Procestaal: Nederlands.
HvJ EU, 17-10-2013, nr. C-184/12
ECLI:EU:C:2013:663
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
17-10-2013
- Magistraten
M. Ilešič, C.G. Fernlund, A. Ó Caoimh, C. Toader, E. Jarašiūnas
- Zaaknummer
C-184/12
- Conclusie
N. Wahl
- Roepnaam
Unamar/Navigation Maritime
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2013:663, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 17‑10‑2013
ECLI:EU:C:2013:301, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 15‑05‑2013
Uitspraak 17‑10‑2013
M. Ilešič, C.G. Fernlund, A. Ó Caoimh, C. Toader, E. Jarašiūnas
Partij(en)
In zaak C-184/12,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens het Eerste Protocol van 19 december 1988 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980, ingediend door het Hof van Cassatie (België) bij beslissing van 5 april 2012, ingekomen bij het Hof op 20 april 2012, in de procedure
United Antwerp Maritime Agencies (Unamar) NV
tegen
Navigation Maritime Bulgare,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, C. G. Fernlund, A. Ó Caoimh, C. Toader (rapporteur) en E. Jarašiūnas, rechters,
advocaat-generaal: N. Wahl,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Navigation Maritime Bulgare, vertegenwoordigd door S. Van Moorleghem, advocaat,
- —
de Belgische regering, vertegenwoordigd door T. Materne en C. Pochet als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door R. Troosters en M. Wilderspin als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 mei 2013,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 3 en 7, lid 2, van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980 (PB L 266, blz. 1; hierna: ‘EVO’) juncto richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten (PB L 382, blz. 17).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen United Antwerp Maritime Agencies (Unamar) NV (hierna: ‘Unamar’), een vennootschap naar Belgisch recht, en Navigation Maritime Bulgare (hierna: ‘NMB’), een vennootschap naar Bulgaars recht, over de betaling van verschillende vergoedingen die beweerdelijk verschuldigd zijn ten gevolge van de opzegging door NMB van de handelsagentuurovereenkomst die tussen deze twee ondernemingen bestond.
Toepasselijke bepalingen
Volkenrecht
Verdrag over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken
3
Artikel II, leden 1 en 3, van het Verdrag over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken, ondertekend te New York op 10 juni 1958 (Recueil des traités des Nations unies, deel 330, blz. 3; hierna: ‘verdrag van New York’), bepaalt:
- ‘1.
Iedere verdragsluitende staat erkent de schriftelijke overeenkomst waarbij partijen zich verbinden aan een uitspraak van scheidsmannen te onderwerpen alle of bepaalde geschillen welke tussen hen zijn gerezen of welke tussen hen zouden kunnen rijzen naar aanleiding van een bepaalde al dan niet contractuele rechtsbetrekking en betreffende een geschil, dat vatbaar is voor de beslissing door arbitrage.
[…]
- 3.
De rechter van een verdragsluitende staat bij wie een geschil aanhangig wordt gemaakt over een onderwerp ten aanzien waarvan partijen een overeenkomst als bedoeld in dit artikel hebben aangegaan, verwijst partijen op verzoek van een hunner naar arbitrage, tenzij hij constateert, dat genoemde overeenkomst vervallen is, niet van kracht is of niet kan worden toegepast.’
Recht van de Unie
EVO
4
Artikel 1, lid 1, EVO, met het opschrift ‘Toepassingsgebied’, bepaalt:
‘De bepalingen van dit verdrag zijn van toepassing op verbintenissen uit overeenkomst in gevallen waarin uit het recht van verschillende landen moet worden gekozen.’
5
Artikel 3 van dit verdrag, met het opschrift ‘Rechtskeuze door partijen’, bepaalt:
- ‘1.
Een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat partijen hebben gekozen. De rechtskeuze moet uitdrukkelijk zijn gedaan of voldoende duidelijk blijken uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval. Bij hun keuze kunnen de partijen het toepasselijke recht aanwijzen voor de overeenkomst in haar geheel of voor slechts een onderdeel daarvan.
- 2.
De partijen kunnen te allen tijde overeenkomen de overeenkomst aan een ander recht te onderwerpen dan het recht dat deze voorheen, hetzij op grond van een vroegere rechtskeuze overeenkomstig dit artikel, hetzij op grond van een andere bepaling van dit verdrag, beheerste. Een wijziging in de rechtskeuze door de partijen na de totstandkoming van de overeenkomst is niet van invloed op de formele geldigheid van de overeenkomst in de zin van artikel 9 en doet geen afbreuk aan rechten van derden.
- 3.
Deze keuze door de partijen van een buitenlands recht, al dan niet gepaard gaande met de aanwijzing van een buitenlandse rechter, laat, wanneer alle overige elementen van het geval op het tijdstip van deze keuze met [éé]n enkel land zijn verbonden, onverlet de bepalingen waarvan volgens het recht van dit land niet bij overeenkomst mag worden afgeweken, hierna ‘dwingende bepalingen’ te noemen.
- 4.
De vraag of er overeenstemming tussen de partijen tot stand is gekomen over de keuze van het toepasselijke recht en of deze overeenstemming geldig is, wordt beheerst door de artikelen 8, 9 en 11.’
6
Artikel 7 van dit verdrag, met als opschrift ‘Bepalingen van bijzonder dwingend recht’, bepaalt:
- ‘1.
Bij de toepassing ingevolge dit verdrag van het recht van een bepaald land kan gevolg worden toegekend aan de dwingende bepalingen van het recht van een ander land waarmede het geval nauw is verbonden, indien en voor zover deze bepalingen volgens het recht van het laatstgenoemde land toepasselijk zijn, ongeacht het recht dat de overeenkomst beheerst. Bij de beslissing of aan deze dwingende bepalingen gevolg moet worden toegekend, wordt rekening gehouden met hun aard en strekking, alsmede met de gevolgen die uit de toepassing of niet-toepassing van deze bepalingen zouden voortvloeien.
- 2.
Dit verdrag laat de toepassing onverlet van de bepalingen van het recht van het land van de rechter die ongeacht het op de overeenkomst toepasselijke recht, het geval dwingend beheersen.’
7
Artikel 18 van hetzelfde verdrag, met als opschrift ‘Eenvormige uitlegging’, luidt:
‘Bij de uitlegging en de toepassing van de voorgaande eenvormige regels moet rekening worden gehouden met het internationale karakter ervan en de wenselijkheid om eenheid te bereiken in de wijze waarop zij worden uitgelegd en toegepast.’
Verordening (EG) nr. 593/2008
8
Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB L 177, blz. 6; hierna: ‘Rome I-verordening’) heeft het EVO vervangen. Artikel 9, leden 1 en 2, van deze verordening, met als opschrift ‘Bepalingen van bijzonder dwingend recht’, is als volgt geformuleerd:
- ‘1.
Bepalingen van bijzonder dwingend recht zijn bepalingen aan de inachtneming waarvan een land zoveel belang hecht voor de handhaving van zijn openbare belangen zoals zijn politieke, sociale of economische organisatie, dat zij moet[en] worden toegepast op elk geval dat onder de werkingssfeer ervan valt, ongeacht welk recht overeenkomstig deze verordening overigens van toepassing is op de overeenkomst.
- 2.
Niets in deze verordening beperkt de toepassing van de bepalingen van bijzonder dwingend recht van de rechter bij wie de zaak aanhangig is.’
Richtlijn 86/653
9
De eerste tot en met vierde overweging van de considerans van richtlijn 86/653 luiden als volgt:
‘Overwegende dat de beperkingen van de vrijheid van vestiging en van het vrij verrichten van diensten voor de werkzaamheden van tussenpersonen in handel, industrie en ambacht bij richtlijn 64/224/EEG […] zijn opgeheven;
Overwegende dat de verschillen tussen de nationale wetgevingen op het gebied van de handelsvertegenwoordiging binnen de Gemeenschap de concurrentieverhoudingen en de uitoefening van het beroep aanzienlijk beïnvloeden en de mate waarin de handelsagenten in hun betrekkingen met hun principalen worden beschermd, evenals de zekerheid in het handelsverkeer, aantasten; dat voorts deze verschillen de totstandkoming en de werking van handelsagentuurovereenkomsten tussen een principaal en een handelsagent die in verschillende lidstaten zijn gevestigd, ernstig kunnen belemmeren;
Overwegende dat het goederenverkeer tussen de lidstaten moet plaatsvinden onder soortgelijke omstandigheden als binnen [éé]n enkele markt, hetgeen de onderlinge aanpassing van de rechtsstelsels van de lidstaten vereist, voor zover zulks voor de goede werking van de gemeenschappelijke markt noodzakelijk is; dat in dit verband de verwijzingsregels van het internationaal privaatrecht, zelfs indien zij zijn geünificeerd, de hierboven vermelde nadelen op het gebied van de handelsvertegenwoordiging niet opheffen, en dat daarom niet kan worden afgezien van de voorgestelde harmonisatie;
Overwegende ten dezen dat de rechtsbetrekkingen tussen de handelsagent en de principaal met voor[r]ang moeten worden behandeld’.
10
In artikel 1, leden 1 en 2, van deze richtlijn wordt het volgende bepaald:
- ‘1.
De in deze richtlijn voorgeschreven harmonisatiemaatregelen zijn van toepassing op de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de betrekkingen tussen handelsagenten en hun principalen.
- 2.
Handelsagent in de zin van deze richtlijn is hij die als zelfstandige tussenpersoon permanent is belast met het tot stand brengen van de verkoop of de aankoop van goederen voor een ander, hierna te noemen ‘principaal’, of met het tot stand brengen en afsluiten van de verkoop of aankoop van goederen voor rekening en in naam van de principaal.’
11
Artikel 17 van deze richtlijn bepaalt:
- ‘1.
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te bewerkstelligen dat de handelsagent, na de beëindiging van de overeenkomst, vergoeding volgens lid 2 of herstel van het nadeel volgens lid 3 krijgt.
- 2.
- a)
De handelsagent heeft recht op een vergoeding indien en voor zover:
- —
hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of de transacties met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid en de transacties met deze klanten de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren, en
- —
de betaling van deze vergoeding billijk is, gelet op alle omstandigheden, in het bijzonder op de uit de transacties met deze klanten voortvloeiende provisie, die voor de handelsagent verloren gaat. De lidstaten kunnen bepalen dat genoemde omstandigheden ook het al dan niet toepassen van het concurrentiebeding in de zin van artikel 20 kunnen omvatten.
- b)
Het bedrag van de vergoeding mag niet meer bedragen dan een cijfer dat overeenkomt met een jaarlijkse vergoeding berekend op basis van het jaarlijkse gemiddelde van de beloning die de handelsagent de laatste vijf jaar heeft ontvangen of, indien de overeenkomst minder dan vijf jaar heeft geduurd, berekend over het gemiddelde van die periode.
- c)
De toekenning van deze vergoeding laat het recht van de handelsagent om schadevergoeding te vorderen onverlet.
- 3.
De handelsagent heeft recht op herstel van het nadeel dat hem als gevolg van de beëindiging van zijn betrekkingen met de principaal wordt berokkend.
Dit nadeel vloeit in het bijzonder voort uit de beëindiging van de overeenkomst onder omstandigheden waarbij:
- —
de handelsagent niet de provisies krijgt die hij bij normale uitvoering van de overeenkomst zou hebben ontvangen, waardoor de principaal een aanzienlijk voordeel geniet van de activiteiten van de handelsagent;
- —
en/of de handelsagent niet de kosten en uitgaven kan dekken die hij op advies van de principaal ten behoeve van de uitvoering van de overeenkomst op zich heeft genomen.
[…]
- 5.
De handelsagent verliest het recht op vergoeding in de in lid 2 bedoelde gevallen of op herstel van het nadeel in de in lid 3 bedoelde gevallen, indien hij de principaal niet binnen een jaar na de beëindiging van de overeenkomst ervan in kennis heeft gesteld dat hij voornemens is zijn rechten geldend te maken.
