Zie bijv. HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:553, NJ 2018/435 en HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1960.
HR, 09-04-2024, nr. 23/03721 Br
ECLI:NL:HR:2024:562
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-04-2024
- Zaaknummer
23/03721 Br
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Internationaal strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:562, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑04‑2024; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:191
ECLI:NL:PHR:2024:191, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 27‑02‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:562
Beroepschrift, Hoge Raad, 06‑11‑2023
Beroepschrift, Hoge Raad, 17‑10‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0071
NJ 2024/176 met annotatie van P.A.M. Mevis
Uitspraak 09‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Beklag ex art. 5.4.10 jo. 552a Sv door advocaat na beslag ex art. 94 Sv op diverse goederen onder belanghebbende n.a.v. Europees onderzoeksbevel van Duitse autoriteiten. Rb heeft behandeling van klaagschrift ex art. 5.4.10 jo. 552a Sv aangehouden in afwachting van uitkomst van procedure ex art. 98 Sv. Na beschikking RC ex art. 98 Sv heeft Rb behandeling van klaagschrift voortgezet en klaagschrift ongegrond verklaard. Heeft Rb bij beslissing op klaagschrift terecht tot uitgangspunt genomen dat geen beroep is ingesteld tegen beschikking RC ex art. 98 Sv? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2020:1970 m.b.t. beklagmogelijkheid voor verschoningsgerechtigde als i.h.k.v. uitvoering van EOB stukken in beslag zijn genomen en/of gegevens zijn vastgelegd en de daarbij geldende uitgangspunten en regels. Verder herhaalt HR relevante overwegingen uit HR:2022:223 en HR:2020:1048 m.b.t. procedure van art. 98 Sv. Als Rb bij behandeling van o.g.v. art. 5.4.10 jo. 552a Sv ingediend klaagschrift vaststelt dat beschikking RC nog niet overeenkomstig art. 98.3 Sv is betekend aan betrokken verschoningsgerechtigde dan wel termijn van 14 dagen voor indienen van klaagschrift ex art. 98.4 Sv nog niet is verstreken, dan moet zij behandeling van klaagschrift aanhouden. Als verschoningsgerechtigde o.g.v. art. 98.4 Sv klaagschrift indient tegen beschikking RC en daarnaast klaagschrift o.g.v. art. 5.4.10 jo. 552a Sv indient, doet zich geval voor dat gelijktijdig 2 klaagschriften van verschoningsgerechtigde aanhangig zijn bij Rb die er allebei toe strekken dat Rb beoordeelt of stukken en/of gegevens waarvan inbeslagneming dan wel vastlegging door RC is toegestaan, onder verschoningsrecht van verschoningsgerechtigde vallen. Het verdient aanbeveling dat rechter bevordert dat deze klaagschriften gevoegd worden behandeld en dat hij vervolgens in 1 beschikking beslissing geeft op beroep dat verschoningsgerechtigde doet op zijn verschoningsrecht (vgl. HR:2024:315). Rb heeft bij beslissing op klaagschrift dat door klager, een verschoningsgerechtigde, o.g.v. art. 5.4.10 jo. 552a Sv is ingediend, beslissing RC a.b.i. art. 98.3 Sv tot uitgangspunt genomen, omdat Rb ervan uitging dat beslissing RC onherroepelijk was geworden omdat tegen die beslissing geen klaagschrift is ingediend door klager. Uit stukken blijkt niet dat beschikking RC a.b.i. art. 98 Sv is betekend aan klager, zodat het in cassatie ervoor moet worden gehouden dat dit niet is gebeurd. Rb had behandeling van klaagschrift moeten aanhouden totdat beschikking RC is betekend aan klager en termijn voor indienen van klaagschrift is verstreken. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 23/03720 Br.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03721 Br
Datum 9 april 2024
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Limburg van 11 juli 2023, nummer RK 23/006116, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze hebben T.H.L. Kneepkens en M.D. Rijnsburger, beiden advocaat in Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schrifturen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Limburg opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan en tot het aan de rechter-commissaris in die rechtbank in handen stellen van de stukken teneinde op de voet van art. 98, vierde lid, Sv de beschikking van 3 april 2023 aan de klager te betekenen.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat de rechtbank bij haar beslissing op het klaagschrift dat op 8 maart 2023 is ingediend op grond van artikel 5.4.10 in samenhang met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), tot uitgangspunt heeft genomen dat geen beroep is ingesteld tegen de beschikking die de rechter-commissaris op 3 april 2023 op grond van artikel 98 Sv heeft genomen, terwijl die beschikking niet is betekend aan de klager en daarom niet onherroepelijk is geworden.
