Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/8.3.2.2
8.3.2.2 De civiele rechter als alternatief forum?
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971865:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 223 Rv.
Vgl. Kamerstukken II 1993/1994, 22 400, nr. 3 (MvT), p. 14-16.
Zie in gelijke zin Hammerstein 2022, p. 1179; Kemp 2019b, p. 209; en Sinninghe Damsté 2018.
Zie voor een overzicht Hammerstein 2022, p. 1177-1178; Kemp 2019b, p. 195 (voetnoot 2); en de annotatie van Kemp onder JOR 2022/231, par. 2.
Zie Hof Amsterdam (OK) 7 maart 2023, JOR 2023/181 m.nt. S.C.M. van Thiel (Voltalessandro).
Hof Amsterdam (OK) 7 maart 2023, JOR 2023/181 m.nt. S.C.M. van Thiel (Voltalessandro), r.o. 5.10.
Hetzelfde geldt ook voor de benoeming van een tijdelijk uitvoerend of niet-uitvoerend bestuurder in een monistisch bestuursmodel, waarvoor de objectiefrechtelijke grondslag mede zal liggen in artikel 2:8, 2:9 en 22:129a/239a BW.
Vgl. Hammerstein 2022, p. 1179: “Als eenmaal wordt aangenomen dat de voorzieningenrechter kan ingrijpen in het bestuur, zijn ook alle andere maatregelen die de Ondernemingskamer kan treffen in kort geding toepasbaar. Dus ook de schorsing van een besluit of de tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer. Voor die opvatting pleit dat voor 1993 de noodzaak van dergelijke voorzieningen eveneens bestond en toen tot het gebied van de president in kort geding behoorden. Het zou bovendien van een betrekkelijke willekeur getuigen als de Ondernemingskamer wel kan ingrijpen, maar de voorzieningenrechter niet op de enkele grond dat er geen onderzoek is gevraagd.”
Zie bijvoorbeeld Kemp 2019b, p. 209-211; en Croiset van Uchelen 2010, p. 257 en p. 260-261.
Vgl. Croiset van Uchelen 2010, p. 260-261, waarin wordt erkend dat ook de reguliere rechter in principe een voorziening kan treffen in strijd met dwingend recht.
Zie Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2024, nr. 21.
Zie in dit verband HR 14 september 2007, NJ 2007/611 m.nt. J.M.M. Maeijer (Versatel II), r.o. 4.2-4.3, waarin de Hoge Raad bevestigt dat de Ondernemingskamer onmiddellijke voorzieningen kan treffen die in strijd zijn met dwingend recht of de statuten. Dit wordt gerechtvaardigd aan de hand van het karakter van de onmiddellijke voorziening als ordemaatregel. Dit houdt dus geen verband met enige bijzondere bevoegdheid van de Ondernemingskamer noch enig bijzonder kenmerk dat onmiddellijke voorzieningen zou onderscheiden van voorlopige voorzieningen. Vgl. de conclusie van A-G Timmerman bij deze beschikking, par. 3.11: “Het komt wellicht op het eerste gezicht enigszins vreemd voor dat de Ondernemingskamer onmiddellijke voorzieningen mag treffen in afwijking van dwingendrechtelijke bepalingen. Men dient zich te realiseren dat in enquêtezaken vaak sprake is van een noodsituatie. Wat er mijns inziens gebeurt ingeval van onmiddellijke voorzieningen in afwijking van de wet, is niet veel meer dan een illustratie van het gezegde: ‘Nood breekt wet’.” Deze redenering is van overeenkomstige toepassing op voorlopige voorzieningen getroffen door de civiele rechter. Ook dit zijn immers ordemaatregelen die veelal in noodsituaties worden getroffen; in kort geding zal het spoedeisend belang van de eiser veelal aan die noodsituatie worden ontleend.
Vgl. de conclusie van A-G Timmerman bij HR 14 september 2007, NJ 2007/611 m.nt. J.M.M. Maeijer (Versatel II), par. 3.11: “De bevoegdheid van de Ondernemingskamer om soms buiten de wet om een onmiddellijke voorziening te treffen sluit aan bij het bepaalde in art. 2:8 lid 2 BW. Daarin is immers voorzien dat een tussen partijen krachtens wet geldende regel buiten toepassing kan blijven, als dit in de gegeven omstandigheden naar de maatstaven van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.”