[…]’
12
Artikel 18 van de richtlijn is als volgt geformuleerd:
‘De vergoeding of het herstel op grond van artikel 17, is niet verschuldigd:
- a)
indien de principaal de overeenkomst heeft beëindigd vanwege een aan de handelsagent te wijten omstandigheid die krachtens het nationale recht aanleiding is tot beëindiging van de overeenkomst zonder opzeggingstermijn;
[…]’
13
Volgens artikel 22 van richtlijn 86/653 waren de lidstaten verplicht om deze richtlijn vóór 1 januari 1990 in hun nationaal recht om te zetten.
Nationaal recht
Belgische wet betreffende de handelsagentuurovereenkomst
14
Artikel 1, eerste alinea, van de Wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst (Belgisch Staatsblad van 2 juni 1995, blz. 15621; hierna: ‘wet betreffende de handelsagentuurovereenkomst’), die richtlijn 86/653 in Belgisch recht heeft omgezet, is als volgt geformuleerd:
‘De handelsagentuurovereenkomst is een overeenkomst waarbij de ene partij, de handelsagent, door de andere partij, de principaal, zonder dat hij onder diens gezag staat, permanent en tegen vergoeding belast wordt met het bemiddelen en eventueel het afsluiten van zaken in naam en voor rekening van de principaal.’
15
Artikel 18, §§ 1 en 3, van deze wet bepaalt:
‘§ 1.
Is de handelsagentuurovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten of voor bepaalde tijd met de mogelijkheid vroegtijdig op te zeggen, dan heeft ieder der partijen het recht om die te beëindigen met inachtneming van een opzeggingstermijn.
[…]
§ 3.
De partij die de overeenkomst beëindigt zonder een van de in artikel 19, eerste lid, vermelde redenen op te geven of zonder de in § 1, tweede lid, vastgestelde opzeggingstermijn in acht te nemen, is gehouden de andere partij een opzeggingsvergoeding te betalen die gelijk is aan de vergoeding die gebruikelijk is en overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterende deel van die termijn.’
16
In artikel 20, eerste alinea, van deze wet wordt het volgende bepaald:
‘Na de beëindiging van de overeenkomst heeft de handelsagent recht op een uitwinningsvergoeding wanneer hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of wanneer hij de zaken met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid, voor zover dit de principaal nog aanzienlijke voordelen kan opleveren.’
17
Artikel 21 van de wet luidt:
‘Voor zover de handelsagent recht heeft op de uitwinningsvergoeding bepaald in artikel 20 en het bedrag van deze vergoeding de werkelijk geleden schade niet volledig vergoedt, kan de handelsagent, mits hij de werkelijke omvang van de beweerde schade bewijst, boven deze vergoeding schadeloosstelling verkrijgen ten belope van het verschil tussen het bedrag van de werkelijk geleden schade en het bedrag van die vergoeding.’
18
Artikel 27 van de wet betreffende de handelsagentuurovereenkomst bepaalt het volgende:
‘Onverminderd de toepassing van internationale verdragen die België heeft gesloten, is elke activiteit van een handelsagent met hoofdvestiging in België onderworpen aan de Belgische wet en behoort tot de bevoegdheid van de Belgische rechtbanken.’
Bulgaarse handelswet
19
In Bulgarije is richtlijn 86/653 omgezet bij wijziging van de handelswet (DV nr. 59 van 21 juli 2006).
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
20
Unamar en NMB hebben respectievelijk als handelsagent en als principaal in de loop van 2005 een handelsagentuurovereenkomst gesloten met betrekking tot de exploitatie van de maritieme containerlijndienst van NMB. De overeenkomst was gesloten voor een duur van één jaar en werd jaarlijks vernieuwd tot en met 31 december 2008. De overeenkomst bepaalde dat zij werd beheerst door Bulgaars recht en dat elk geschil met betrekking tot deze overeenkomst zou worden beslecht door de arbitragekamer bij de kamer van koophandel en industrie te Sofia (Bulgarije). Bij rondschrijven van 19 december 2008 heeft NMB haar agenten meegedeeld dat zij om economische redenen gedwongen was om de contractuele betrekkingen te beëindigen. In deze context werd de handelsagentuurovereenkomst met Unamar een laatste maal verlengd tot en met 31 maart 2009.
21
Aangezien Unamar van mening was dat de handelsagentuurovereenkomst onrechtmatig was beëindigd, heeft zij op 25 februari 2009 een procedure aanhangig gemaakt bij de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen teneinde NMB te doen veroordelen tot betaling van diverse in de wet betreffende de handelsagentuurovereenkomst bepaalde schadevergoedingen, te weten een opzeggingsvervangende vergoeding, een uitwinningsvergoeding en een aanvullende schadevergoeding wegens ontslag van personeel, voor een totaal bedrag van 849 557,05 EUR.
22
NMB heeft op haar beurt bij dezelfde rechtbank de veroordeling van Unamar gevorderd tot betaling van een bedrag van 327 207,87 EUR aan achtergehouden vrachtgelden.
23
In het kader van de door Unamar ingeleide procedure wierp NMB een exceptie van niet-ontvankelijkheid op die hierop was gebaseerd dat de Belgische rechtbank ingevolge het arbitragebeding in de handelsagentuurovereenkomst geen rechtsmacht had om kennis te nemen van de zaak. Na samenvoeging van beide door partijen aanhangig gemaakte zaken, heeft de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen bij vonnis van 12 mei 2009 geoordeeld dat deze door NMB opgeworpen exceptie van afwezigheid van rechtsmacht ongegrond was. Wat de wet betreft die van toepassing was op de twee bij haar aanhangig gemaakte zaken, heeft deze rechtbank met name geoordeeld dat artikel 27 van de wet betreffende de handelsagentuurovereenkomst als ‘politiewet’ een onmiddellijk toepasbare, eenzijdige collisieregel is die de keuze van buitenlands recht buitenspel zet.
24
Bij arrest van 23 december 2010 heeft het Hof van Beroep te Antwerpen het beroep van NMB tegen het vonnis van 12 mei 2009 gedeeltelijk toegewezen en Unamar veroordeeld tot het betalen van achtergehouden vrachtgelden ten bedrage van 77 207,87 EUR, vermeerderd met verwijlrente, en tot de kosten. Verder heeft het hof zich, gelet op het rechtsgeldig bevonden arbitragebeding in de handelsagentuurovereenkomst, zonder rechtsmacht verklaard om te oordelen over de door Unamar ingestelde vordering tot betaling van schadevergoedingen. Het Hof van Beroep oordeelde immers dat de wet betreffende de handelsagentuurovereenkomst niet van openbare orde is en ook niet behoort tot de Belgische internationale openbare orde in de zin van artikel 7 EVO. Bovendien was het Hof van Beroep van oordeel dat het door partijen gekozen Bulgaarse recht Unamar als scheepsagent van NMB evenzeer de door richtlijn 86/653 vastgestelde bescherming bood, al voorziet deze richtlijn slechts in een minimumbescherming. In deze omstandigheden moet volgens deze rechterlijke instantie het beginsel van wilsautonomie gelden en is derhalve het Bulgaarse recht van toepassing.
25
Tegen dit arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen heeft Unamar voorziening in cassatie ingesteld. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof van Cassatie van oordeel is dat uit de wetsgeschiedenis van de wet betreffende de handelsagentuurovereenkomst voortvloeit dat de artikelen 18, 20 en 21 van deze wet moeten worden beschouwd als bepalingen van dwingend recht wegens het dwingende karakter van richtlijn 86/653, die door deze wet in de nationale rechtsorde wordt omgezet. Uit artikel 27 van deze wet blijkt immers dat de wet tot doel heeft om de handelsagent met hoofdvestiging in België de bescherming te bieden van de dwingende bepalingen van de Belgische wet, ongeacht het op de overeenkomst toepasselijke recht.
26
In deze omstandigheden heeft het Hof van Cassatie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
‘Moeten, mede in acht genomen de kwalificatie naar Belgisch recht van de in het geding zijnde artikelen 18, 20 en 21 van de [wet betreffende de handelsagentuurovereenkomst] als bepalingen van bijzonder dwingend recht in de zin van artikel 7, lid 2, EVO, de artikelen 3 en 7, lid 2, EVO, al dan niet in samenhang gelezen met richtlijn 86/653 […], aldus worden uitgelegd dat zij toelaten dat de bepalingen van bijzonder dwingend recht van het land van de rechter die een ruimere bescherming bieden dan het door richtlijn [86/653] opgelegde minimum, worden toegepast op de overeenkomst, ook indien blijkt dat het op de overeenkomst toepasselijke recht het recht van een andere EU-lidstaat is waarin tevens de minimumbescherming die geboden wordt door voormelde richtlijn [86/653] werd geïmplementeerd?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
27
Om te beginnen moet worden gepreciseerd dat het Hof krachtens het op 1 augustus 2004 in werking getreden Eerste Protocol van het EVO bevoegd is om uitspraak te doen over het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreffende dat verdrag. Krachtens artikel 2, sub a, van dit protocol kan het Hof van Cassatie het Hof immers verzoeken, bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over een vraag die in een bij hem aanhangige zaak aan de orde is gekomen en die betrekking heeft op de uitlegging van de bepalingen van het EVO.
28
Voorts is weliswaar voor de rechterlijke instanties in eerste aanleg en in beroep debat gevoerd over de rechtsmacht om kennis te nemen van het hoofdgeding, maar heeft de verwijzende rechter het Hof alleen een vraag gesteld over het op de overeenkomst toepasselijke recht. De verwijzende rechter is dus van oordeel dat hij rechtsmacht heeft om het geschil krachtens artikel II, lid 3, van het verdrag van New York te beslechten. In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat het volgens vaste rechtspraak uitsluitend de zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt (arrest van 19 juli 2012, Garkalns, C-470/11, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Derhalve zal het Hof de prejudiciële vraag beantwoorden zonder in te gaan op de kwestie van de rechtsmacht.
29
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 3 en 7, lid 2, EVO aldus moeten worden uitgelegd dat het door partijen bij een handelsagentuurovereenkomst gekozen recht van een lidstaat dat de door richtlijn 86/653 opgelegde minimumbescherming biedt, door de in een andere lidstaat gevestigde rechter bij wie de zaak aanhangig is opzij mag worden geschoven voor de lex fori op grond dat de regels die de situatie van zelfstandige handelsagenten beheersen in de rechtsorde van deze lidstaat van dwingend recht zijn.
30
Dienaangaande zij opgemerkt dat de door de verwijzende rechter gestelde vraag weliswaar geen betrekking heeft op een overeenkomst voor de verkoop of aankoop van goederen, maar op een handelsagentuurovereenkomst inzake de exploitatie van een maritieme vervoersdienst, zodat richtlijn 86/653 de situatie in het hoofdgeding niet rechtstreeks kan beheersen, maar dat dit niet wegneemt dat de Belgische wetgever bij de omzetting van de bepalingen van deze richtlijn in het nationale recht heeft beslist om deze twee soorten situaties op dezelfde manier te behandelen (zie naar analogie arresten van 16 maart 2006, Poseidon Chartering, C-3/04, Jurispr. blz. I-2505, punt 17, en 28 oktober 2010, Volvo Car Germany, C-203/09, Jurispr. blz. I-10721, punt 26). Zoals reeds vermeld in punt 24 van het onderhavige arrest, heeft de Bulgaarse wetgever overigens eveneens beslist om de regeling van de richtlijn toe te passen op een handelsagent die is belast met het tot stand brengen en afsluiten van zaken, zoals die in het hoofdgeding.