2.2
De bestreden beschikking houdt onder meer in:
“Feiten
Naar aanleiding van een Europees Onderzoeksbevel (hierna: EOB) van de Duitse officier van justitie, is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek op 28 februari onder [betrokkene 1] beslag gelegd op diverse goederen, waaronder verschillende ordners, handgeschreven notities, emailberichten, een externe harde schijf, USB-sticks, een telefoonboek, laptops, desktoppen en mobiele telefoons.
Procedure
Het klaagschrift is op 8 maart 2023 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Het klaagschrift is in raadkamer gezamenlijk behandeld met de zaak met raadkamernummer 23006076 van [betrokkene 1] , wiens klaagschrift betrekking heeft op dezelfde stukken. Vanwege de aanwezigheid van stukken die onder het verschoningsrecht vielen, is het onderzoek in raadkamer zitting van 14 maart 2023 aangehouden, om de uitkomst van de procedure bij de rechter-commissaris af te wachten. Op 3 april 2023 heeft de rechter-commissaris (in de procedure op grond van artikel 98 Sv) een beslissing genomen. (...)
De rechtbank heeft op 11 juli 2023 de behandeling van het klaagschrift in openbare raadkamer voortgezet (...)
Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, voor zover deze niet al zijn teruggegeven. Het gaat hierbij om de inbeslaggenomen voorwerpen met de volgende inbeslagname codes (hierna: IBN-codes): A.01.04.001, A.01.004.003, A.01.05.002 en A.01.05.003.
Door de raadsman van de klager is aangevoerd dat de interpretatie van de rechter-commissaris over de reikwijdte van verschoninggerechtigde te beperkt is. Deze moet ook gelden voor stukken die gemaakt zijn met het oog op de verdediging, zoals de Hoge Raad heeft gesteld in de zaak met nummer ECLI:NL:HR:2016:2686. Daarnaast is door de raadsman aangevoerd dat de klager, als zijnde de verschoningsgerechtigde, niet in de gelegenheid is gesteld om van de inbeslaggenomen stukken kennis te nemen en een standpunt in te nemen. Het klaagschrift moet daarom gegrond verklaard worden.
Beoordeling
(...)
Zoals hiervoor in het toetsingskader uiteen is gezet worden de goederen die in het kader van een EOB in beslag zijn genomen overgedragen aan de verzoekende autoriteit tenzij daarvoor beletselen zijn.
Een van de beletselen in de onderhavige zaak zou kunnen zijn dat er stukken in beslag zijn genomen die zouden kunnen vallen onder het verschoningsrecht. De rechter-commissaris heeft daartoe onderzoek verricht en daarover een beslissing genomen. De stukken waarover naar het oordeel van de rechter-commissaris, terecht een beroep is gedaan op het verschoningsrecht zijn teruggegeven aan klager en daarover zal de rechtbank dan ook geen beslissing meer nemen.
In de kern komt het klaagschrift erop neer dat de klager, als verschoningsgerechtigde, zich voor alle stukken beroept op zijn verschoningsrecht en dat de rechter-commissaris een onjuiste beslissing heeft genomen. De rechtbank stelt vast dat tegen de beslissing van de rechter-commissaris geen beroep is ingesteld door de verdediging. Het is niet aan de rechtbank om thans in de juistheid daarvan te treden. Deze beslissing is derhalve bij de beoordeling van het onderhavige klaagschrift voor de rechtbank een gegeven. De rechtbank merkt daarbij op dat de door de raadsman overgelegde jurisprudentie ziet op het beoordelingskader van de rechter-commissaris en derhalve bij de beoordeling van het onderhavige klaagschrift niet relevant lijkt te zijn.
