HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 (overzichtsarrest), rov. 2.8.6. Meer specifiek is In HR 16 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1628 (civiele kamer), rov. 3.1.2. overwogen dat zowel de causaliteitsafweging als de eventuele toepassing van de billijkheidscorrectie is verweven met waarderingen van feitelijke aard en in belangrijke mate berust op intuïtieve inzichten, zodat aan deze oordelen maar beperkte beoordelingseisen kunnen worden gesteld.
HR, 17-09-2024, nr. 22/02829
ECLI:NL:HR:2024:1166
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-09-2024
- Zaaknummer
22/02829
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1166, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑09‑2024; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:691
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2022:1666
ECLI:NL:PHR:2024:691, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑07‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1166
- Vindplaatsen
Uitspraak 17‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Eendaadse samenloop van medeplegen mishandeling (art. 300.1 Sr) en openlijke geweldpleging (art. 141.1 Sr) door aangeefster vast te pakken en vast te houden, op haar hoofd, gezicht en lichaam te slaan, en tegen haar lichaam te schoppen. Vordering benadeelde partij, schadevergoedingsmaatregel en eigen schuld b.p. Heeft hof verzuimd toepassing te geven aan art. 6:101.1 BW en onderscheid tussen “primaire maatstaf” en “billijkheidscorrectie” miskend? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/02721.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02829
Datum 17 september 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 20 juli 2022, nummer 22-002204-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van zeventien dagen en de taakstraf van zestig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 september 2024.
Conclusie 02‑07‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Art. 141/300 Sr. Falend middel over toepassen art. 6:101 BW (eigen schuld) bij toekennen vordering b.p. Conclusie strekt tot strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie en voor het overige tot verwerping. Samenhang met 22/02721
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02829
Zitting 2 juli 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte],
geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 20 juli 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens 1. subsidiair en 2. "de eendaadse samenloop van medeplegen van mishandeling en openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeventien dagen, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis. Voorts heeft het gerechtshof een vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk en hoofdelijk toegewezen en daarbij de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 22/02721. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
2.1
Het middel heeft betrekking op de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en bevat de klacht dat het hof het in art. 6:101 lid 1 BW tot uitdrukking komende onderscheid tussen de zogenoemde ‘primaire maatstaf’ en de ‘billijkheidscorrectie’ heeft miskend, althans dat het hof op ontoereikend gemotiveerde gronden de toe te kennen schadevergoeding niet (tot nihil) heeft verminderd.
Relevante feiten en procesverloop
2.2
De feiten in de onderhavige zaak komen er op neer dat de verdachte samen met haar medeverdachte geweld heeft gepleegd jegens het [slachtoffer], welk geweld heeft bestaan uit het vastpakken en vasthouden van het slachtoffer, het slaan op haar hoofd, gezicht en lichaam en het schoppen tegen het lichaam van het slachtoffer.
2.3
Voor een beter begrip van de feiten waar in cassatie - niet bestreden - van moet worden uitgegaan, citeer ik de bewijsoverweging van het hof:
“Het hof stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten vast.
De verdachte en de medeverdachte waren op 12 februari 2020 's avonds samen in een hotel, waar ze een ontmoeting hadden met de aangeefster. Er ontstond toen een ruzie tussen de medeverdachte en de aangeefster. De aangeefster heeft vervolgens het hotel verlaten en is naar huis gegaan.
De verdachte en de medeverdachte reden later die avond met een auto naar de woning van de aangeefster. Toen zij daar aankwamen, kwam de aangeefster hen tegemoet. De medeverdachte stapte uit. Tussen de medeverdachte en de aangeefster ontstond een worsteling. De verdachte stapte ook uit de auto. Zij pakte de telefoon van de aangeefster af en gooide deze later naar de aangeefster. In de worsteling met de medeverdachte viel de aangeefster op de grond. Zij werd vervolgens door de verdachte- en de medeverdachte geslagen en geschopt/getrapt.