31
Wanneer een nationale wettelijke regeling zich voor haar oplossingen voor zuiver interne situaties conformeert aan de in het recht van de Unie gekozen oplossingen, teneinde inzonderheid discriminaties of eventuele distorsies van de mededinging te voorkomen, is het volgens vaste rechtspraak stellig van belang dat, ter vermijding van uiteenlopende uitleggingen in de toekomst, de overgenomen bepalingen of begrippen van het recht van de Unie op eenvormige wijze worden uitgelegd, ongeacht de omstandigheden waaronder zij toepassing moeten vinden (zie in die zin arrest van 17 juli 1997, Leur-Bloem, C-28/95, Jurispr. blz. I-4161, punt 32, en arrest Poseidon Chartering, reeds aangehaald, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32
In deze context rijst de vraag of de nationale rechter overeenkomstig artikel 7, lid 2, EVO het door partijen gekozen recht van een lidstaat die dwingende bepalingen van Unierecht omzet, opzij mag schuiven voor de wet van een andere lidstaat, de lex fori, die in deze rechtsorde als dwingend wordt gekwalificeerd.
33
Volgens NMB beheerst de wet betreffende de handelsagentuurovereenkomst het hoofdgeding niet ‘dwingend’ in de zin van artikel 7, lid 2, EVO, aangezien dit geding een aangelegenheid betreft die onder richtlijn 86/653 valt en het door partijen gekozen recht precies het recht is van een andere lidstaat van de Unie die deze richtlijn evenzeer heeft omgezet in zijn nationale rechtsorde. Volgens NMB verzetten de beginselen van wilsautonomie en rechtszekerheid zich ertegen dat in omstandigheden als die van het hoofdgeding Bulgaars recht opzij wordt geschoven voor Belgisch recht.
34
De Belgische regering betoogt van haar kant dat de bepalingen van de wet betreffende de handelsagentuurovereenkomst dwingend zijn en kunnen worden gekwalificeerd als bepalingen van bijzonder dwingend recht. Dienaangaande merkt deze regering op dat deze wet weliswaar is vastgesteld als omzettingsmaatregel van richtlijn 86/653, maar het begrip ‘handelsagent’ een ruimere strekking heeft gegeven dan de richtlijn, aangezien elke handelsagent die wordt belast met ‘het bemiddelen en eventueel het afsluiten van zaken’ onder deze wet valt. De Belgische regering heeft er in haar opmerkingen tevens de nadruk op gelegd dat deze wet de mogelijkheden om de handelsagent in geval van verbreking van zijn overeenkomst schadeloos te stellen, heeft uitgebreid, zodat het hoofdgeding wel degelijk in het licht van de Belgische wet moet worden beoordeeld.
35
De Europese Commissie voert in wezen aan dat een lidstaat die zich eenzijdig beroept op bepalingen van bijzonder dwingend recht, hoe dan ook in strijd met de aan het EVO ten grondslag liggende beginselen handelt, in het bijzonder met de basisregel dat het contractueel door partijen gekozen recht voorrang heeft, voor zover dit het recht is van een lidstaat die de betrokken dwingende bepalingen van het Unierecht in zijn interne rechtsorde heeft opgenomen. Lidstaten kunnen bijgevolg niet ingaan tegen deze basisregel door hun nationale regels systematisch als dwingend te kwalificeren, behalve wanneer zij uitdrukkelijk een wezenlijk belang betreffen.
36
Het Hof heeft reeds geoordeeld dat richtlijn 86/653 ertoe strekt, het recht van de lidstaten inzake de rechtsbetrekkingen tussen de partijen bij een handelsagentuurovereenkomst te harmoniseren (arresten van 30 april 1998, Bellone, C-215/97, Jurispr. blz. I-2191, punt 10; 23 maart 2006, Honyvem Informazioni Commerciali, C-465/04, Jurispr. blz. I-2879, punt 18, en 26 maart 2009, Semen, C-348/07, Jurispr. blz. I-2341, punt 14).
37
Blijkens de tweede overweging van de considerans van deze richtlijn hebben de harmonisatiemaatregelen die zij vaststelt onder meer tot doel, de beperkingen op de uitoefening van het beroep van handelsagent op te heffen, de mededingingsvoorwaarden binnen de Unie te uniformeren en de zekerheid van de handelstransacties te vergroten (arrest van 9 november 2000, Ingmar, C-381/98, Jurispr. blz. I-9305, punt 23).
38
Uit vaststaande rechtspraak volgt tevens dat met name nationale bepalingen die de geldigheid van een agentuurovereenkomst koppelen aan de voorwaarde dat de handelsagent zich inschrijft in een daarvoor bestemd register, de opstelling en de werking van agentuurovereenkomsten tussen partijen in verschillende lidstaten aanzienlijk kunnen belemmeren en in dit opzicht dus in strijd zijn met de doeleinden van richtlijn 86/653 (zie in die zin arrest Bellone, reeds aangehaald, punt 17).
39
In dit verband zijn de artikelen 17 en 18 van deze richtlijn van doorslaggevend belang, omdat zij het beschermingsniveau omschrijven dat de wetgever van de Unie redelijk heeft geacht voor handelsagenten in het kader van de totstandbrenging van de interne markt.
40
Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, is de regeling die richtlijn 86/653 daartoe heeft vastgelegd van dwingende aard. Artikel 17 van deze richtlijn verplicht de lidstaten immers om maatregelen te treffen voor de vergoeding van de handelsagent na de beëindiging van de overeenkomst. Volgens deze bepaling kunnen de lidstaten weliswaar kiezen voor het systeem van vergoeding of voor dat van herstel van het nadeel, maar dat neemt niet weg dat de artikelen 17 en 18 van deze richtlijn een nauwkeurig kader omschrijven waarbinnen de lidstaten hun beoordelingsbevoegdheid ten aanzien van de keuze van de berekeningsmethode voor de toe te kennen vergoeding of schadeloosstelling kunnen uitoefenen. Bovendien mogen partijen ingevolge artikel 19 van deze richtlijn niet ten nadele van de handelsagent afwijken van deze artikelen voordat de overeenkomst is beëindigd (arrest Ingmar, reeds aangehaald, punt 21).
41
Wat de vraag betreft of een nationale rechter het door partijen gekozen recht opzij mag schuiven voor zijn nationaal recht dat de artikelen 17 en 18 van richtlijn 86/653 omzet, moet worden verwezen naar artikel 7 EVO.
42
In herinnering moet worden gebracht dat artikel 7 EVO, met als opschrift ‘Bepalingen van bijzonder dwingend recht’, in lid 1 naar de dwingende bepalingen van het recht van een ander land verwijst en in lid 2 naar de dwingende bepalingen van de lex fori.
43
Zo kan de lidstaat waar de zaak wordt behandeld, krachtens artikel 7, lid 1, EVO de dwingende bepalingen van het recht van een andere lidstaat waarmee het geval nauw is verbonden toepassen in plaats van het op de overeenkomst toepasselijke recht. Bij de beslissing of aan deze dwingende bepalingen gevolg moet worden toegekend, moet rekening worden gehouden met hun aard en strekking, alsmede met de gevolgen die uit de toepassing of niet-toepassing van deze bepalingen zouden voortvloeien.
44
Voorts kunnen op basis van artikel 7, lid 2, EVO de bepalingen van de lex fori worden toegepast die het geval dwingend beheersen, ongeacht het op de overeenkomst toepasselijke recht.
45
Uit het voorgaande vloeit voort dat de nationale rechter krachtens artikel 7, lid 1, EVO de dwingende bepalingen van het recht van een andere lidstaat alleen onder uitdrukkelijk omschreven voorwaarden kan toepassen, terwijl de tekst van artikel 7, lid 2, van dit verdrag niet uitdrukkelijk bijzondere voorwaarden stelt aan de toepassing van dwingende bepalingen van de lex fori.
46
Evenwel laat de mogelijkheid om zich krachtens artikel 7, lid 2, EVO te beroepen op bepalingen van bijzonder dwingend recht de verplichting voor de lidstaten om erop toe te zien dat deze regels verenigbaar zijn met het recht van de Unie onverlet. Volgens de rechtspraak van het Hof betekent het feit dat nationale bepalingen als wetten van politie en veiligheid worden aangemerkt, immers niet dat zij niet in overeenstemming met de Verdragsbepalingen hoeven te zijn; anders zou afbreuk worden gedaan aan de voorrang en de eenvormige toepassing van het Unierecht. Het recht van de Unie kan de aan dergelijke nationale wettelijke regelingen ten grondslag liggende overwegingen slechts aanvaarden voor zover het gaat om uitzonderingen op de communautaire vrijheden die uitdrukkelijk in het Verdrag zijn vastgesteld en, in voorkomend geval, voor zover het gaat om dwingende redenen van algemeen belang (arrest van 23 november 1999, Arblade e.a., C-369/96 en C-376/96, Jurispr. blz. I-8453, punt 31).
47
In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat de kwalificatie van nationale bepalingen als wetten van politie en veiligheid betrekking heeft op nationale bepalingen aan de inachtneming waarvan zoveel belang wordt gehecht voor de handhaving van de politieke, sociale of economische organisatie van de betrokken lidstaat, dat zij moeten worden nageleefd door eenieder die zich op het nationale grondgebied van deze lidstaat bevindt, of voor elke daarin gesitueerde rechtsbetrekking geldt (arrest Arblade e.a., reeds aangehaald, punt 30, en arrest van 19 juni 2008, Commissie/Luxemburg, C-319/06, Jurispr. blz. I-4323, punt 29).
48
Deze uitlegging strookt ook met de tekst van artikel 9, lid 1, van de Rome I-verordening, die ratione temporis echter niet van toepassing is op het hoofdgeding. Volgens dit artikel zijn bepalingen van bijzonder dwingend recht immers bepalingen aan de inachtneming waarvan een land zoveel belang hecht voor de handhaving van zijn openbare belangen zoals zijn politieke, sociale of economische organisatie, dat zij moeten worden toegepast op elk geval dat onder de werkingssfeer ervan valt, ongeacht welk recht overeenkomstig deze verordening overigens van toepassing is op de overeenkomst.
49
Om volle werking te geven aan het beginsel van wilsautonomie van contractspartijen, dat de hoeksteen is van het EVO en dat in de Rome I-verordening is overgenomen, moet er dus voor gezorgd worden dat de vrije keuze van deze partijen ter zake van het in het kader van hun contractuele relatie toepasselijke recht wordt geëerbiedigd overeenkomstig artikel 3, lid 1, EVO, zodat de uitzondering die wordt gevormd door ‘bepalingen van bijzonder dwingend recht’ in de zin van de wettelijke regeling van de betrokken lidstaat, zoals bedoeld in artikel 7, lid 2, van dit verdrag, strikt moet worden uitgelegd.
50
Het staat dus aan de nationale rechter om in het kader van zijn beoordeling of de bepalingen van het nationaal recht, die hij in de plaats wil stellen van het uitdrukkelijk door de contractspartijen gekozen recht, ‘bepalingen van bijzonder dwingend recht’ zijn, niet alleen rekening te houden met de precieze bewoordingen van deze bepalingen, maar ook met de algemene opzet en alle omstandigheden waarin deze bepalingen zijn vastgesteld, om daaruit te kunnen afleiden dat zij bepalingen van dwingend recht zijn, voor zover blijkt dat de nationale wetgever deze bepalingen heeft vastgesteld om een belang te beschermen dat voor de betrokken lidstaat fundamenteel is. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, kan dit het geval zijn wanneer de wet ter uitvoering van een richtlijn in het land van de rechter een ruimere bescherming aan handelsagenten biedt op grond van het bijzondere belang dat deze lidstaat aan deze groep burgers hecht, doordat de werkingssfeer van de richtlijn wordt uitgebreid of doordat voor een breder gebruik van de door de richtlijn gelaten beoordelingsruimte wordt gekozen.
