Op zoek naar de heilige graal
Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/9.4.2:9.4.2 Toelichting antwoord op deelvraag 3
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/9.4.2
9.4.2 Toelichting antwoord op deelvraag 3
Documentgegevens:
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633809:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De drie hiervoor genoemde constitutionele noties, die weliswaar niet in de Nederlandse (grond)wet voorkomen maar wel daarin impliciet verankerd zijn, bepalen de contouren van de verhouding tussen de staat en rsl(i). Op grond van het scheidingsbeginsel, het beginsel van de neutraliteit van de staat en het beginsel van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging moet de staat neutraal staan tegenover rsl. Dit betekent dat de overheid geen oordeel over de inhoud van rsl mag hebben en bij interne conflicten binnen een religie, levensbeschouwing of spirituele beweging geen partij kiest voor een bepaalde stroming. De overheid bemoeit zich pas met interne conflicten binnen een rsli zodra de betrokken instelling in strijd met de wet handelt. Op grond van het gelijkheidsbeginsel dat vervat is in de drie genoemde rechtsbeginselen, komt gelijke behandeling toe aan alle rsl-vormen. Verschil in behandeling is alleen geoorloofd voor zover er sprake is van objectieve en redelijke gronden daarvoor. Dit impliceert dat de overheid verplicht is een ongelijke behandeling van gelijke gevallen te motiveren.
Deze drie rechtsbeginselen hoeven geen belemmering te vormen voor het creëren van fiscale faciliteiten voor rsli’s. Fiscale faciliteiten vormen immers ook een soort overheidsbemoeienis. Zo verzetten deze beginselen zich er niet tegen dat rsl-activiteiten of rsl-gebouwen – voor zover ze het algemeen belang dienen en aan andere voorwaarden voldoen – overheidssteun in de vorm van fiscale faciliteiten genieten. Er is namelijk geen sprake van directe steun aan de rsl-organisaties zelf, noch sprake van overheidsbemoeienis met de interne structuur of leer van die organisaties en evenmin van een door de overheid daarbij gemaakt onderscheid tussen die organisaties.
Er bestaan diverse kerk(rsl)-staatregimes. In het model van pluralistische coöperatie, dat het meeste voorkomt in Europa en ook in Nederland wordt gehanteerd, mag de staat geen discriminerend onderscheid maken tussen de diverse stromingen van rsl.
Het belang van internationale mensenrechten en nationale grondrechten komt op diverse manieren naar voren. Het gaat met name om de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, de vrijheid van vereniging, het recht op privacy en het recht op het genieten van deze vrijheden zonder enige vorm van discriminatie. De vrijheid van godsdienst en levensovertuiging omvat ook de organisatievrijheid van geestelijke gemeenschappen. Uit de jurisprudentie van het EHRM blijkt dat gezien het maatschappelijke belang voor de democratische samenleving geestelijke gemeenschappen recht hebben op rechtspersoonlijkheid. Ze kunnen gebruik maken van de rechtsvorm die het beste bij hun grondslag of doelstelling past. De grondrechten werken verder door op registratieregels en op verlening of erkenning van rechtspersoonlijkheid. Mede daardoor zijn ze bepalend of een religie of levensbeschouwing bepaalde privileges, waaronder fiscale faciliteiten, mag genieten en zo ja onder welke voorwaarden. Uit de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging vloeit geen aanspraak op financiële overheidsondersteuning voort maar in samenhang met het gelijkheidsbeginsel kan wel zo’n aanspraak ontstaan. Het is niet zo dat de overheid op grond van dit beginsel alle geloofs- en levensbeschouwelijke gemeenschappen onder alle omstandigheden gelijk moet behandelen maar een ongelijke behandeling is slechts geoorloofd als daarvoor objectieve en redelijke gronden bestaan.
Voor Nederland zijn met name de EVRM-grondrechten van belang. Onder het EVRM zijn uiteenlopende stelsels van overheidssteunverlening mogelijk. Wel moet volgens het EHRM ook op dat terrein een verschil in behandeling berusten op objectieve en redelijke gronden, waarbij de lidstaten een beoordelingsruimte toekomt. Zo kan het EHRM toetsen of het al dan niet toekennen van een overheidssteun (zoals een fiscale faciliteit) een schending oplevert van geloofsvrijheid dan wel discriminatoir is. Het Nederlandse stelsel, dat voor geestelijke gemeenschappen zelffinanciering als uitgangspunt heeft, kent voor rsli met een anbi-status diverse fiscale faciliteiten. Deze faciliteiten vinden hun rechtvaardiging in de veronderstelde positieve maatschappelijke impact en betekenis van rsl.