Uit het dossier volgt dat de aangeefster door het incident een wond tot op het onderhuidse bindweefsel aan de rechterzijde van haar voorhoofd heeft opgelopen. De lezing van de medeverdachte dat de hoofdwond is ontstaan doordat tijdens de worsteling per ongeluk een stok tegen het hoofd van de aangeefster terecht kwam nadat hij deze stok van haar probeerde af te pakken, acht het hof niet aannemelijk geworden, nu deze gang van zaken naar het oordeel van het hof niet geleid kan hebben tot de hoofdwond zoals deze is vastgesteld.
Hoewel het hof van oordeel is dat, gelet op (de aard van) de hoofdwond, de aangeefster op enig moment met een voorwerp, moet zijn geslagen, kan, zoals hiervoor overwogen, op basis van het dossier niet worden vastgesteld met welk voorwerp er is geslagen. Naar het oordeel van het hof kan dan ook enkel wettig en overtuigend bewezen worden dat de verdachte, samen met medeverdachte, de aangeefster heeft geslagen en getrapt/geschopt. Het hof zal de verdachte vrijspreken van de overige tenlastegelegde geweldshandelingen (kort gezegd: het slaan met een fles of ijzeren pijp en het steken met een schroevendraaier).”
2.4
De in de aanvulling op het arrest opgemaakte bijlage met bewijsmiddelen d.d. 25 april 2023 houdt het volgende in:
“1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 12 februari 2020 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2020045975-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 17 e.v.) : als de op 12 februari 2020 afgelegde verklaring van [slachtoffer]: Op 11 februari 2020 kwam [medeverdachte] naar een hotelkamer, waar ik al was. Ik opende de deur en zag [verdachte] erbij. Ze kwamen samen naar binnen. Ik was boos. [medeverdachte] was even weg uit de kamer. (...) Ik ging de hotelkamer uit en liep naar de voordeur van het hotel. [medeverdachte] stond daar met drinken en dit gooide ik in zijn gezicht. (...) Ik draaide me om en begon met hem (het hof begrijpt: de verdachte) te vechten. (...) Ik ben lopend naar huis gegaan. Op 12 februari kwam [medeverdachte] samen met [verdachte] in haar auto naar mijn woning (adres: [a-straat] té [plaats]). [medeverdachte] pakte mijn gezicht gelijk stevig vast. Ik zag [verdachte] uit de auto stappen met een fles alcohol of een stalen pijp. [medeverdachte] had me nog vast, maar zij gooide die pijp of die fles naar me. [verdachte] sloeg me op mijn hoofd. [medeverdachte] sloeg mij op mijn hele lichaam meerdere keren. Ik heb pijn op mijn rug, achterkant rechter bovenbeen, linkerzij en mijn linkerhand. Hij sloeg ook nog tegen mijn achterhoofd, want ik voelde twee keer een harde knal daar. [verdachte] had mijn telefoon afgepakt. Ik ging op de rand van hun auto zitten zodat ze niet weg konden. [medeverdachte] wilde dat [verdachte] de telefoon teruggaf, zodat zij weg konden. [verdachte] gooide, mijn telefoon naar me en toen ben ik de auto afgestapt.
2. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 12 februari 2020 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1.700-2020.045975-16. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 60 e.v.):als de op 12 februari 2020 afgelegde verklaring van [verdachte]:We begonnen naar Zuid toe te rijden, naar waar zij (het hof begrijpt: aangeefster) verblijft. Daar stond ze (het hof begrijpt: aangeefster) buiten, achter een auto. [medeverdachte] stapte uit en ik ging naast de auto staan. [medeverdachte] werd helemaal gek en pakte haar (het hof begrijpt: aangeefster) vast. Het werd, een (...) worsteling. Ze (het hof begrijpt: aangeefster) viel op de grond. Ik. heb haar (het hof begrijpt: aangeefster) een trap gegeven bij haar benen en voeten.
