NJB 2025/1793
Besturen voertuig terwijl men weet dat rijbewijs ongeldig is verklaard, art. 9 lid 2 WVW 1994: om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, moet uit de bewijsvoering blijken dat (i) het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard, het betreffende besluit is bekendgemaakt aan de verdachte en van kracht was doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking, (ii) dat na de ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte geen ander rijbewijs is afgegeven en (iii) dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Bij het vereiste onder (iii) is van belang dat uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en als gewone brief naar de verdachte is verzonden en die brieven vervolgens niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De Hoge Raad zet uiteen voor welke stukken het waarom sterk aanbeveling verdient dat deze deel uitmaken van de processtukken in dit type zaken, dat het openbaar ministerie daarvoor verantwoordelijk is en dat de rechter kan bewerkstelligen dat die stukken alsnog bij de processtukken worden gevoegd. In casu moet worden aangenomen dat van de processtukken geen deel uitmaakt een aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en hoe verzending van de mededeling van het CBR aan de verdachte dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, en ook geen uitdraai van gegevens uit het rijbewijsregister aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat na ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte aan hem geen nieuw rijbewijs is afgegeven. Het oordeel van het hof dat de verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard is ontoereikend gemotiveerd.
HR 03-06-2025, ECLI:NL:HR:2025:826
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
3 juni 2025
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, Y. Buruma, A.L.J. van Strien, C. Caminada, R. Kuiper
- Zaaknummer
23/04421
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:826, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑06‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:176, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑02‑2025
- Wetingang
(art. 9 WVW)
Essentie
Besturen voertuig terwijl men weet dat rijbewijs ongeldig is verklaard, art. 9 lid 2 WVW 1994: om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, moet uit de bewijsvoering blijken dat (i) het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard, het betreffende besluit is bekendgemaakt aan de verdachte en van kracht was doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking, (ii) dat na de ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte geen ander rijbewijs is afgegeven en (iii) dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ dat zijn rijbewijs ongeldig was ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.