51
In het kader van deze beoordeling moet evenwel, teneinde noch de door richtlijn 86/653 beoogde harmoniserende werking, noch de eenvormige toepassing van het EVO op het niveau van de Unie te schaden, rekening worden gehouden met het feit dat, anders dan bij de overeenkomst die aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het reeds aangehaalde arrest Ingmar, waarin het recht van een derde land terzijde werd gesteld, in het kader van het hoofdgeding de lex fori voorrang zou krijgen op het recht van een andere lidstaat die volgens alle interveniënten en volgens de verwijzende rechter richtlijn 86/653 correct heeft omgezet.
52
Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat de artikelen 3 en 7, lid 2, EVO aldus moeten worden uitgelegd dat het door partijen bij een handelsagentuurovereenkomst gekozen recht van een lidstaat van de Unie dat de door richtlijn 86/653 opgelegde minimumbescherming biedt, door de in een andere lidstaat gevestigde rechter bij wie de zaak aanhangig is uitsluitend opzij mag worden geschoven voor de lex fori op grond dat de regels die de situatie van zelfstandige handelsagenten beheersen van dwingend recht zijn in de rechtsorde van deze lidstaat, indien de aangezochte rechter, rekening houdend met de aard en het voorwerp van deze dwingende bepalingen, omstandig vaststelt dat de wetgever van de lidstaat waar de zaak wordt behandeld, het in het kader van de omzetting van de richtlijn van fundamenteel belang heeft geacht om de handelsagent in de betrokken rechtsorde een bescherming te bieden die ruimer is dan die waarin deze richtlijn voorziet.
Kosten
53
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
De artikelen 3 en 7, lid 2, van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980, moeten aldus worden uitgelegd dat het door partijen bij een handelsagentuurovereenkomst gekozen recht van een lidstaat van de Europese Unie dat de door richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten opgelegde minimumbescherming biedt, door de in een andere lidstaat gevestigde rechter bij wie de zaak aanhangig is uitsluitend opzij mag worden geschoven voor de lex fori op grond dat de regels die de situatie van zelfstandige handelsagenten beheersen van dwingend recht zijn in de rechtsorde van deze lidstaat, indien de aangezochte rechter, rekening houdend met de aard en het voorwerp van deze dwingende bepalingen, omstandig vaststelt dat de wetgever van de lidstaat waar de zaak wordt behandeld, het in het kader van de omzetting van de richtlijn van fundamenteel belang heeft geacht om de handelsagent in de betrokken rechtsorde een bescherming te bieden die ruimer is dan die waarin deze richtlijn voorziet.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 17‑10‑2013
Conclusie 15‑05‑2013
N. Wahl
Partij(en)
Zaak C-184/121.
United Antwerp Maritime Agencies (Unamar) NV
tegen
Navigation Maritime Bulgare
[verzoek van het Hof van Cassatie (België) om een prejudiciële beslissing]
I — Inleiding
1.
De onderhavige zaak betreft de uitlegging van de artikelen 3 en 7, lid 2, van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 19802. (Verdrag van Rome; hierna: ‘EVO’), in verband met richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten.3.
2.
Het door het Hof van Cassatie in de onderhavige zaak ingediende verzoek om een prejudiciële beslissing heeft betrekking op een geding tussen United Antwerp Maritime Agencies (Unamar) NV (hierna: ‘Unamar’), vennootschap naar Belgisch recht, en Navigation Maritime Bulgare (hierna: ‘NMB’), vennootschap naar Bulgaars recht, over de betaling van verschillende vergoedingen die beweerdelijk zijn verschuldigd ten gevolge van de opzegging door NMB van de handelsagentuurovereenkomst die tot dan toe tussen deze twee ondernemingen bestond. In het kader van de daaruit voortvloeiende gerechtelijke procedure is met name de vraag gerezen of de Belgische rechter de dwingende bepalingen van de lex fori kan toepassen op de overeenkomst, ondanks het bestaan van een arbitragebeding dat de kamer van koophandel en industrie te Sofia (Bulgarije) aanwijst en uitdrukkelijk bepaalt dat de overeenkomst wordt beheerst door Bulgaars recht.
3.
Het Hof wordt in het bijzonder verzocht om te preciseren onder welke voorwaarden de nationale rechter, overeenkomstig artikel 7, lid 2, EVO, de krachtens de keuze van partijen (lex contractus) op de overeenkomst toepasselijke relevante bepalingen van de wettelijke regeling van een lidstaat buiten beschouwing mag laten ten voordele van dwingende bepalingen van de lex fori. Meer bepaald wordt het Hof gevraagd aanwijzingen te geven om te bepalen of het recht van een lidstaat van de Europese Unie, waarbij een Europese richtlijn correct is omgezet, maar dat verder gaat dan de door deze richtlijn geboden bescherming, deze ruimere bescherming dwingend mag opleggen ingeval de lex contractus het recht van een andere lidstaat van de Unie is, waarbij deze richtlijn eveneens correct is omgezet.
II — Toepasselijke bepalingen
A — EVO
4.
Artikel 3 EVO, met het opschrift ‘Rechtskeuze door partijen’ bepaalt:
- ‘1.
Een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat partijen hebben gekozen. De rechtskeuze moet uitdrukkelijk zijn gedaan of voldoende duidelijk blijken uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval. Bij hun keuze kunnen partijen het toepasselijke recht aanwijzen voor de overeenkomst in haar geheel of voor slechts een onderdeel daarvan.
[…]’
5.
Artikel 7, lid 2, EVO, met als opschrift ‘Bepalingen van bijzonder dwingend recht’, bepaalt dat ‘[d]it Verdrag de toepassing onverlet [laat] van de bepalingen van het recht van het land van de rechter die ongeacht het op de overeenkomst toepasselijke recht, het geval dwingend beheersen’.
B — Richtlijn 86/653
6.
Volgens de tweede overweging van de considerans van richtlijn 86/653 is de richtlijn vastgesteld omdat ‘de verschillen tussen de nationale wetgevingen op het gebied van de handelsvertegenwoordiging binnen de Gemeenschap de concurrentieverhoudingen en de uitoefening van het beroep aanzienlijk beïnvloeden en de mate waarin de handelsagenten in hun betrekkingen met hun principalen worden beschermd, evenals de zekerheid in het handelsverkeer, aantasten […]’.
7.
Artikel 1, lid 2, van deze richtlijn bepaalt:
‘Handelsagent in de zin van deze richtlijn is hij die als zelfstandige tussenpersoon permanent is belast met het tot stand brengen van de verkoop of de aankoop van goederen voor een ander, hierna te noemen ‘principaal’, of met het tot stand brengen en afsluiten van de verkoop of aankoop van goederen voor rekening en in naam van de principaal.’
8.
Artikel 17, lid 1, van deze richtlijn bepaalt het volgende:
‘De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te bewerkstelligen dat de handelsagent, na de beëindiging van de overeenkomst, vergoeding volgens lid 2 [of] herstel van het nadeel volgens lid 3 krijgt.’
C — Belgisch recht
9.
Artikel 1 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst4. (hierna: ‘wet van 1995’) bepaalt met name dat: ‘[d]e handelsagentuurovereenkomst een overeenkomst [is] waarbij de ene partij, de handelsagent, door de andere partij, de principaal, zonder dat hij onder diens gezag staat, permanent en tegen vergoeding belast wordt met het bemiddelen en eventueel het afsluiten van zaken in naam en voor rekening van de principaal’.
10.
Artikel 18, leden 1 en 3, van de wet van 1995 luidt als volgt:
- ‘1.
Is de handelsagentuurovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten of voor bepaalde tijd met de mogelijkheid vroegtijdig op te zeggen, dan heeft ieder der partijen het recht om die te beëindigen met inachtneming van een opzeggingstermijn.
[…]
- 3.
De partij die de overeenkomst beëindigt zonder een van de in artikel 19, eerste lid, vermelde redenen op te geven of zonder de in § 1, tweede lid, vastgestelde opzeggingstermijn in acht te nemen, is gehouden de andere partij een opzeggingsvergoeding te betalen die gelijk is aan de vergoeding die gebruikelijk is en overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterende deel van die termijn.’
11.
Artikel 20 van de wet van 1995 bepaalt:
‘Na de beëindiging van de overeenkomst heeft de handelsagent recht op een uitwinningsvergoeding wanneer hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of wanneer hij de zaken met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid, voor zover dit de principaal nog aanzienlijke voordelen kan opleveren.’
12.
Artikel 21 van de wet van 1995 luidt:
‘Voor zover de handelsagent recht heeft op de uitwinningsvergoeding bepaald in artikel 20 en het bedrag van deze vergoeding de werkelijk geleden schade niet volledig vergoedt, kan de handelsagent, mits hij de werkelijke omvang van de beweerde schade bewijst, boven deze vergoeding schadeloosstelling verkrijgen ten belope van het verschil tussen het bedrag van de werkelijk geleden schade en het bedrag van die vergoeding.’
13.
Artikel 27 van de wet van 1995 is als volgt geformuleerd:
‘Onverminderd de toepassing van internationale verdragen die België heeft gesloten, is elke activiteit van een handelsagent met hoofdvestiging in België onderworpen aan de Belgische wet en behoort tot de bevoegdheid van de Belgische rechtbanken.’
III — Hoofdgeding, prejudiciële vraag en procesverloop voor het Hof
14.
Unamar en NMB hebben in 2005 een handelsagentuurovereenkomst gesloten met het oog op de uitbating van de maritieme containerlijndienst van NMB. De overeenkomst bepaalde dat zij werd beheerst door het Bulgaarse recht en dat elk geschil met betrekking tot de overeenkomst zou worden beslecht door de Arbitragekamer bij de Bulgaarse kamer van koophandel en industrie te Sofia.
15.
Deze agentuurovereenkomst werd, bij overeenkomst van 22 december 2008, een laatste maal verlengd tot 31 maart 2009. Unamar was van mening dat de overeenkomst onrechtmatig was beëindigd en heeft op 25 februari 2009 een procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank van koophandel te Antwerpen teneinde de betaling te verkrijgen van diverse in de wet van 1995 bepaalde vergoedingen.
16.
Op 13 maart 2009 heeft NMB op zijn beurt Unamar gedagvaard voor de rechtbank van koophandel te Antwerpen teneinde de betaling te verkrijgen van achtergehouden vrachtgelden ten bedrage van 327 207,87 EUR.
17.
Na voeging van de twee zaken, oordeelde de rechtbank van koophandel te Antwerpen bij vonnis van 12 mei 2009 dat de door NMB gestelde exceptie van afwezigheid van rechtsmacht op grond van het bestaan van een arbitragebeding ongegrond was. Deze rechtbank oordeelde in wezen, ten eerste, dat artikel 27 van de wet van 1995 een onmiddellijk toepasbare eenzijdige collisieregel was die de keuze voor buitenlands recht buitenspel zette; ten tweede, dat deze wet, die weliswaar niet behoort tot de Belgische internationale openbare orde, toch moest worden toegepast; ten derde, dat alle geschillen die binnen de werkingssfeer van deze wet vallen derhalve niet vatbaar waren voor arbitrage tenzij het Belgische of een equivalent buitenlands recht in de handelsagentuurovereenkomst toepasselijk zou hebben verklaard; en, ten slotte, dat, aangezien de tussen partijen gesloten overeenkomst aan het Bulgaarse recht was onderworpen en niet bleek dat de in richtlijn 86/653 vastgestelde rechtsregels, volgens dat recht, ook golden voor handelsagenten die dienstverleningsovereenkomsten tot stand brengen, de door NMB voorgedragen excepties van afwezigheid van rechtsmacht rechtens faalden.
18.
