Een juridisch onderzoek naar de representativiteit van vakbonden in het arbeidsvoorwaardenoverleg
Einde inhoudsopgave
Een juridisch onderzoek naar de representativiteit van vakbonden in het arbeidsvoorwaardenoverleg (MSR nr. 74) 2019/7.6:7.6 Afronding
Een juridisch onderzoek naar de representativiteit van vakbonden in het arbeidsvoorwaardenoverleg (MSR nr. 74) 2019/7.6
7.6 Afronding
Documentgegevens:
Mr. N. Jansen, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. N. Jansen
- JCDI
JCDI:ADS399425:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Arbeidsrecht / Collectief arbeidsrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
M.F.P. Rojer, ‘Algemeen verbindend verklaren cao’s. Stoppen of doorgaan?’, Zeggenschap/Tijdschrift voor Arbeidsverhoudingen 2002/1.
Zie ook: E.H. Broekema, ‘Het niet algemeen-verbindendverklaren van cao-bepalingen als nieuwe beleidsoptie’, SMA 1992, afl. 5, p. 291.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De verbindendverklaring van cao-bepalingen bevordert het collectief overleg op bedrijfstakniveau en heeft bijgedragen aan arbeidsrust en stabiele arbeidsverhoudingen in bedrijfstakken, doordat concurrentie op arbeidsvoorwaarden wordt verminderd. Tegelijkertijd blijkt van een loonopdrijvend effect nauwelijks sprake en blijkt niet van een negatief effect op de werkgelegenheid. Mede door de verbindendverklaring is een stabiele overlegstructuur ontstaan die de basis heeft gevormd van allerhande bedrijfstakinitiatieven op sociaal terrein – soms geïnitieerd door overheidsbeleid – waarvan alle werkgevers en werknemers in de bedrijfstak de lasten dragen, maar ook de vruchten plukken. De toename van wetgeving op sociaal terrein heeft de verbindendverklaring niet overbodig gemaakt, maar eraan bijgedragen dat het cao-overleg zich heeft kunnen verbreden. De decentraliseringstendens in de arbeidsvoorwaardenvorming heeft ertoe geleid dat cao’s meer kaderscheppend zijn geworden voor nadere uitwerking van allerhande regelingen op decentraal niveau. Cao’s bevatten steeds vaker keuzemenu’s om op individueel niveau of op ondernemingsniveau het arbeidsvoorwaardenpakket in te vullen of nader vorm te geven. De cao heeft zich daarmee aangepast aan individualiserings- en decentraliseringstendensen en het instrument weerhoudt cao-partijen er niet van ruimte te geven aan wensen voor meer maatwerk, differentiatie en decentralisatie. De gewenste flexibiliteit in de arbeidsvoorwaardenvorming is door cao-partijen met beleid vormgegeven, waarbij steeds gezocht wordt naar een combinatie van de voordelen van collectieve regelingen met mogelijkheden tot differentiatie en maatwerk.1 Met het verbindend verklaren van cao’s wordt die ontwikkeling juist ondersteund. De verbindendverklaring heeft – tot slot – bijgedragen aan zelfregulering en de wetgever hoeft pas regulerend op te treden wanneer een onderwerp in het cao-overleg onvoldoende aandacht krijgt of wanneer het voor de overheid onacceptabel is dat een bepaalde voorziening niet voor iedereen geldt. De primaire verantwoordelijkheid voor de arbeidsvoorwaardenvorming ligt bij sociale partners en voor het cao-overleg is van belang dat zij erop kunnen rekenen dat de afspraken die zij maken verbindend kunnen worden verklaard. Een wijziging van het avv-beleid, in die zin dat een inhoudelijke toets van cao-bepalingen plaatsvindt of dat ten behoeve van de marktwerking geen verbindendverklaring van individuele arbeidsvoorwaarden meer plaatsvindt, is een wijziging van de huidige verdeling van de loonpolitieke verantwoordelijkheden. Het huidige stelsel van loonpolitiek dat zich laat karakteriseren als een stelsel gebaseerd op zelfregulering, zou dan een wijziging ondergaan in die zin dat de overheidsinvloed aanmerkelijk toeneemt. In de drie verschillende ordeningsmechanismen: marktwerking, zelfregulering en wetgeving, brengt dit mee, dat wordt opgeschoven in een richting die juist verder afstaat van de bepleite loonvorming op basis van marktwerking.2
Knelpunten zijn er ook. Allerhande (schijn)constructies en het ontduiken van de toepasselijkheid van de avv-cao worden door betrokken actoren gezien als de grootste bedreiging van het instrument en om ontduiking te voorkomen zou meer werk gemaakt moet worden van de handhaving. Representativiteit en draagvlak, zowel aan werkgeverszijde als aan werknemerszijde is eveneens een belangrijk aandachtspunt. Opmerking daarbij verdient dat de afnemende representativiteit onder werkgeversorganisaties als grotere bedreiging wordt gezien dan de afnemende representativiteit van vakbonden. Vanuit juridisch perspectief is dat begrijpelijk omdat het meerderheidsvereiste wordt berekend op basis van de bij de aan de cao gebonden werkgevers in dienst zijnde werknemers.
In paragraaf 7.4 besprak ik dat bij de verbindendverklaring van cao-bepalingen de representativiteit van betrokken vakbonden niet of nauwelijks een rol speelt. De inbreuk die de verbindendverklaring maakt op zowel de individuele contractsvrijheid als op de collectieve contractsvrijheid behoeft een rechtvaardiging. De minister erkende in de parlementaire geschiedenis dat de individuele vrijheid een belangrijk rechtsgoed is, maar stelde daartegenover dat wanneer die vrijheid tot gevolg heeft dat het scheppen van behoorlijke verhoudingen tussen werkgevers en werknemers wordt belemmerd, die vrijheid plaats behoort te maken voor gebondenheid.3 De minister vond het gerechtvaardigd regelingen die door de grote meerderheid van een sector nodig worden geacht voor een goede werking van het bedrijfsleven of het scheppen van behoorlijke arbeidsvoorwaarden, ook aan de minderheid op te leggen, indien de vrijheid van de minderheid voornoemde belangen schaadt. In de berekening van het meerderheidsvereiste komt dit uitgangspunt tot uitdrukking, maar daarbij wordt in hoofdzaak rekening gehouden met de mate waarin de meerderheid van de werkgevers in de sector de cao en de verbindendverklaring van de cao-bepalingen nodig acht. In theorie kan een vakbond die nauwelijks op steun van de werknemers in de sector kan rekenen, een cao afsluiten, die vervolgens via de verbindendverklaring voor alle werknemers in de sector gaat gelden. Voor de verbindendverklaring komt het immers vooral aan op de organisatiegraad van werkgevers. Het is naar mijn mening niet gerechtvaardigd regelingen dwingend aan de sector op te leggen als die wens weliswaar steunt op de meerderheid aan werkgeverszijde maar de cao bij werknemers op een gering draagvlak steunt en grote groepen werknemers in het cao-overleg zijn ondervertegenwoordigd. Aanpassing van de systematiek om te komen tot verbindendverklaring is op dit punt naar mijn mening onvermijdelijk, waarover meer in hoofdstuk 9.