De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.7:5.7 Samenvatting en tussenconclusie
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.7
5.7 Samenvatting en tussenconclusie
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS400663:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Aan het slot van hoofdstuk 4 is vastgesteld dat Nederlandse benadeelden van ongevallen met een internationaal aspect in het algemeen in staat zijn om hun aanspraken op schadevergoeding in eigen land geldend te maken. Zij kunnen bij een ongeval in Nederland dat door een bezoekend motorrijtuig is veroorzaakt ofwel het Nederlands Bureau der Motorrijtuigverzekeraars, dan wel het Waarborgfonds Motorverkeer op grond van een eigen recht aanspreken. Vindt het ongeval in een andere lidstaat plaats, dan kan de Nederlandse benadeelde zich tot de schaderegelaar wenden, dan wel - als deze niet tijdig en gemotiveerd reageert, als de verzekeraar geen schaderegelaar heeft aangesteld, dan wel de aansprakelijke niet verzekerd is - tot het Schadevergoedingsorgaan ex art. 27k Wam. Slechts in een beperkt aantal gevallen zal de Nederlander die de benadeelde is geworden van een ongeval waarvoor een in een ander land gestald motorrijtuig aansprakelijk is, zijn vordering in het buitenland moeten instellen. Dat is met name het geval als het ongeval in een niet-lidstaat plaatsvindt en is veroorzaakt door een niet in een lidstaat gestald en verzekerd motorrijtuig.
In hoofdstuk 5 is onderzocht welke inhoudelijke bescherming de wetgeving van de EU het verkeersslachtoffer biedt. Daarbij is vastgesteld dat deze bescherming zich op twee gebieden uit.
In de eerste plaats heeft de motorrijtuigverzekeringspolis een inhoud die aan bepaalde voorwaarden moet voldoen. Zo zijn onder meer minimaal te verzekeren sommen voorgeschreven, mogen andere categorieën inzittenden dan de bestuurder niet op grond van hun verwantschap met de bestuurder voor wat betreft hun personenschade van dekking worden uitgesloten, wordt de mogelijkheid sterk ingeperkt om wettelijke en polisclausules die de dekking beperken of uitsluiten aan de benadeelde tegen te werpen. Dit alles wordt mede gemotiveerd met het argument dat de benadeelde een vergelijkbare behandeling ten deel moet vallen, ongeacht de plaats in de EU waar het ongeval zich voordoet. Of dit doel wordt bereikt is echter de vraag. Weliswaar wordt de dekking onder de polis op deze wijze wel geharmoniseerd, er blijven nog genoeg verschillen in de nationale wetgevingen die deze vergelijkbare behandeling illusoir maken. Zo verschilt de minimaal te verzekeren som in de lidstaten van onbeperkt (in elk geval voor personenschade) tot het door de Richtlijn voorgeschreven minimum van € 5 miljoen voor personenschade en € 1 miljoen voor materiële schade. In sommige lidstaten is sprake van een vergaande risicoaansprakelijkheid (in België en in Frankrijk zelfs van een stelsel van directe vergoeding) of zelfs van verkeersverzekering, terwijl er ook nog lidstaten zijn die werken met - al dan niet gemitigeerde - schuldaansprakelijkheid. En ten slotte verschilt de economische ontwikkeling van de lidstaten zodanig dat - het algemeen gebruikelijke principe van de lex looi delicti (ook voor wat betreft het schadevergoedingsrecht) in aanmerking nemende - de schadevergoeding die men in een andere lidstaat zal kunnen verkrijgen vrijwel altijd zal verschillen van de uitkering waarop men in eigen land aanspraak kan maken. Dergelijke verschillen kunnen echter niet langs de weg van het verzekeringsrecht alleen worden geslecht.
Niet alleen langs de weg van de inhoud van de polisdekking wordt de benadeelde beschermd. De Richtlijn beschermt de benadeelde tevens langs procedurele weg, door hem aanspraak te geven op een binnen een periode van drie maanden uit te brengen schaderegelingsaanbod dan wel op een met redenen omklede reactie waarom een dergelijk aanbod (nog) niet kan worden uitgebracht, en dekt een en ander met sancties af.
De regeling van het gemotiveerde antwoord is echter niet ideaal. In de eerste plaats is niet geheel duidelijk wat daaronder moet worden verstaan, al zal er in de praktijk van de schaderegeling wel een werkbare invulling aan worden gegeven. Aan het niet doen van een onderbouwd regelingsaanbod, dan wel van een met redenen omkleed antwoord hangt de 'sanctie' dat de benadeelde toegang heeft tot het schadevergoedingsorgaan, maar te vrezen valt dat de schadevergoedingsorganen zich in de praktijk terughoudend zullen opstellen en dat de rechter zich in het uiterste geval zal moeten uitlaten over de vraag of al dan niet een gemotiveerde reactie is gegeven en of de benadeelde zich daadwerkelijk tot het schadevergoedingsorgaan kan wenden.
Op het terrein van de internationale schadeafhandeling, met name in het geval van bezoekende slachtoffers, blijven er vragen bestaan. Met name is onduidelijk welke 'zachte' schaderegelingsnormen moeten worden gehanteerd: die van de lidstaat van woonplaats van benadeelde of die welke het aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht beheersen, dat wil (doorgaans) zeggen die van de lidstaat van het ongeval of van vestiging van de verzekeraar.
Onduidelijk is ook de regeling van de administratief- dan wel civielrechtelijke sancties. Niet alleen blijft ongewis welk sanctieregime de benadeelde beschermt (dat van de lidstaat van zijn woonplaats dan wel dat van de lidstaat van vestiging van de verzekeraar), ook verschilt de uitwerking in de verschillende lidstaten zodanig, dat onduidelijkheid troef is. Ook hier moet daarom worden gevreesd dat het effect daarvan in de praktijk geringer zal zijn dan de Europese wetgever wellicht voor ogen heeft gestaan.
De Europese Commissie heeft geconcludeerd dat het stelsel van schaderegelaars in combinatie met de gemotiveerd-antwoordprocedure bevredigend functioneert. Hoewel de deugdelijkheid van het onderliggende onderzoek kan worden betwijfeld, heb ik niet de indruk dat deze conclusie onjuist is en dat er op betekenende schaal van misstanden sprake zou zijn.
Ten slotte valt nog te wijzen op de toegang tot de bevoegde rechter die het economisch zwakke verkeersslachtoffer in eigen land bij acties tegen de in een andere lidstaat gevestigde aansprakelijkheidsverzekeraar heeft op grond van Verordening Brussel I. Hij kan daarmee in vrijwel alle gevallen in eigen land procederen. Anders ligt dat voor niet als economisch zwak te betitelen benadeelden, waarbij met name moet worden gedacht aan regresnemende particuliere en sociale verzekeraars. In de eerste plaats is niet duidelijk welke benadeelden zich niet op de afdeling gewijd aan verzekeringszaken in Verordening Brussel I kunnen beroepen. Bovendien is de consequentie van de opvatting van het Hof van Justitie van de EU in het Vorarlberger-arrest dat in een en hetzelfde schadegeval in twee lidstaten zal moeten worden geprocedeerd.