Op 24 juni 2009 heeft NMB tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het hof van beroep te Antwerpen. Bij arrest van 23 december 2010 heeft dat hof Unamar veroordeeld tot de betaling van het saldo van de vrachtgelden voor een bedrag van 77 207,87 EUR, vermeerderd met vertragingsrente, en tot betaling van de kosten. Verder heeft het hof van beroep te Antwerpen de door NMB aangevoerde exceptie van afwezigheid van rechtsmacht gegrond verklaard en heeft het zich zonder rechtsmacht verklaard om te oordelen over de door Unamar ingestelde vordering tot betaling van schadevergoedingen. Volgens dat hof is de wet van 1995 niet van openbare orde en behoort zij niet tot de Belgische internationale openbare orde. Dit hof was tevens van oordeel dat, overeenkomstig artikel 7 EVO, geen gevolg diende te worden gegeven aan de bijzondere dwingende bepalingen van deze wet. Zijns inziens bood het door partijen gekozen Bulgaarse recht Unamar, als scheepsagent van NMB, evenzeer de minimale, door richtlijn 86/653 vastgestelde bescherming. In deze omstandigheden moest de wilsautonomie van de partijen voorrang krijgen boven het recht van een andere lidstaat van de Unie, in casu het Koninkrijk België.
19.
Op 27 mei 2011 heeft Unamar tegen dit arrest voorziening in cassatie ingesteld bij het Hof van Cassatie, dat heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moeten, […] in acht genomen de kwalificatie naar Belgisch recht van de in het geding zijnde artikelen 18, 20 en 21 van de wet [van 1995] als bepalingen van bijzonder dwingend recht in de zin van artikel 7, lid 2, van het Verdrag van Rome, de artikelen 3 en 7, lid 2, van [dit Verdrag], al dan niet in samenhang gelezen met richtlijn [86/653], aldus worden uitgelegd dat zij toelaten dat de bepalingen van bijzonder dwingend recht van het land van de rechter die een ruimere bescherming bieden dan het door richtlijn [86/653] opgelegde minimum, worden toegepast op de overeenkomst, ook indien blijkt dat het op de overeenkomst toepasselijke recht het recht van een andere lidstaat van de Europese Unie is waarin tevens de minimumbescherming die geboden wordt door voormelde richtlijn 86/653 werd geïmplementeerd?’
20.
Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door NMB, de Belgische regering en de Europese Commissie. Er is niet om een mondelinge behandeling verzocht.
IV — Juridische analyse
A — Inleidende opmerkingen
21.
Alvorens met het onderzoek ten gronde van de prejudiciële vraag te beginnen, wens ik enkele verduidelijkingen te geven die mij noodzakelijk lijken om de discussie tot de essentie terug te voeren en de potentiële onzekerheden over de draagwijdte van het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing weg te nemen.
22.
Terwijl in het hoofdgeding niet alleen discussie werd gevoerd over het op de overeenkomst toepasselijke recht, maar ook over de vraag of de Belgische rechtbanken daadwerkelijk bevoegd waren kennis te nemen van het geschil tussen Unamar en NMB, is het Hof uitsluitend verzocht om op basis van het EVO te bepalen wat het toepasselijke recht is. Deze afbakening van de vraag lijkt op het eerste gezicht5. misschien opmerkelijk, toch maakt zij het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing niet irrelevant6. aangezien de problematiek om te bepalen welk recht, op basis van het EVO, van toepassing is op de handelsagentuurovereenkomst tussen Unamar en NMB, centraal staat in het hoofdgeding.
23.
In het onderhavige geval zijn de kwestie van het toepasselijke recht en die van de geldigheid van het arbitragebeding, dat de kamer van koophandel en industrie te Sofia aanwijst, nauw met elkaar verbonden. Zo heeft de verwijzende rechter verwezen naar het Verdrag over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken, ondertekend te New York op 10 juni 19587., dat in artikel II, lid 3, bepaalt dat ‘de rechter van een Verdragsluitende Staat bij wie een geschil aanhangig wordt gemaakt over een onderwerp ten aanzien waarvan partijen een overeenkomst als bedoeld in dit artikel hebben aangegaan, partijen op verzoek van een hunner naar arbitrage [verwijst], tenzij hij constateert, dat genoemde overeenkomst vervallen is, niet van kracht is of niet kan worden toegepast’.8. Hieruit heeft die rechter afgeleid dat een overeenkomstig vreemd recht geldig arbitragebeding opzij mag worden geschoven op basis van een rechtsregel van de lex fori waaruit kan worden afgeleid dat het geschil niet vatbaar is voor arbitrage. De verwijzende rechter preciseert dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de wet van 1995 blijkt dat de artikelen 18, 20 en 21 van deze wet moeten worden aangemerkt als bepalingen van dwingend recht. Uit de redenering van de verwijzende rechter volgt dus dat er een nauw verband bestaat tussen de vaststelling van het op de overeenkomst toepasselijke recht en de mogelijkheid voor de rechter om voorbij te gaan aan het arbitragebeding en, bijgevolg, zijn bevoegdheid te funderen.
B — Antwoord op de prejudiciële vraag
24.
Het Hof wordt in wezen verzocht om vast te stellen of een wet van een lidstaat van de Unie, die een Unierichtlijn omzet maar de mogelijkheid biedt om een ruimere bescherming te verzekeren dan in de richtlijn is voorzien, deze ruimere bescherming overeenkomstig artikel 7, lid 2, EVO dwingend mag opleggen, zelfs wanneer de lex contractus het recht van een andere lidstaat van de Unie is waarbij deze richtlijn eveneens correct is omgezet.
25.
In het onderhavige geval vloeit uit de aan het Hof voorgelegde gegevens voort dat het Koninkrijk België en de Republiek Bulgarije richtlijn 86/653 allebei correct hebben omgezet. Anders dan wat over de wet van 1995 is uiteengezet, is er heel weinig informatie verstrekt over de inhoud van de in Bulgarije vastgestelde omzettingsmaatregelen.9. De interveniërende partijen zijn het er volgens mij echter over eens dat de door de Belgische wettelijke regeling geboden bescherming verder gaat dan de in genoemde richtlijn neergelegde bescherming, niet alleen omdat zij een ruimere werkingssfeer heeft, maar ook omdat zij bepaalt dat in geval van beëindiging van een overeenkomst, de handelsagent cumulatief recht heeft op een vergoeding en op herstel van de geleden schade.
26.
De voorwaarden waaronder de bepalingen van het Bulgaarse recht, dat de lex contractus is, in het kader van het hoofdgeding opzij mogen worden geschoven door de dwingende bepalingen van de wet van 1995, moeten dus nader worden toegelicht.
27.
Daartoe lijkt het mij gepast om eerst een aantal preciseringen te geven over de draagwijdte van artikel 7, lid 2, EVO, in het licht van de lering die volgens mij uit de rechtspraak van het Hof dient te worden getrokken. Daarna zal ik onderzoeken of, en in welke mate, de harmonisatie van de nationale regelingen op basis van het afgeleide recht van de Unie van invloed kan zijn op de toepassing van deze bepaling.
1. Draagwijdte van artikel 7, lid 2, EVO in het licht van de rechtspraak
28.
Om te beginnen dient in herinnering te worden gebracht dat ingeval, zoals in het hoofdgeding, partijen onder de in artikel 3, lid 1, EVO neergelegde voorwaarden hebben gekozen voor de toepassing van een bepaald recht op de overeenkomst, in beginsel dit recht, overeenkomstig het in datzelfde artikel geformuleerde beginsel van de wilsautonomie van partijen, moet worden toegepast.
29.
In het kader van de in het EVO neergelegde regeling voor de vaststelling van het toepasselijke recht, kan het beginsel van de wilsautonomie van partijen op twee manieren worden doorkruist: enerzijds door specifieke regels vast te stellen voor bepaalde overeenkomsten wanneer dit noodzakelijk blijkt om de zwakste partij te beschermen (consumentenovereenkomsten of arbeidsovereenkomsten) — van deze parameter is in casu geen sprake — en, anderzijds, door de invloed van specifieke dispositieven krachtens traditioneel in het internationaal privaatrecht alsook in het recht van de lidstaten erkende beginselen. Daaronder valt, overeenkomstig het opschrift10. van artikel 7 EVO, de toepassing van bepalingen van bijzonder dwingend recht. Deze toepassing verschilt naargelang dwingende bepalingen van vreemd recht waarmee het geval nauw is verbonden (lid 1) dan wel, zoals in casu het geval is, dwingende bepalingen van de lex fori (lid 2), aan de orde zijn.
30.
Betreffende de bepalingen van bijzonder dwingend recht van het land van de rechter merk ik op dat artikel 7, lid 2, EVO weliswaar, vanuit een functioneel oogpunt, impliceert dat die bepalingen voorrang moeten krijgen boven elke andere bepaling11., maar dat dit artikel geen enkele conceptuele definitie geeft van wat moet worden verstaan onder ‘bepalingen van bijzonder dwingend recht’. Dit voorschrift bepaalt enkel, zonder nadere voorwaarden, dat de toepassing van de bepalingen van de lex fori ‘die ongeacht het op de overeenkomst toepasselijke recht, het geval dwingend beheersen’, onverlet wordt gelaten. Het toelichtende rapport Giuliano Lagarde biedt niet veel meer aanwijzingen op dit punt.12.
31.
Volgens mij volgt uit deze enkele gegevens dat, overeenkomstig de algemeen geldende beginselen in het internationaal privaatrecht, de nationale autoriteiten over een grote beoordelingsmarge beschikken om te beslissen op welke gebieden en om welke redenen een bepaling van de lex fori als dwingend moet worden aangemerkt, zodat de relevante bepalingen van het door partijen gekozen recht opzij mogen worden geschoven. Artikel 7, lid 2, EVO ontzegt de rechter in principe elke invloed op de wenselijkheid om de bepalingen van bijzonder dwingend recht van het land van de rechter toe te passen wanneer de overeenkomst waarvan hij kennis moet nemen — zelfs ingeval zij door een ander recht wordt beheerst — binnen de door de bepalingen van bijzonder dwingend recht zelf vastgelegde werkingssfeer valt.13.
32.
Deze conclusie wordt niet ontkracht door de definitie die het Hof in de zaak Arblade e.a.14. of in de zaak Commissie/Luxemburg15. heeft gegeven van bepalingen van bijzonder dwingend recht, welke definitie grotendeels werd overgenomen in artikel 9 van de Rome I-verordening, met als opschrift ‘Bepalingen van bijzonder dwingend recht’16., waarbij gepreciseerd zij dat deze bepaling in wezen overeenstemt met artikel 7 EVO.
33.
Ik herinner eraan dat het Hof in de zaak Arblade e.a. heeft geoordeeld dat de uitdrukking ‘wetten van politie en veiligheid’ moet worden verstaan als ‘bepalingen aan de inachtneming waarvan zoveel belang wordt gehecht voor de handhaving van de politieke, sociale of economische organisatie van de betrokken lidstaat, dat zij moeten worden nageleefd door eenieder die zich op het nationale grondgebied van deze lidstaat bevindt, en voor elke daarin gesitueerde rechtsbetrekking’.17. In dezelfde zin merk ik op dat in de zaak Commissie/Luxemburg het in de hierboven aangehaalde zaak Arblade e.a. ontwikkelde begrip ‘wetten van politie en veiligheid’ werd overgenomen in het kader van het onderzoek van de exceptie van openbare orde, als afwijking van het fundamentele beginsel van het vrij verrichten van diensten.18.
34.
Gesteld dat het Hof middels de hierboven aangehaalde arresten een autonoom Europees begrip ‘bepalingen van bijzonder dwingend recht’ heeft willen ontwikkelen, wat mij, ondanks de twijfels die in dit verband werden geuit19., lijkt te zijn bevestigd door de thans in de Rome I-verordening gekozen definitie van bepalingen van bijzonder dwingend recht, neemt dit niet weg dat de kwalificatie van een gegeven nationale bepaling als bepaling van bijzonder dwingend recht per geval moet gebeuren op basis van de redenen van algemeen belang die ten grondslag liggen aan de vaststelling van deze bepaling.