3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 februari 2020 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2020045975-2 . Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 35): Op 12 februari 2020 kregen wij verbalisanten het verzoek om te gaan naar [a-straat] in verband met een mishandeling. [getuige] gaf mij de volgende verklaring: "Ik .zat in mijn geparkeerd staande auto aan [a-straat]. Ik zag dat een meisje met een staart een meisje met kort haar, nader te noemen slachtoffer, hard sloeg. Een man pakte het slachtoffer bij haar hoofd. Hij was agressief. Ik zag dat het slachtoffer op.de grond viel. Ook toen, bleven de jongen en het meisje met de staart op het gevallen slachtoffer inslaan en schoppen.
4. Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring d.d. 3 april 2020, opgemaakt en ondertekend door de arts D: van den Bogart. Deze geneeskundige verklaring houdt onder meer in -zakelijk weergegeven- (p. 140): als relaas van deze arts: betreffende: [slachtoffer] Informatie ontvangen van chirurg van Ikazia Ziekenhuis over bezoek op spoedeisende hulp op 12-02-2020. Er was sprake van: Een verwonding tot op het onderhuidse bindweefsel met een lengte van 4 centimeter, ter plaatse van de rechter zijde van het voorhoofd.”
2.5
Het arrest bevat de volgende overweging met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij, tevens slachtoffer en hiervoor aangeduid als aangeefster, [slachtoffer]:
“In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 tenlastegelegde tot een bedrag van € 3.615,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde, tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 3.385,00, bestaande uit € 385,00 materiële schade en € 3.000,00 immateriële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist. Door de verdediging is onder meer aangevoerd dat het toe te wijzen bedrag dient te worden gematigd tot nihil in verband met de eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging met betrekking tot de eigen schuld van de benadeelde nu de schade het gevolg is van het bewezenverklaarde en, gelet op de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, niet kan worden toegerekend aan het gedrag van de benadeelde partij.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 385,00 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het onder 1. subsidiair en 2. bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.”
2.6
Het hof heeft in het dictum, conform de hierboven weergegeven overweging, de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 885,00 en een schadevergoedingsmaatregel van gelijke hoogte opgelegd.
2.7
Blijkens het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep is daar door de raadsman van de verdachte met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij het volgende naar voren gebracht:
“Voorts heeft aangeefster zelf ook een rol gehad in het hele gebeuren. Zij heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door het bijten in de vinger en aan vernieling door het ingooien van de autoruit.(…)Voorts verzoek ik primair de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, dan wel de vordering te matigen tot nihil, nu er sprake is van medeschuld.”
2.8
De verdachte heeft ter zitting, blijkens het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep, haar kant van de gebeurtenissen uit de doeken gedaan. Haar verhaal komt er kort gezegd op neer dat zij en haar vriend (de medeverdachte in de samenhangende zaak) naar het slachtoffer reden nadat het slachtoffer meermaals telefonisch erop had aangedrongen dat de medeverdachte naar haar toe zou komen. Ter plaatse zou het slachtoffer “gelijk” een baksteen in de richting van de auto van de verdachte hebben gegooid, waardoor een ruit hiervan brak. Vervolgens zou een fysieke confrontatie hebben plaatsgevonden tussen haar en de medeverdachte enerzijds en het slachtoffer anderzijds. Hetgeen de verdachte over deze confrontatie verklaart, wijkt af van hetgeen door het hof bewezen is verklaard.
Juridisch kader
2.9
Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Art. 6:101 lid 1 BW luidt als volgt:
“Wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, wordt de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.”
2.10
In HR 16 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9492, heeft de Hoge Raad over deze bepaling overwogen dat:
“6.3.3. (…)
Van de twee door de woorden “met dien verstande” gescheiden gedeelten van art. 6:101, eerste lid, BW, behelst het eerste gedeelte de zogeheten primaire maatstaf en het tweede gedeelte de zogeheten billijkheidscorrectie. (vgl. HR 2 juli 1995, NJ 1997, 702).