(...)
Gelet op het bovenstaande dient het klaagschrift ongegrond verklaard te worden.”
2.3
De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang.
- Artikel 98 leden 1-4 Sv:
“1. Bij personen met bevoegdheid tot verschooning, als bedoeld bij de artikelen 218 en 218a, worden, tenzij met hunne toestemming, niet in beslag genomen brieven of andere geschriften, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt. De rechter-commissaris is bevoegd ter zake te beslissen.
2. Indien de persoon met bevoegdheid tot verschoning bezwaar maakt tegen de inbeslagneming van brieven of andere geschriften omdat zijn plicht tot geheimhouding zich daartoe uitstrekt, wordt niet tot kennisneming overgegaan dan nadat de rechter-commissaris daarover heeft bepaald.
3. De rechter-commissaris die beslist dat inbeslagneming is toegestaan, deelt de persoon met bevoegdheid tot verschoning mede dat tegen zijn beslissing beklag open staat bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd en tevens dat niet tot kennisneming wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag is beslist.
4. Tegen de beschikking van de rechter-commissaris kan de persoon met bevoegdheid tot verschoning binnen veertien dagen na de betekening daarvan een klaagschrift indienen bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd. Artikel 552a is van toepassing.”
- Artikel 5.4.4 lid 1, aanhef en onder a, Sv:
“De erkenning of uitvoering van een Europees onderzoeksbevel wordt geweigerd, wanneer na overleg met de uitvaardigende staat en nadat indien nodig de uitvaardigende autoriteit is verzocht om onverwijld aanvullende gegevens te verstrekken, moet worden vastgesteld dat:
a. de uitvoering van het bevel onverenigbaar is met een krachtens Nederlands recht geldend voorrecht of immuniteit, waaronder mede wordt verstaan een verschoningsrecht, danwel onverenigbaar is met regels ter vaststelling en beperking van strafrechtelijke aansprakelijkheid in verband met de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting in andere media.”
“1. De betrokkene bij wie in het kader van uitvoering van een Europees onderzoeksbevel voorwerpen in beslag zijn genomen danwel gegevens zijn gevorderd, of bij wie gegevens zijn vastgelegd tijdens een doorzoeking of onderzoek in een geautomatiseerd werk, aan wie een vordering medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van gegevens is gedaan, of die een vordering heeft ontvangen om gegevens te bewaren en beschikbaar te houden, alsmede de betrokkene bij wie ontoegankelijkmaking van gegevens, aangetroffen in een geautomatiseerd werk, als bedoeld in artikel 125o, heeft plaatsgevonden wordt, indien de geheimhouding van het onderzoek daardoor niet in het gedrang komt, in kennis gesteld van zijn bevoegdheid om binnen veertien dagen na kennisgeving een klaagschrift ingevolge artikel 552a in te dienen bij de rechtbank.
3. De artikelen 552a, eerste tot en met zesde lid, 552d, eerste en tweede lid, en 552e, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter geen onderzoek doet naar de gronden voor het uitvaardigen van het bevel, waarvan de uitvoering heeft geleid tot indiening van het klaagschrift.”