35.
Naar mijn mening moet grotendeels worden afgegaan op de wens van de nationale wetgever om nationale bepalingen als dwingend aan te merken: het betreft regels die de staat uitvaardigt met de — al dan niet expliciete — bedoeling om de belangen die hij als essentieel aanmerkt, veilig te stellen. De lidstaten blijven met andere woorden bevoegd om concreet te bepalen wanneer openbare belangen, ruim opgevat20., zijn aangetast, wat grond oplevert om bepaalde normen een dwingend karakter toe te kennen. Om een nationale bepaling te kwalificeren als een bepaling van bijzonder dwingend recht, zal de nationale rechter rekening moeten houden met zowel de bewoordingen als de algemene systematiek van de handeling waartoe deze bepaling behoort.21.
36.
Gelet, evenwel, op de krachtens het beginsel van voorrang van het Unierecht op de lidstaten rustende verplichtingen, is de aan de nationale autoriteiten geboden mogelijkheid om de lex contractus overeenkomstig artikel 7, lid 2, EVO buiten beschouwing te laten ten voordele van de lex fori toch niet onbegrensd.
37.
Het lijkt mij immers noodzakelijk in herinnering te brengen dat het beroep op bepalingen van bijzonder dwingend recht overeenkomstig artikel 7, lid 2, EVO, er niet toe mag leiden dat de lidstaten worden onttrokken aan hun verplichting om te waken over de naleving van de bepalingen van het Verdrag, omdat anders afbreuk zou worden gedaan aan de voorrang en de eenvormige toepassing van het Unierecht.22. In het bijzonder mogen deze regels niet uitmonden in een ongerechtvaardigde belemmering van de uit de Verdragen voortvloeiende rechten en vrijheden.
2. Onderzoek van de invloed van de harmonisatie van de regelingen, ten gevolge van de vaststelling van richtlijn 86/653, op de mogelijkheid om krachtens artikel 7, lid 2, EVO dwingende bepalingen van de lex fori toe te passen
38.
Zoals ik in het vorige onderdeel heb vermeld, beschikken de nationale autoriteiten, op voorwaarde dat zij het beginsel van voorrang van het Unierecht naleven, over een ruime beoordelingsmarge om te bepalen om welke redenen en op welke gebieden zij bepaalde regels een dwingend karakter willen toekennen, wat overeenkomstig artikel 7, lid 2, EVO rechtvaardigt dat de aangezochte rechter deze regels mag toepassen, ongeacht welk recht anders van toepassing zou zijn op de overeenkomst.
39.
De vraag rijst niettemin of de krachtens een richtlijn van de Unie doorgevoerde harmonisatie van de wettelijke regelingen van invloed kan zijn op de doeltreffendheid van de dwingende bepalingen van de lex fori ten opzichte van de wetten van andere lidstaten, wanneer zoals in casu nationale wettelijke regelingen aan de orde zijn die zijn vastgesteld met het oog op de omzetting van die richtlijn.
40.
Ik ben van mening dat het antwoord dat op deze vraag moet worden gegeven, niet noodzakelijk hetzelfde is naargelang de harmonisatie minimaal dan wel volledig is.
41.
Wanneer de uit de richtlijn voortvloeiende coördinatie van de nationale wettelijke regelingen een minimumbescherming tot stand brengt, staat het de lidstaten vrij om ter zake strengere bepalingen te handhaven of vast te stellen.23. Gelet op hun beoordelingsmarge, kunnen de nationale autoriteiten dus zowel de werkingssfeer als het niveau van de in die richtlijn neergelegde bescherming uitbreiden om belangen te beschermen die zij fundamenteel achten. In een dergelijke context kunnen er significante verschillen blijven bestaan tussen de nationale wettelijke regelingen die zijn vastgesteld om de richtlijn van de Unie om te zetten. Volgens mij zou niet mogen worden uitgesloten dat de nationale bepalingen die zowel de werkingssfeer als het niveau van de in de richtlijn neergelegde minimumbescherming uitbreiden een dwingend karakter krijgen en, bijgevolg, door de werking van artikel 7, lid 2, EVO, in de plaats kunnen komen van de bepalingen van het door partijen gekozen recht, en dit niettegenstaande het feit dat dit recht een wettelijke regeling is waarbij een lidstaat de richtlijn correct heeft omgezet. Ik herinner eraan dat het EVO de lidstaten immers, a priori en vanzelfsprekend onder voorbehoud van de eerbiediging van de voorrang van het Unierecht, een ruime beoordelingsmarge laat om vast te stellen welke bepalingen uit hun respectieve recht als dwingend moeten worden aangemerkt.
42.
Wanneer de richtlijn daarentegen een volledige harmonisatie van de nationale wettelijke regelingen tot stand brengt, moet zij leiden tot de vaststelling van nationale regelingen die een identiek, of tenminste gelijkwaardig, toepassingsgebied en beschermingsniveau waarborgen. Een dergelijke harmonisatie houdt naar haar aard in dat de situaties waarvan de rechter kennis moet nemen uitsluitend moeten worden beoordeeld aan de hand van de door de wetgever van de Unie vastgestelde criteria.24. In een dergelijke context zou het dus moeten zijn uitgesloten dat de bepalingen van bijzonder dwingend recht van een lidstaat de bepalingen van het recht van een andere lidstaat, door de werking van artikel 7, lid 2, EVO, opzij kunnen schuiven.
43.
Overigens kan, vanuit het oogpunt van de in het internationaal privaatrecht erkende beginselen, worden verondersteld dat de beschermende functie van de bepalingen van bijzonder dwingend recht tenslotte door de uit de richtlijn van de Unie voortvloeiende volledige harmonisatie wordt gewaarborgd. Zoals ik hierboven immers heb benadrukt, is de mogelijkheid voor de bevoegde autoriteiten om op basis van artikel 7, lid 2, EVO, gelezen in het licht van, met name, de reeds aangehaalde zaak Arblade e.a., en van de definitie in artikel 9, lid 1, van de Rome I-verordening, de regels van de lex fori toe te passen grotendeels afhankelijk van de wil van de nationale wetgever om belangen te beschermen die hij belangrijk acht. Echter, wanneer nationale regelingen een richtlijn omzetten die volledige harmonisatie beoogt, zijn de belangen waarvan de bescherming wordt nagestreefd in zekere zin al gewaarborgd door de daaruit voortvloeiende harmonisatie van de wettelijke regelingen. In een dergelijke context zou de lex contractus dus in principe niet opzij mogen worden geschoven voor de lex fori.
44.
Zoals ik hieronder echter zal uiteenzetten, brengt richtlijn 86/653 een minimumharmonisatie25. van de nationale wettelijke regelingen van de lidstaten tot stand, die met name zelfstandige handelsagenten die diensten verrichten, van haar werkingssfeer uitsluit en die handelsagenten slechts een minimumbescherming biedt in geval van beëindiging van de agentuurovereenkomst (a). Hieruit volgt dat wanneer de nationale bepalingen die de lidstaat van de aangezochte rechter heeft vastgesteld om de genoemde richtlijn om te zetten, verder gaan dan de werkingssfeer en de minimumbescherming waarin deze richtlijn voorziet — welke context overeen lijkt te stemmen met die bedoeld in het hoofdgeding —, het mogelijk is dat deze bepalingen worden toegepast in plaats van het door de contractspartijen gekozen recht van een andere lidstaat (b).
a) Richtlijn 86/653 brengt een minimumharmonisatie tot stand die, ten eerste, met name handelsagenten die diensten verrichten van haar werkingssfeer uitsluit en, ten tweede, voorziet in een minimumbescherming van deze handelsagenten in geval van beëindiging van de agentuurovereenkomst
45.
Zowel uit de verwijzingsbeslissing als de bij het Hof ingediende opmerkingen blijkt dat de in het hoofdgeding bedoelde handelsagentuurovereenkomst een tussen Unamar en NMB gesloten overeenkomst vormt die betrekking had op transacties inzake de containerlijndienst van NMB, dus met het oog op het verrichten van diensten. Bovendien blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat het hoofdgeding is voortgekomen uit de verbreking van de agentuurovereenkomst die deze twee ondernemingen verbond en uit de daaropvolgende vordering van Unamar tot verkrijging van schadevergoedingen volgens de wet van 1995.
46.
Betreffende, ten eerste, de werkingssfeer van het activiteitengebied dat onder de krachtens richtlijn 86/653 aan de handelsagenten geboden bescherming valt, merk ik op dat de Belgische regering — zonder formeel te betwisten dat genoemde richtlijn op het onderhavige geval, dat een agentuurovereenkomst tot uitbating van een zeevervoerdienst betreft, van toepassing is — erop heeft gewezen dat de wet van 1995 een bredere werkingssfeer had dan richtlijn 86/653, aangezien artikel 1, lid 2, van deze richtlijn slechts ziet op bemiddelingsactiviteiten inzake de verkoop of aankoop van goederen.
47.
In dezelfde zin heeft de Commissie vermeld dat de Belgische wetgever ervoor gekozen had om de in genoemde richtlijn neergelegde beschermingsregeling voor zelfstandige handelsagenten niet alleen toe te passen op zelfstandige tussenpersonen belast met ‘de verkoop of de aankoop van goederen’ (artikel 1, lid 2, van richtlijn 86/653), maar ook op zelfstandige handelsagenten belast met het bemiddelen en eventueel het afsluiten van zaken (artikel 1 van de wet van 1995), wat het verrichten van diensten kan omvatten. Volgens haar is de Bulgaarse regeling naar alle waarschijnlijkheid niet van toepassing op de dienstverrichting. De Commissie is echter van mening dat de verwijzingsbeslissing niet toelaat om een definitieve gevolgtrekking te maken over de aard van de overeenkomst in casu en dat zij van de veronderstelling is uitgegaan dat de overeenkomst hoofdzakelijk betrekking had op het tot stand brengen van de verkoop en de aankoop van goederen.
48.
Ik ben van mening dat de wet van 1995 verder gaat dan het loutere omzettingskader van richtlijn 86/653. Uit een vergelijkend onderzoek van de bepalingen daarvan blijkt volgens mij duidelijk dat de Belgische wetgever de door deze richtlijn geboden bescherming heeft willen uitbreiden tot alle zelfstandige handelsagenten, met inbegrip van degenen die bemiddelen in transacties inzake diensten.26. Deze wens om de materiële werkingssfeer van de door richtlijn 86/653 geboden bescherming uit te breiden, vindt zijn verklaring waarschijnlijk in het feit dat de Belgische wetgever, bovenop de omzetting van genoemde richtlijn, een relatief volledig statuut voor de zelfstandige handelsagent heeft willen uitwerken, waarbij hij zich met name heeft laten inspireren door het Benelux-verdrag en de regels die tot dan toe van toepassing waren op de handelsvertegenwoordiger in loondienst.27.
49.
Volgens mij bestaat er nauwelijks twijfel over dat richtlijn 86/653 aldus moet worden uitgelegd dat haar werkingssfeer niet de tussenpersonen omvat die zijn belast met het tot stand brengen van dienstenovereenkomsten. Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, geeft artikel 1, lid 2, van richtlijn 86/653 een precieze omschrijving van het begrip ‘handelsagent’ door het tot bepaalde situaties te beperken.28. Deze bepaling kent de hoedanigheid van handelsagent immers toe aan degene die als zelfstandige tussenpersoon permanent is belast met het tot stand brengen van de verkoop of de aankoop van goederen voor een ander, of met het tot stand brengen en afsluiten van de verkoop of aankoop van goederen voor rekening en in naam van de principaal. Genoemde richtlijn ziet dus niet op zelfstandige tussenpersonen die zijn belast met het tot stand brengen van dienstenovereenkomsten. Bovendien, en zoals het Hof eveneens heeft vermeld29., merk ik op dat verwijzingen naar de ‘goederen’ waarop de handelsagentuurovereenkomsten betrekking hebben, eveneens voorkomen in artikel 4, lid 2, sub a, artikel 6, lid 1, en artikel 20, lid 2, sub b, van richtlijn 86/653.