Toepassing van de primaire maatstaf houdt een causaliteitsafweging in die in dit geval daarop neerkomt dat moet worden beoordeeld in welke mate enerzijds het gedrag van [slachtoffer 1] en anderzijds het gedrag van de verdachte aan het ontstaan van de schade heeft bijgedragen.
Bij deze beoordeling komt het derhalve niet aan op de mate van verwijtbaarheid van een en ander. Beoordeling van de mate van verwijtbaarheid komt eerst aan de orde bij toepassing van de billijkheidscorrectie.”
2.11
Wat de motivering van de beslissing over een vordering benadeelde partij betreft, schrijft art. 361 lid 4 Sv voor dat deze beslissing met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van deze beslissing is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.1.
De beoordeling van het middel
2.12
Het middel moet naar het mij voorkomt falen. Om te beginnen kan naar mijn oordeel niet gezegd worden dat het hof het onderscheid tussen de primaire maatstaf en de billijkheidscorrectie heeft miskend. Het hof brengt immers door de overweging dat “de schade het gevolg is van het bewezenverklaarde en, gelet op de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, niet kan worden toegerekend aan het gedrag van de benadeelde partij” tot uitdrukking dat de schade niet in een causaal verband staat tot het gedrag van de benadeelde en dat art. 6:101 lid 1 BW dus geen toepassing vindt.2.Aan een oordeel over de billijkheidscorrectie is het hof dan ook niet toegekomen.3.Anders dan de steller van het middel lees ik in deze overweging verder niet dat het hof de mate van verwijtbarheid van het gedrag van de verdachte en de benadeelde in zijn oordeel heeft betrokken. Het oordeel van het hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.
2.13
De overwegingen van het hof acht ik verder voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Uit de vaststellingen van het hof volgt immers dat sprake is geweest van twee te onderscheiden gebeurtenissen: eerst de confrontatie tussen het slachtoffer enerzijds en de verdachte en haar medeverdachte anderzijds in het hotel, waarbij het incident met het drinken en het vechten heeft plaatsgevonden, en daarna de confrontatie in Rotterdam Zuid, waar de bewezenverklaarde gedragingen hebben plaatsgevonden en door de benadeelde de stenen zouden zijn gegooid. Bij die laatste confrontatie is de schade aan de zijde van het slachtoffer ontstaan. Dit als gevolg van het feit dat de medeverdachte - die aldaar “helemaal gek” werd (bewijsmiddel 2) - de benadeelde gelijkt stevig vastpakte bij haar gezicht en samen met de verdachte op het slachtoffer heeft ingeslagen en -geschopt (bewijsmiddel 1), hetgeen zij ook zijn blijven doen nadat het slachtoffer op de grond was gevallen (bewijsmiddel 3). Deze vaststellingen over het verloop en de intensiteit van het tegen de benadeelde partij gebruikte geweld kunnen het oordeel van het hof dragen dat de schade, ondanks het gestelde gedrag van de benadeelde, enkel het gevolg is van omstandigheden die aan de verdachte en haar medeverdachte zijn toe te rekenen. Daarbij betrek ik dat het bewezen verklaarde afwijkt van hetgeen de verdachte heeft gesteld over de confrontatie met de benadeelde en dat het beroep op eigen schuld bij pleidooi niet verder is uitgewerkt.
Afronding
3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad naar verwachting uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaar sinds het instellen van het cassatieberoep is verstreken. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM overschreden.
3.3
Verder heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 02‑07‑2024
Vgl. HR 18 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9847.
A.L.M. Keirse en R.H.C. Jongeneel, Eigen schuld en mede-aansprakelijkheid (Monografieën Privaatrecht nr. 16), Deventer: Wolters Kluwer 2013, nr. 21 en 22, en Asser/Sieburgh 6-II 2021/114.