Ik meen dat hier een kleine zijstap op zijn plaats is. De bevoegde civiele rechter kan ook voorzieningen – ordemaatregelen – treffen in vennootschapsrechtelijke geschillen. Zo kan de ontoereikend geïnformeerde aandeelhouder zich in kort geding wenden tot de voorzieningenrechter met een vordering tot het treffen van voorlopige voorzieningen; dit was de aangewezen route voordat de Ondernemingskamer in 1994 de mogelijkheid kreeg om onmiddellijke voorzieningen te bevelen. In een bodemprocedure kan op vergelijkbare wijze een provisionele vordering worden ingesteld.1
De bevoegdheid van de civiele rechter tot het treffen van ordemaatregelen staat in principe naast de bevoegdheid van de Ondernemingskamer tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen.2 Er kunnen strategische en processuele overwegingen zijn om de civiele rechter te verkiezen boven de Ondernemingskamer, bijvoorbeeld indien de ontoereikend geïnformeerde aandeelhouder de benodigde kapitaaldrempel niet haalt of hij geen behoefte heeft aan een onderzoek. Waar onmiddellijke voorzieningen hoogstens van kracht kunnen blijven voor de duur van de enquêteprocedure, geldt een dergelijke temporele beperking in principe niet voor voorlopige voorzieningen in kort geding.
Kan de ontoereikend geïnformeerde aandeelhouder zich dan ook wenden tot de civiele rechter voor de benoeming van een tijdelijke informatiecommissaris? Ik meen dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord.3 Wat betreft de benoeming van een tijdelijk bestuurder is dit, na een periode van wisselende uitspraken en discussie in de literatuur,4 ook door de Ondernemingskamer bevestigd in het Voltalessandro-arrest.5 Als objectiefrechtelijke grondslag voor deze voorziening verwees de Ondernemingskamer (mede) naar artikel 2:8, 2:9 en 2:129/239 BW.6 Ik zie geen reden waarom het voorgaande anders zou zijn voor de benoeming van een tijdelijk commissaris, waarbij de objectiefrechtelijke grondslag (mede) zou zijn gelegen in artikel 2:8, 2:9 en 2:140/250 BW.7 De civiele rechter staat niets in de weg om bij een dergelijke benoeming te overwegen dat de tijdelijk commissaris het (mede) tot zijn taak mag rekenen toezicht te houden op de informatievoorziening aan de (minderheids)aandeelhouders.
Geldt het voorgaande ook voor meer ‘exotische’ (elementen van) voorzieningen, die niet als zodanig in de wet worden erkend? Te denken valt aan de informatiefunctionaris uit Fortuna of een informatiecommissaris met bijzondere bevoegdheden, zoals een beslissende of doorslaggevende stem. Begrijp ik hem goed, dan lijkt Hammerstein deze vraag bevestigend te beantwoorden.8 Andere auteurs nemen echter een terughoudender standpunt in.9 Reden daarvoor is met name dat het voor de civiele rechter lastiger zal zijn een dergelijke voorziening te treffen vanwege de vereiste objectiefrechtelijke grondslag;10 voorlopige voorzieningen mogen immers geen zuivere ordemaatregelen zijn.11 Voor het overige zie ik geen relevant onderscheid tussen de onmiddellijke voorzieningen van de Ondernemingskamer en de voorlopige voorzieningen van de civiele rechter dat aan dergelijke voorzieningen in de weg zou staan.12
De vraag rijst dan of open normen als (met name) de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW een voldoende objectiefrechtelijke grondslag kunnen bieden voor de gevorderde voorziening. Ik meen dat artikel 2:8 BW een brede juridische grondslag kan bieden voor verstrekkende voorzieningen, ook als die geen expliciete wettelijke basis hebben of zelfs in strijd zijn met dwingend recht,13 mits het voorliggende geval daartoe noopt. Hoe ingrijpender en verstrekkender de voorziening, hoe hoger die drempel zou moeten liggen. Hoe hoog die drempel ligt en of die is gehaald, zal van geval tot geval moeten worden bepaald. Het komt mij wenselijk voor om de civiele rechter daarbij de nodige vrijheid te geven, zodat hij de ruimte heeft om per geval tot een passende oplossing te komen.