50.
Deze uit de bewoordingen van richtlijn 86/653 voortvloeiende uitlegging wordt bevestigd door het onderzoek van de voorbereidende werkzaamheden ervan. Het eerste voorstel voor een richtlijn van de Commissie op dit gebied30. had betrekking op alle handelstransacties, te weten goederen en diensten (zie artikelen 2, 7, leden 1 en 2, 8 en 10, lid 2, van dit voorstel). Uit de vergelijking tussen dit voorstel voor een richtlijn en de uiteindelijk door de Raad vastgestelde tekst van richtlijn 86/653 blijkt duidelijk dat belangrijke wijzigingen zijn aangebracht, die erin bestonden dat de activiteiten van de betrokken agenten werden beperkt tot transacties van verkoop en aankoop van goederen, waarbij met name alle verwijzingen naar diensten werden geschrapt.31.
51.
De uitbreiding van de werkingssfeer van richtlijn 86/653 tot agenten werkzaam in de sector van de dienstverrichting door de nationale regelgeving, in casu de wet van 1995, heeft volgens mij een belangrijk gevolg. Voor zover zij de werkingssfeer van de richtlijn uitbreidt tot de dienstensector, kan de nationale bepaling niet meer worden aangemerkt als een loutere omzettingsmaatregel, maar wordt zij een zuiver nationale regel.32. Enkel voor zover de werkingssfeer van de richtlijn samenvalt met die van de nationale wettelijke regeling, kan deze regeling worden opgevat als een omzettingsmaatregel.
52.
Betreffende, ten tweede, het niveau van de aan de handelsagent geboden bescherming in geval van beëindiging van de overeenkomst die hem met de principaal verbindt, verplicht artikel 17 van richtlijn 86/653 de lidstaten met name om een regeling tot schadeloosstelling van de handelsagent na de beëindiging van de overeenkomst tot stand te brengen. Deze bepaling laat de lidstaten de keuze tussen een stelsel van klantenvergoeding en een stelsel van herstel van het nadeel. Deze regeling wil slechts verzekeren dat de handelsagent een minimale schadeloosstelling verkrijgt en laat de mogelijkheid voor lidstaten om in hun regelgevingen aanvullende vergoedingen op te nemen onverlet. Hoewel het Koninkrijk België33., net zoals de meerderheid van de lidstaten, bij de omzetting van richtlijn 86/653 blijk heeft gegeven van een voorkeur voor het stelsel van de klantenvergoeding, die in de artikelen 20 tot en met 23 van de wet van 1995 ‘uitwinningsvergoeding’ wordt genoemd, sluit artikel 21 van deze wet niet uit dat de agent onder bepaalde voorwaarden schadeloosstelling kan verkrijgen wanneer de vergoeding niet de volledige geleden schade vergoedt.
b) Nationale omzettingsbepalingen die de werkingssfeer van een richtlijn en/of het uit een richtlijn voortvloeiende beschermingsniveau uitbreiden, kunnen als dwingend worden aangemerkt
53.
Wat betreft een lex fori waarbij, zoals in het hoofdgeding het geval lijkt te zijn, niet alleen de werkingssfeer maar tevens het op basis van richtlijn 86/653 aan de agent geboden beschermingsniveau wordt uitgebreid, ben ik van mening dat de rechter deze wet in beginsel, overeenkomstig artikel 7, lid 2, EVO, mag toepassen in plaats van het door contractspartijen gekozen vreemde recht.
54.
Hoewel het uiteindelijk uitsluitend aan de aangezochte rechter staat om te bepalen welke bepalingen van zijn recht, gelet op de opzet en de bewoordingen van de handeling waartoe zij behoren, als dwingend recht moeten worden aangemerkt, ben ik van mening dat de voorwaarden voor toepassing van de dwingende bepalingen van de lex fori, in een geval zoals in het hoofdgeding, zijn vervuld.
55.
Wat in de eerste plaats de beoordeling betreft of een rechtsvoorschrift dwingend van aard is, herinner ik eraan dat deze beoordeling moet worden gemaakt op basis van de bewoordingen en de algemene opzet van de handeling waartoe het rechtsvoorschrift behoort.34. Zo kan de rechter erkennen dat een bepaling dwingend van aard is, door zich te baseren op de wil van de wetgever35. alsook op de inhoud van de betrokken tekst.36.
56.
Zoals echter blijkt uit artikel 27 van de wet van 1995, heeft de Belgische wetgever, bovenop het gebied dat door de omzetting van de bepalingen van richtlijn 86/653 wordt bestreken, die het Hof, ik herinner eraan, als dwingend recht heeft aangemerkt37., uitdrukkelijk vermeld dat ‘[o]nverminderd de toepassing van internationale verdragen die België heeft gesloten, elke activiteit van een handelsagent met hoofdvestiging in België onderworpen [is] aan de Belgische wet en tot de bevoegdheid van de Belgische rechtbanken [behoort]’. Alle bepalingen van de wet van 1995 kunnen bovendien worden aangemerkt als de wilsuiting van de Belgische wetgever om een fundamenteel belang te beschermen.
57.
In de tweede plaats lijkt het mij, in een geval als in het hoofdgeding, waarin de lex fori de werkingssfeer en het door richtlijn 86/653 vastgestelde niveau van bescherming van zelfstandige handelsagenten uitbreidt, moeilijk om een beperking of een belemmering van de uit de verdragen voortvloeiende rechten en vrijheden aan te tonen die een schending vormt van de verplichting van de lidstaten om de bepalingen van het Verdrag na te leven. Betreffende in het bijzonder de in geval van beëindiging van de overeenkomst bepaalde schadeloosstelling, merk ik op dat het Hof weliswaar heeft benadrukt dat de bij artikel 17 van richtlijn 86/653 ingestelde regeling dwingend van aard is, doch er tegelijkertijd op heeft gewezen dat deze regeling slechts een minimumbescherming tot stand brengt. Hoewel dus de nationale wettelijke regelingen geen regels mogen invoeren die ertoe leiden dat aan handelsagenten een lager beschermingsniveau wordt toegekend dan is vastgesteld in dat artikel, zou het niet verboden mogen zijn dat deze regelingen voorzien in een hoger niveau van schadeloosstelling.38. De nationale rechter mag dus in beginsel de dwingende bepalingen van de lex fori toepassen in plaats van de bepalingen van het door contractspartijen gekozen recht van een andere lidstaat.
58.
Uit deze overwegingen vloeit volgens mij voort dat, wanneer de lidstaten hebben besloten om een nationale wettelijke regeling vast te stellen waarvan de werkingssfeer en het beschermingsniveau verder gaan dan bepaald in richtlijn 86/653, zoals het geval lijkt te zijn in het hoofdgeding, het mogelijk is om overeenkomstig artikel 7, lid 2, EVO de dwingende bepalingen van de lex fori toe te passen in plaats van het vreemde recht.
59.
Deze conclusie lijkt mij bovendien in overeenstemming te zijn met de in de reeds aangehaalde zaak Ingmar gekozen oplossing. In dit opzicht dient eraan herinnerd te worden dat die zaak betrekking had op een geschil waarin de partijen er uitdrukkelijk voor hadden gekozen om op de handelsagentuurovereenkomst die hen verbond het recht van een derde land toe te passen in plaats van het nationale recht waarbij richtlijn 86/653 was omgezet.39. In een dergelijke context werd de afwijking van het beginsel van de autonomie, dat in beginsel voorrang moet krijgen op contractueel vlak, gerechtvaardigd door de noodzaak om de overeenkomst te onderwerpen aan de uit die richtlijn voortvloeiende bepalingen die de handelsagent beschermen. Het Hof heeft immers in herinnering gebracht dat het van wezenlijk belang is ‘voor de communautaire rechtsorde […] dat een in een derde land gevestigde principaal wiens handelsagent zijn activiteiten binnen de Gemeenschap verricht, die bepalingen niet kan ontwijken door eenvoudig een rechtskeuzeclausule in de overeenkomst op te nemen. De functie van de betrokken bepalingen vereist immers dat deze, ongeacht welk recht de partijen op de overeenkomst van toepassing hebben verklaard, toepassing vinden zodra de situatie een nauwe band met de Gemeenschap vertoont, met name omdat de handelsagent zijn activiteiten op het grondgebied van een lidstaat verricht.’40.
60.
Hoewel, zoals door de Commissie en NMB in hun opmerkingen naar voren is gebracht, de feiten die tot die zaak hebben geleid weliswaar betrekking hadden op een heel andere situatie, in die zin dat zij een situatie betroffen waarin de partijen bij de agentuurovereenkomst hadden gekozen voor het recht van een derde land, waar de uit richtlijn 86/653 voortvloeiende beschermingsregeling voor de handelsagent per definitie geen toepassing vond, doet dit niet af aan het feit dat de voorgelegde vraag zich situeerde in het kader van een groot meningsverschil over de voorwaarden waaraan een rechtsregel moet voldoen om als dwingende bepaling in de zin van het internationaal privaatrecht te worden gekwalificeerd.41. Om hierop te antwoorden, heeft het Hof zich, in het kader van het onderzoek naar de doelstellingen en de bewoordingen van de betrokken handeling, gebaseerd op de vaststelling dat de relevante bepalingen noodzakelijk bleken ter verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag42., maar eveneens op het feit dat de handeling de bescherming van de agent nastreefde.43. Hieruit kan, naar analogie, worden afgeleid dat, om een bepaling als dwingend aan te merken, met de beschermende functie van een gegeven regel rekening kan worden gehouden zowel zuiver vanuit het oogpunt van openbare belangen als vanuit het oogpunt van de noodzaak om rekening te houden met de bijzondere situatie van een groep van personen.
V — Conclusie
61.
Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vraag van het Hof van Cassatie te beantwoorden als volgt:
‘De artikelen 3 en 7, lid 2, van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980, gelezen in samenhang met richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten, moeten aldus worden uitgelegd dat zij toelaten dat de bepalingen van bijzonder dwingend recht van het land van de aangezochte rechter waarbij de handelsagent een bescherming wordt geboden die ruimer is dan de door deze richtlijn vereiste bescherming, vanwege het door de lidstaat aan deze bepalingen toegekende bijzondere belang worden toegepast op de overeenkomst, zelfs indien blijkt dat het op de overeenkomst toepasselijke recht het recht is van een andere lidstaat van de Europese Unie waarin die minimale uit die richtlijn voortvloeiende bescherming tot stand is gebracht.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 15‑05‑2013
Oorspronkelijke taal: Frans.
PB 1980, L 266, blz. 1. Volgens artikel 1 van het Eerste Protocol van 19 december 1988 betreffende de uitlegging van het Verdrag van 1980 door het Hof van Justitie (PB 1998, C 27, blz. 47), dat in werking is getreden op 1 augustus 2004, is het Hof bevoegd uitspraak te doen over verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffende de uitlegging van de bepalingen van dit verdrag. Voorts kan het Hof van Cassatie (België) krachtens artikel 2, sub a, van dit protocol het Hof verzoeken om, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak te doen over een vraag die is gerezen in een bij deze instantie aanhangige zaak en betrekking heeft op de uitlegging van de genoemde bepalingen. Betreffende de toepasselijkheid ratione temporis van het EVO volstaat het eraan te herinneren dat verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB L 177, blz. 6; hierna: ‘Rome I-verordening’), die in de plaats is gekomen van het EVO, slechts van toepassing is op na 17 december 2009 gesloten overeenkomsten (zie artikel 28 van deze verordening). Uit de verwijzingsbeslissing blijkt echter duidelijk dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst is gesloten in 2005 en op 22 december 2008 een laatste maal werd verlengd.
