Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/
Verhandeling
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS361920:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Term ontleend aan Pitlo/Hidma & Rutgers, t.a.p., p. 42.
Een wettelijke grondslag kan voor de hierna onder 1.2.2.2. te bespreken verzwaarde motiveringsplicht wel gevonden worden in art. 128 lid 2 Rv. Gesteld kan worden dat bij de verzwaarde motiveringsplicht extra (zware) eisen worden gesteld aan de voor gedaagde op grond van dat artikel toch al geldende verplichting een 'met redenen omklede conclusie van antwoord' te nemen.
Daarvoor zijn blijkens HR 31 oktober 1997, NJ 1998, 85 steeds bijkomende omstandigheden vereist.
Hadden de hiervoor besproken afwijkingen van de hoofdregel met elkaar gemeen dat zij een wettelijke grondslag hebben, de eveneens bestaande 'procesrechtelijke mechanismen'1 om tot een andere verdeling van de bewijslast te komen, hebben dat - een enkele uitzondering daargelaten2 -niet : zij hebben gemeen dat de rechter tot op zekere hoogte 'meegaat' met een der partijen. Het verlangen om 'mee te gaan' met een der partijen kan mede bepaald worden door de omstandigheid dat in de rechtspraak is uitgemaakt dat het enkele feit dat de bewijsdragende partij in bewijsnood zit geen reden is voor omkering van de bewijslast op grond van de redelijkheid en billijkheid als hiervoor onder 1.2 bedoeld.3 Ofwel door '(voorshands) uit te gaan van de juistheid van de stellingen van de met het bewijs belaste partij' (het voorshands bewijsoordeel), waarbij de tegenpartij belast wordt met het tegenbewijs. Dan wel door de stel- en motiveringsplicht van een van partijen te verzwaren, ten gevolge waarvan de bewijslast voor de andere partij dienovereenkomstig wordt verlicht. Ook wordt gebruik gemaakt van de zgn. omkeringsregel. Alvorens ik inhoudelijk op deze 'afwijkingen' zal ingaan, lijkt het goed op deze plaats nog kort het belang van dit verschil te duiden: waar bij de omkering van de bewijslast het bewijsrisico meegaat, is dat bij de procesrechtelijke mechanismen niet het geval. Daar wordt -omdat aan de bewijslast voorshands is voldaan - uitsluitend de bewijsvoeringslast op de wederpartij gelegd; het bewijsrisico blijft bij de oorspronkelijk daarmee belaste partij. Ik werk dit hieronder nader uit.