- Artikel 552a lid 1 Sv:
“De belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen over inbeslagneming, over het gebruik van in beslag genomen voorwerpen, over het uitblijven van een last tot teruggave, over het al dan niet toepassen van de in artikel 116, vierde lid, neergelegde bevoegdheid, over de vordering van gegevens, over het bevel toegang te verschaffen tot een geautomatiseerd werk of delen daarvan, tot een gegevensdrager of tot versleutelde gegevens dan wel kennis omtrent de beveiliging daarvan ter beschikking te stellen, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, vastgelegd tijdens een doorzoeking of op vordering verstrekt, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk en vastgelegd bij een onderzoek in zodanig werk, over de kennisneming of het gebruik van gegevens als bedoeld in de artikelen 100, 101 en 114, over de vordering gegevens te bewaren en beschikbaar te houden, alsmede over de ontoegankelijkmaking van gegevens, aangetroffen in een geautomatiseerd werk, bedoeld in de artikelen 125o en 126cc, vijfde lid, de opheffing van de desbetreffende maatregelen of het uitblijven van een last tot zodanige opheffing. De belanghebbenden kunnen zich voorts schriftelijk beklagen over een bevel tot het ontoegankelijk maken van gegevens, bedoeld in artikel 125p. Over het beklag, bedoeld in de vorige volzin, beslist het gerecht zo spoedig mogelijk.”
2.4.1
Als in het kader van de uitvoering van een Europees onderzoeksbevel stukken in beslag zijn genomen en/of gegevens zijn vastgelegd die op een gegevensdrager zijn opgeslagen of vastgelegd, moet artikel 5.4.10 Sv zo worden begrepen dat voor de verschoningsgerechtigde – ook als de stukken en/of gegevens zijn inbeslaggenomen onder en/of vastgelegd bij een ander dan de verschoningsgerechtigde – de beklagmogelijkheid van artikel 552a Sv openstaat. Daarbij gelden in beginsel de uitgangspunten en regels die in de rechtspraak van de Hoge Raad zijn geformuleerd voor gevallen waarin een persoon met bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in artikel 218 Sv met een beroep op zijn verschoningsrecht opkomt tegen de inbeslagneming van stukken en/of de vastlegging van gegevens. (Vgl. HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1970, rechtsoverwegingen 4.3 en 4.4.)
2.4.2
Op grond van artikel 98 lid 1 Sv is het eerst aan de rechter-commissaris om te beslissen over het beroep op het verschoningsrecht dat is gedaan ten aanzien van stukken dan wel gegevens die zijn opgeslagen of vastgelegd op gegevensdragers. Als de rechtbank bij de behandeling van een op grond van artikel 552a Sv ingediend klaagschrift vaststelt dat de klager met betrekking tot inbeslaggenomen stukken of vastgelegde gegevens zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen en dat de rechter-commissaris daarover (nog) niet heeft beslist, moet zij de behandeling van het klaagschrift aanhouden en de zaak in handen van de rechter-commissaris stellen om een beschikking te geven als bedoeld in artikel 98 lid 1 Sv. (Vgl. HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:223, rechtsoverweging 4.6.)Beslist de rechter-commissaris dat de inbeslagneming of, als het gaat om gegevens, de kennisneming is toegestaan, dan moet gehandeld worden zoals in artikel 98 lid 3 Sv is bepaald. De beschikking van de rechter-commissaris moet aan de betrokken verschoningsgerechtigde moeten worden betekend, onder mededeling dat deze binnen veertien dagen tegen deze beschikking een klaagschrift kan indienen bij een in die mededeling aangeduid gerecht en ook dat niet tot kennisneming van de stukken of gegevens wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag van de verschoningsgerechtigde is beslist. (Vgl. HR 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1048, rechtsoverweging 4.2.3.)
2.4.3
Als de rechtbank bij de behandeling van het op grond van artikel 5.4.10 in samenhang met artikel 552a Sv ingediende klaagschrift vaststelt dat de beschikking van de rechter-commissaris nog niet overeenkomstig artikel 98 lid 3 Sv is betekend aan de betrokken verschoningsgerechtigde dan wel de termijn van veertien dagen voor het indienen van een klaagschrift op de voet van artikel 98 lid 4 Sv nog niet is verstreken, dan moet zij de behandeling van het klaagschrift aanhouden.