PB L 382, blz. 17.
Belgisch Staatsblad van 2 juni 1995, blz. 15621.
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt immers dat de partijen in het hoofdgeding hevig discussie hebben gevoerd over de rechtsmacht van de Belgische rechtbanken om kennis te nemen van het hoofdgeding. Meer in het bijzonder waren de geldigheid en de doeltreffendheid van het arbitragebeding in de litigieuze agentuurovereenkomst aan de orde.
Volgens vaste rechtspraak kan slechts worden geweigerd uitspraak te doen op een verzoek van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (zie met name arresten van 29 maart 2012, Belvedere Costruzioni, C-500/10, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 16, en SAG ELV Slovensko e.a., C-599/10, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 15 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Recueil des traités des Nations unies, deel 330, blz. 3.
Cursivering van mij.
De in de opmerkingen verstrekte aanwijzingen verwijzen niet precies naar deze bepalingen. Volgens de informatie waarover ik beschik, werd deze omzetting tot stand gebracht middels een in 2006 vastgestelde en gepubliceerde wet, waarvan de inwerkingtreding werd vastgesteld op 1 januari 2007.
Het begrip ‘bepalingen van bijzonder dwingend recht’, dat het mogelijk maakt om zowel naar de dwingende bepalingen van vreemd recht als naar die van het eigen land te verwijzen, komt slechts voor in het opschrift van artikel 7 EVO en wordt niet als dusdanig in de tekst van de bepaling overgenomen.
Op basis van de tekst van artikel 7 EVO, is de toepassing van dwingende bepalingen van de lex fori, anders dan bepalingen van bijzonder dwingend recht van een ander land, op het eerste gezicht onvoorwaardelijk. Betreffende bepalingen van bijzonder dwingend recht van een ander land bepaalt artikel 7, lid 1, EVO immers dat zij slechts onder nauwkeurig omschreven voorwaarden kunnen worden toegepast. Volgens de bewoordingen van deze bepaling ‘kan gevolg worden toegekend aan de dwingende bepalingen van het recht van een ander land waarmede het geval nauw is verbonden, indien en voor zover deze bepalingen volgens het recht van het laatstgenoemde land toepasselijk zijn, ongeacht het recht dat de overeenkomst beheerst. Bij de beslissing of aan deze dwingende bepalingen uitwerking moet worden gegeven, wordt rekening gehouden met hun aard en strekking, alsmede met de gevolgen die uit de toepassing of niet-toepassing ervan zouden voortvloeien’.
In het rapport betreffende het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, door Mario Giuliano, hoogleraar aan de Universiteit van Milaan, en Paul Lagarde, hoogleraar aan de Universiteit van Parijs I (PB 1980, C 282, blz. 1, in het bijzonder blz. 27 en 28), wordt er inderdaad louter op gewezen dat ‘[d]it lid in het Verdrag [werd] opgenomen omdat sommige delegaties in ieder geval de regels van het recht van het land van de rechter die ongeacht het op de overeenkomst toepasselijke recht het geval dwingend beheersen (met name regels inzake mededingingsrecht, consumentenbescherming en sommige regels van vervoersrecht) onverlet wilden laten. Dit lid heeft, evenals het eerste lid, betrekking op bepalingen van bijzonder dwingend recht (lois de police; lois d'application immédiate; leggi di applicazione necessaria; Eingriffsnormen; etc.), zij het vanuit een ander gezichtspunt’.
Zie Lagarde, P., ‘Convention de Rome’, Répertoire de droit communautaire, Dalloz, punt 106.
Arrest van 23 november 1999 (C-369/96 en C-376/96, Jurispr. blz. I-8453).
Arrest van 19 juni 2008 (C-319/06, Jurispr. blz. I-4323).
Uit het door de Commissie op 15 december 2005 ingediende voorstel voor een verordening [COM(2005) 650 def.] blijkt dat de uiteindelijk in artikel 9 van de Rome I-verordening neergelegde definitie van bepalingen van bijzonder dwingend recht daadwerkelijk is geïnspireerd op de hierboven aangehaalde rechtspraak Arblade e.a. Volgens de bewoordingen van lid 1 van dit artikel zijn ‘[b]epalingen van bijzonder dwingend recht […] bepalingen aan de inachtneming waarvan een land zoveel belang hecht voor de handhaving van zijn openbare belangen zoals zijn politieke, sociale of economische organisatie, dat zij moet worden toegepast op elk geval dat onder de werkingssfeer ervan valt, ongeacht welk recht overeenkomstig deze verordening overigens van toepassing is op de overeenkomst’.
Arrest Arblade e.a., reeds aangehaald (punt 30).
Zie arrest Commissie/Luxemburg, reeds aangehaald (punt 29).
Terecht kon immers worden gesteld dat het Hof uitsluitend in het kader van de beoordeling van het bestaan van ‘wetten van politie en veiligheid’ in de zin van het toenmalige artikel 3, eerste alinea, van het Belgisch burgerlijk wetboek, de betekenis van deze uitdrukking vooraf (zie punt 30 van het arrest) heeft willen uiteenzetten (zie met name Kuipers, J.-J., en Migliorini, S., ‘Qu'est-ce que sont les lois de police? une querelle franco-allemande après la communautarisation de la Convention de Rome’, European Review of Private Law, 2-2011, blz. 199).
Deze belangen moeten volgens mij niet uitsluitend worden beperkt tot zuivere staatsbelangen, maar kunnen betrekking hebben op elke regel die voor de handhaving van de sociale, politieke en economische organisatie essentieel wordt geacht. In deze zin merk ik op dat het dwingend karakter van de nationale bepalingen die richtlijn 86/653 omzetten in het arrest van 9 november 2000, Ingmar (C-381/98, Jurispr. blz. I-9305, punt 23), werd afgeleid uit de doelstellingen van deze richtlijn, te weten de doelstellingen die erop zien ‘om de beperkingen van de uitoefening van het beroep van handelsagent op te heffen, de mededingingsvoorwaarden binnen de Gemeenschap te uniformeren en de zekerheid van de handelstransacties te vergroten’.
Zie, naar analogie, punt 73 van de conclusie van advocaat-generaal Léger in de zaak die heeft geleid tot het reeds aangehaalde arrest Ingmar.
Arrest Arblade e.a., reeds aangehaald (punt 31).
Zie met name in die zin arrest van 1 maart 2012, Akyüz (C-467/10, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 53).
Zie in het bijzonder arresten van 8 april 2003, Pippig Augenoptik (C-44/01, Jurispr. blz. I-3095, punt 44), en 18 november 2010, Lidl (C-159/09, Jurispr. blz. I-11761, punt 22).
De beoordeling van de mate waarin een richtlijn harmoniseert, moet worden gebaseerd op de bewoordingen, de betekenis en de doelstelling van de relevante bepalingen (zie in die zin arresten van 25 april 2002, Commissie/Frankrijk, C-52/00, Jurispr. blz. I-3827, punt 16, en 14 juli 2005, Lagardère Active Broadcast, C-192/04, Jurispr. blz. I-7199, punt 46).
Een soortgelijke vaststelling werd gemaakt in het kader van de zaak die heeft geleid tot het arrest van 16 maart 2006, Poseidon Chartering (C-3/04, Jurispr. blz. I-2505), betreffende de omzetting in Nederlands recht van dezelfde richtlijn (punten 6 en 12 van het arrest en punten 5, 11 en 12 van de conclusie van advocaat-generaal Geelhoed in deze zaak). Deze uitbreiding bestaat tevens in tal van lidstaten, met name in de Belgische, Duitse, Spaanse, Franse, Italiaanse, Oostenrijkse, Luxemburgse, Nederlandse en Portugese wettelijke regelingen. Daarentegen was in de Deense, Griekse, Ierse, Finse, Zweedse en Britse wettelijke regelingen het voorwerp van de agentuurovereenkomst in eerste instantie beperkt tot de verkoop en de aankoop van goederen (zie voor een studie van deze regelingen, Steinmann, T., Kenel, P., en Billotte, I., ‘Le contrat d'agence commerciale en Europe’, LGDJ, 2005, met name blz. 22–54).
Zie met name Verbraeken, C., en Schoutheete, A., ‘La loi du 13 avril 1995 relative au contrat d'agence commerciale’, Journal des tribunaux, nr. 5764 (1995), blz. 461–469. De auteurs merken op dat, door te vermelden dat de handelsagent ‘zaken’ bemiddelt of afsluit, ‘de wetgever bewust [een] vaag woord […] heeft gebruikt teneinde de wet een zo breed mogelijke werkingssfeer te geven en het parallellisme met het statuut van de handelsvertegenwoordiger te behouden [zie met name, parlementaire bescheiden, gewone zitting, 1994–1995, 1750-2, blz. 2 en 3]. Terwijl de richtlijn enkel zag op de verkoop en aankoop van goederen, is de wet eveneens van toepassing op de verkoop, de aankoop en de verhuur van onroerend goed, op dienstverrichtingen of op bepaalde aannemingsovereenkomsten’. Opgemerkt dient te worden dat de werkingssfeer van de wet van 1995 twee keer is uitgebreid: in 1999 (om de sectoren van het verzekeringswezen, de kredietinstellingen en de gereglementeerde markten voor effecten te dekken) en vervolgens in 2005 (teneinde de kandidaten en de leden van paritaire overlegorganen te beschermen).
Zie in die zin beschikking van 10 februari 2004, Mavrona (C-85/03, Jurispr. blz. I-1573, punt 15).
Zie beschikking van 6 maart 2003, Abbey Life Assurance (C-449/01, punten 4 en 14).
PB 1977, C 13, blz. 2.
Zie de reeds aangehaalde beschikking Abbey Life Assurance (punt 15).
Zie in die zin Bergé, J.-S., ‘Au-delà du droit communautaire, le droit national’, Revue des contrats, 2006, blz. 873–878. In zijn commentaar over het reeds aangehaalde arrest Poseidon, waarin hij zich afvraagt wat de juridische aard is van een nationale regel die de werkingssfeer van een richtlijn van de Unie uitbreidt, is de auteur van mening dat een nationale regel die een regel van de Unie overneemt buiten de werkingssfeer daarvan, een zuiver nationale regel blijft. Deze regel is dus niet vergelijkbaar met een klassieke omzettingsregel die wel een tweevoudig karakter heeft: nationaal, wat de vorm betreft, en communautair, wat de inhoud betreft. Het is dus uitsluitend wanneer de richtlijn toepassing vindt, dat de nationale regelgeving moet worden verstaan als een nationale omzettingsmaatregel.
Zie Steinmann, T., Kenel, P., en Billotte, I., ‘Le contrat d'agence commerciale en Europe’, op. cit., blz. 566–611.
Zie punt 35 hierboven.
Betreffende de wet van 1995, werd deze wil duidelijk uitgedrukt in de voorbereidende werkzaamheden. Zo werd opgemerkt dat: ‘de werkgroep dus [besluit] dat alle bepalingen van dwingend recht zijn behalve degene waarin uitdrukkelijk wordt aangeduid dat afwijkingen mogelijk zijn’ (zie parlementaire bescheiden, Senaat, 355-3, B.Z. 1991–1992, 14).
Zie in het bijzonder de artikelen 18, 20 en 21 van de wet van 1995.
Zie arrest Ingmar, reeds aangehaald (punten 20–25), en arrest van 23 maart 2006, Honyvem Informazioni Commerciali (C-465/04, Jurispr. blz. I-2879, punt 22).
Zie in die zin arrest Honyvem Informazioni Commerciali, reeds aangehaald (punt 28).
Zie het reeds aangehaalde arrest Ingmar (punt 10).
Ibidem (punt 25).
Ibidem (met name punten 16–19).
Ibidem (punten 23–25).
Ibidem (punt 20).