is beperkt of voor sommige zaken zelfs uitgesloten.2 In het bijzonder is in hoger beroep en cassatie het bezwaarvereiste voor ontvankelijkheid van het beroep ingevoerd en aangescherpt.
Hier is van belang dat de regeling van dit bezwaarvereiste trekken heeft van een verlofstelsel. Weliswaar wordt, los van artikel 410a Sv en artikel 80a RO, in hoger beroep en cassatie de inhoudelijke of vrije toegangsbeoordeling op grond van bezwaren niet gecombineerd met afgescheiden toegangsbeoordeling, maar geïsoleerd komt inhoudelijke, vrije en afgescheiden toegangsbeoordeling wel voor.
In de kern moet een bezwaarvereiste zorgen voor verminderde aanwending van kansloze beroepen en verbeterde berechting van de wel ingestelde beroepen. Hoewel deze gedachte een aanknopingspunt vormt om de bezwaareis inhoudelijk in te vullen, worden aan de ‘grieven’ in hoger beroep en ‘middelen’ in cassatie als zodanig niet of nauwelijks inhoudelijke eisen gesteld. Het ligt niet in de rede dat de middeleneis in cassatie zich in die richting ontwikkelt, gelet op het bestaan van artikel 80a RO. Enige betekenisvolle inhoudelijke invulling van de bezwaareis is daarom in hoger beroep en cassatie niet aan de orde, ook al komt inhoudelijke beoordeling van een bezwaarvereiste niet snel in strijd met het verdragsrecht.
Artikel 416 Sv geeft intussen aan appelrechters op een andere manier een duidelijke mogelijkheid voor vrije toegangsbeoordeling. Indien niet aan de eisen voor indiening van grieven uit artikel 416 Sv is voldaan, kunnen appelrechters immers vrij besluiten of zij het beroep toelaten of weigeren. Het gaat hier om een in toepassingsbereik beperkte toelatingsvrijheid, die verder slechts door de beginselen van een goede procesorde wordt genormeerd. Als de beleidsvrijheid van artikel 416 Sv wordt bezien als leave to appeal in de zin van artikel 14 lid 5 IVBPR, dient deze beleidsvrijheid met inhoudelijke beoordeling van het beroep te worden ingevuld. Er is evenwel reden om aan te nemen dat het CRM de beleidsvrijheid van artikel 416 Sv veeleer zal beschouwen als voor de verdachte gunstige nuancering van een op zichzelf reeds toelaatbaar bezwaarvereiste, en daarom niet-inhoudelijke toepassing van deze beleidsvrijheid niet in strijd met het verdragsrecht zal achten.
Onderzoek naar het bezwaarvereiste in hoger beroep en cassatie kan voorts in bepaalde opzichten afgescheiden plaatsvinden van de reguliere behandeling van het beroep. In cassatie worden enkele aspecten van het bezwaar- of schriftuurvereiste beoordeeld door een enkelvoudige kamer. Indien het schriftuurvereiste niet is nageleefd, mag daarnaast het parket afzien van het nemen van een conclusie. Er is geen aanleiding om te denken dat deze twee vereenvoudigingen van de cassatieprocedure in strijd zijn met het verdragsrecht. De Wet stroomlijnen hoger beroep wekt daarnaast voor hoger beroep weliswaar de indruk van een zekere afgescheiden toegangsbeoordeling, maar dat lijkt niet meer dan bevestiging van de organisatorische differentiatie die in de praktijk reeds plaatsvond voor gevallen waarin de toegang tot hoger beroep werd geweigerd.
Dit hoofdstuk legt tot slot een zekere spanning bloot tussen de vormgeving van het toegangsonderzoek enerzijds en het type toegangsvoorwaarde anderzijds. Voor hoger beroep komt de vraag op of de discretionaire bevoegdheid tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in alle gevallen kan worden toegepast zonder dat onderzoek wordt verricht dat bij de aard van die bevoegdheid past. Indien onder artikel 416 Sv in feite inhoudelijke toegangsbeoordeling plaatsvindt of de appelrechter in de motivering van toegangsweigering blijk geeft van een open belangenafweging, moet daaraan dan niet kennisneming van alle relevante stukken van het geding ten grondslag liggen? Voor cassatie geldt dat de wetsgeschiedenis zich ertegen verzet dat de enkelvoudige kamer cassatieberoepen niet-ontvankelijk verklaart omdat de middelen onvoldoende stellig en duidelijk zijn. Een dergelijk oordeel over de schriftuur en de middelen neigt naar inhoudelijke toegangsbeoordeling, waarvoor de vereenvoudigde afdoeningsmogelijkheid in cassatie niet is bedoeld. Kort samengevat geeft de behandeling van het bezwaarvereiste aanleiding om te denken dat inhoudelijke en vrije toegangsbeoordeling enerzijds en afgescheiden (vereenvoudigde) toegangsbeoordeling anderzijds liever niet met elkaar gecombineerd moeten worden. Juist in de verlofstelsels van artikel 410a Sv en artikel 80a RO gebeurt dat toch. In de navolgende hoofdstukken zal blijken dat die combinatie met het oog op verdragsrecht vooral in hoger beroep problemen veroorzaakt.