2.4.4
Als de verschoningsgerechtigde op grond van artikel 98 lid 4 Sv een klaagschrift indient tegen de beschikking van de rechter-commissaris en daarnaast een klaagschrift op grond van artikel 5.4.10 in samenhang met artikel 552a Sv indient, doet zich het geval voor dat gelijktijdig twee klaagschriften van de verschoningsgerechtigde aanhangig zijn bij de rechtbank die er allebei toe strekken dat de rechtbank beoordeelt of de stukken en/of gegevens waarvan de inbeslagneming dan wel vastlegging door de rechter-commissaris is toegestaan, onder het verschoningsrecht van de verschoningsgerechtigde vallen. Het verdient aanbeveling dat de rechter bevordert dat deze klaagschriften gevoegd worden behandeld en dat hij vervolgens in één beschikking een beslissing geeft op het beroep dat de verschoningsgerechtigde doet op zijn verschoningsrecht. (Vgl. HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:315, rechtsoverweging 2.4.)
2.5
De rechtbank heeft bij haar beslissing op het klaagschrift dat door de klager, een verschoningsgerechtigde, op grond van artikel 5.4.10 in samenhang met artikel 552a Sv is ingediend, de beslissing van de rechter-commissaris als bedoeld in artikel 98 lid 3 Sv tot uitgangspunt genomen, omdat – zo begrijpt de Hoge Raad – de rechtbank ervan uitging dat de beslissing van de rechter-commissaris onherroepelijk was geworden omdat tegen die beslissing geen klaagschrift is ingediend door de klager. Uit de stukken blijkt niet dat de beschikking van de rechter-commissaris als bedoeld in artikel 98 Sv is betekend aan de klager, zodat het in cassatie ervoor moet worden gehouden dat dit niet is gebeurd. Gelet op wat onder 2.4.3 is overwogen, had de rechtbank de behandeling van het klaagschrift moeten aanhouden totdat de beschikking van de rechter-commissaris is betekend aan de klager en de termijn voor het indienen van een klaagschrift is verstreken.
2.6
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het. Dit brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Limburg, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 april 2024.
Conclusie 27‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Beklag ex 552a jo. 5.4.10 Sv door verschoningsgerechtigde tegen EOB. Beslissing rechter-commissaris ex art. 98 lid 4 Sv niet betekend. Oordeel van rechtbank dat daartegen geen beklag is ingediend is in verband daarmee onbegrijpelijk. Middel daarover slaagt. De conclusie strekt tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank. Samenhang met 23/03720.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03721 Br
Zitting 27 februari 2024
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de klager
De rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, heeft bij beschikking van 11 juli 2023 het beklag van de klager strekkende tot teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen met de IBN-codes A.01.04.001, A.01.004.003, A. 01.05.002 en A.01.05.003, ongegrond verklaard.
Er bestaat samenhang met de zaak 23/03720 Br. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en M.D. Rijnsburger en T.H.L. Kneepkens, beiden advocaat te Amsterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld. Dit middel is tijdig binnen de daartoe gestelde nadere termijn aangevuld, zodat het middel met inbegrip van deze aanvulling zal worden beoordeeld.
Het middel
4.1
Het middel komt op tegen de ongegrondverklaring van het beklag.
4.2
Namens de klager - een advocaat gevestigd in [plaats] - is op 8 maart 2023 een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv in verbinding met art. 5.4.10 Sv bij de rechtbank ingekomen. Dit klaagschrift houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“ [klager] (hierna: klager), geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] , Rechtsanwalt bij Park Wirtschafsstrafrecht en kantoorhoudende te [plaats] aan de [a-straat 1] , te dezer zake domicilie kiezende te (1075 BH) Amsterdam aan het Valeriusplein 20A, ten kantore van Jansen Kneepkens Rijnsburger Advocaten;
dat klager wordt bijgestaan door de ondertekenende raadsman mr. T.H.L. Kneepkens, advocaat te Amsterdam, die tot het ondertekenen en indienen van dit klaagschrift (met het recht van substitutie) bepaaldelijk is gevolmachtigd;
dat er op 28 februari jl. beslag is gelegd op geheimhoudersstukken dan wel documenten en/of gegevensdragers die als geheimhoudersstukken dienen te worden aangemerkt;
dat klager vermoedt dat deze stukken in het kader van een Europees onderzoeksbevel, geregistreerd onder kenmerk EOB-1-2023002061, op verzoek van de Duitse autoriteiten in beslag zijn genomen;
dat klager zich niet met het beslag kan verenigen in verband met het navolgende:
1. De in beslag genomen stukken zijn geheimhoudersstukken en dienen per direct te worden geretourneerd. In dit verband wordt verwezen naar de correspondentie van [klager] aan ondergetekende waarin de geheimhoudersstukken worden toegelicht (bijlagen). Over de vraag of sprake is van geheimhoudersstukken bestaat geen misverstand. Uitvoering aan het Europees onderzoeksbevel is onverenigbaar met het geldende verschoningsrecht en dient te worden geweigerd gelet op artikel 5.4.4 van het Wetboek van Strafvordering.
2. Niet blijkt dat enig belang (van strafvordering) zich (nog langer) verzet tegen de teruggave van de geheimhoudersstukken. Nu dit niet (langer) het geval is, dient het beslag te worden opgeheven en de goederen te worden teruggegeven.
3. Indien niet middels schriftelijke afdoening tot gegrondverklaring van dit klaagschrift wordt overgegaan, is klager zeer wel bereid om het onderhavige klaagschrift met c.q. door middel van zijn raadsman in raadkamer van uw Rechtbank nader toe te (doen) lichten, en vragen klager en zijn raadsman zo nodig daartoe in raadkamer te worden opgeroepen.
4. De raadsman verzoekt voorts de Griffier en de Officier van Justitie alle (proces)stukken toe te zenden. Deze stukken waren ten tijde van het indienen van dit klaagschrift nog niet voorhanden. Klager behoudt zich dan ook uitdrukkelijk het recht voor om de gronden waarop dit klaagschrift steunt nader aan te vullen, dan wel te wijzigen.
REDENEN WAAROM:
Klager Uw Rechtbank verzoekt om het klaagschrift gegrond te verklaren en een last tot teruggave van de in beslag genomen goederen te (doen) geven.”
4.3
Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer van 14 maart 2023 houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden raadkamer van 14 maart 2023 voor zover betreffende de behandeling van het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager] ,
geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. T.H.L. Kneepkens, advocaat kantoorhoudende te
Amsterdam (Valeriusplein 20BG, 1075 BH Amsterdam),
hierna te noemen: de klager.
Ter terechtzitting tegenwoordig:
mr. L.P. Bosma, rechter;
mr. E. Gulikers, officier van justitie;
mr. M.J.M. Penders, griffier.
De rechtbank doet de zaak uitroepen.
De klager en zijn advocaat mr. T.H.L. Kneepkens zijn met voorafgaand bericht niet in raadkamer verschenen.
De rechtbank heef telefonisch contact opgenomen met de advocaat van de klager met de mededeling dat de betreffende geheimhouderstukken nog niet aan het kabinet RC ter beschikking zijn gesteld, waardoor de RC nog geen beslissing ex artikel 98 Sv heeft kunnen nemen. De behandeling van onderhavig klaagschrift kan derhalve niet worden voortgezet.
De rechtbank:
- schorst het onderzoek in raadkamer voor onbepaalde tijd;
- beveelt de oproeping van de veroordeelde tegen de dag en het tijdstip waarop de behandeling van de vordering ter terechtzitting wordt voortgezet.”
4.4
De rechter-commissaris in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, heeft op 3 april 2023 een beslissing als bedoeld in art. 98 Sv genomen. Deze beslissing houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“beslissing over inbeslagneming geheimhoudersstukken
(artikel 98 Wetboek van Strafvordering)
In de strafzaak tegen de verdachte:
[betrokkene 1]
geboren op [geboortedatum] 1961 te [geboorteplaats]
Procedure
Op 7 maart 2023 heeft mr. T. Kneepkens, advocaat te Amsterdam, namens [klager] , Rechtsanwalt in [plaats] (Duitsland), een persoon met de bevoegdheid tot verschoning, bezwaar bij de rechter-commissaris gemaakt tegen de ter uitvoering van het EOB-1-2023002061, op 28 februari 2023 onder de verdachte in beslag genomen geheimhoudersstukken.
De rechter-commissaris heeft kennis genomen van de processtukken.
De verschoningsgerechtigde heeft aangevoerd dat zijn plicht tot geheimhouding zich uitstrekt tot de volgende hierna aangeduide en onder de verdachte in beslag genomen administratie (Verteidigerkorrsepondenz als bedoeld in §§ 97 en 148 Strafprozessordnung):
- een ‘Leitz’-ordner;
- een usb-stick;
- handgeschreven aantekeningen van de verdachte ‘zu Verteidigungszwecken'.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geheimhoudersstukken terug kunnen naar de verdachte maar dat het aan de rechter-commissaris is daarover te beslissen.
Beoordeling
1. Op 7 maart 2023 heeft mr. Kneepkens op grond van artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a Sv een klaagschrift ingediend omdat, kort gezegd, tussen de onder de verdachte in beslag genomen voorwerpen, stukken zitten die onder het verschoningsrecht van zijn cliënt vallen. Het beklag strekt tot teruggave van de in beslag genomen geheimhoudersstukken.
2. Op grond van artikel 98 Wetboek van Strafvordering is het echter eerst aan de rechter-commissaris te beslissen over het beroep op het verschoningsrecht dat is gedaan ten aanzien van stukken dan wel gegevens die zijn opgeslagen op gegevensdragers. De rechtbank zal de behandeling van het klaagschrift dienen aan te houden en de zaak in handen van de rechter-commissaris dienen te stellen teneinde een beschikking te geven als bedoel in artikel 98 Sv.
3. Wanneer de verschoningsgerechtigde zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. Het oordeel of dit laatste het geval is komt in eerste instantie toe aan de rechter-commissaris, bij voorkeur na overleg met een gezaghebbend vertegenwoordiger van de beroepsgroep van de verschoningsgerechtigde (zoals de plaatselijk deken van de Orde van Advocaten of de Ringvoorzitter). Voor zover dat noodzakelijk is mag daartoe door de rechter-commissaris van de desbetreffende stukken worden kennisgenomen, (vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0434). Indien de rechter-commissaris - bijvoorbeeld in verband met de aard of de omvang van de inbeslaggenomen stukken of gegevens - niet in staat is zelf dat onderzoek te verrichten, zal hij het daarheen dienen te leiden dat het onderzoek wordt verricht door zodanige functionaris en op zodanige wijze dat is gewaarborgd dat het verschoningsrecht niet in het gedrang komt.
De rechter-commissaris oordeelt als volgt.
(…)
5. Bij de handgeschreven aantekeningen van de verdachte ‘zu Verteidigungszwecken’ gaat het om de stukken die in de lijst van in beslag genomen goederen zijn aangeduid met de respectieve nummers (IBN-code) (…) A.01.04.001 en/of A.01.004.003 en/of A.01.05.002 en/of A.01.05.003. Die aantekeningen zijn op 22 maart 2023 in twee verzegelde enveloppen, die zich op hun beurt bevonden in één verzegelde plastic envelop, op het kabinet van de rechter-commissaris ontvangen.
6. De rechter-commissaris heeft kennisgenomen van de handgeschreven aantekeningen van de verdachte 'zu Verteidigungszwecken’ teneinde te kunnen beoordelen of deze aantekeningen onder het verschoningsrecht van de Duitse Rechtsanwalt vallen.(…)
6.2.
Het stuk A.01.04.001 bevat een blok ruitjespapier (A-4 formaat) waarvan de eerste acht pagina’s handgeschreven aantekeningen bevatten. Uit niets blijkt dat het hier gaat om verslagen van gesprekken tussen de verdachte en de verschoningsgerechtigde of om aantekeningen of gespreksverslagen die weergeven of samenvatten wat in de vertrouwelijkheid van het kantoor tussen de verdachte en zijn Duitse Rechtsanwalt is besproken. Wat de rechter-commissaris betreft kan er dan ook redelijkerwijs geen twijfel over bestaan dat deze aantekeningen niet onder het verschoningsrecht vallen. Voor de twee losse vellen (A-4 formaat) die zijn genummerd A.01.04.003 geldt hetzelfde.
6.3.
Het stuk A.01.05.002 bevat verzameld in een plastic A-4 map diverse aantekeningen, zowel handgeschreven als in gedrukte vorm. De eerste pagina is een notitie, gedagtekend 17 april 2016, 18:20 uur van de hand van de verdachte. Uit de aanhef blijkt voor wie de notitie is bestemd; dat is niet de Duitse Rechtsanwalt of een medewerker van diens kantoor. Hoewel de eerste pagina als ‘restricted’ is geoormerkt, blijkt uit de notitie noch uit de overige stukken dat het hier gaat om verslagen van gesprekken tussen de verdachte en de verschoningsgerechtigde of om aantekeningen of gespreksverslagen die weergeven of samenvatten wat in de vertrouwelijkheid van het kantoor tussen de verdachte en zijn Duitse Rechtsanwalt is besproken. Ook hier geldt daarom dat er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat het hier niet gaat om stukken die onder het verschoningsrecht vallen.
6.4.
Het stuk A.01.05.003 bevat een klein schrift met handgeschreven aantekeningen (zonder omslag), een geelkleurige plastic A-4 map en een rood schrift met harde omslag (A-4 formaat).
6.4.1.
Wat het handgeschreven kleine schrift betreft: uit niets blijkt dat het hier gaat om verslagen van gesprekken tussen de verdachte en de verschoningsgerechtigde of om aantekeningen of gespreksverslagen die weergeven of samenvatten wat in de vertrouwelijkheid van het kantoor tussen de verdachte en zijn Duitse Rechtsanwalt is besproken.
6.4.2.
De geelkleurige plasctic map bevat allereerst kennelijk twee van het internet gehaalde en voor eigen gebruik uitgeprinte artikelen met de titel ‘Cum-Ex-Trick kostet Steuerzahler zwölf Milliarden' en ‘Neues Schlupfloch, Wie Banken das Finanzamt erneut austricksen’. Van beide documenten (kennelijk dus afkomstig uit openbare bron) is duidelijk dat het hier niet gaat om stukken die onder het verschoningsrecht vallen. Verder bevindt zich in de map een uitgeprint, op 25 september 2019 om 10:04 uur aan de verdachte doorgestuurd mailbericht. Gelet daarop en op de mailadressen die in de mail zijn vermeld, gaat het hier niet om geheimhoudersinfo. In de gele map, in twee afzonderlijke doorzichtige plastic mappen, zitten verder nog, een door het ‘inland revenue department’ van de republiek Malta op 15 oktober 2012 afgegeven certificaat en twee notities. Het certificaat is evident geen geheimhoudersstuk. De notities zijn dat evenmin. De eerste notitie is gedagtekend 13 april 2018, tijdstip 12:26 uur en is niet afkomstig van of gericht aan de Duitse Rechtsanwalt. De verdachte is niet de geadresseerde van de notitie; aan hem is slechts een kopie ervan verstrekt. De tweede notitie is gedagtekend 14 februari 2018, tijdstip 11:06 uur. De notitie is kennelijk van de hand van de verdachte zelf en is door hem als ‘restricted’ geoormerkt Aan de notitie is een handgeschreven weergave van een schriftelijk telefoongesprek gehecht, dat
kennelijk tussen de verdachte en [betrokkene 2] op 13 april 2018 heeft plaatsgevonden alsook een agenda van het bezoek dat die [betrokkene 2] van 23 tot en met 27 april (naar de rechter-commissaris aanneemt van het jaar 2108). [betrokkene 2] , zo maakt de rechter-commissaris uit de stukken op, is de toenmalig managing director van ‘ [A] ’ en dus niet iemand die op grond van zijn beroep een verschoningsrecht toekomt.
Gelet hierop en nu verder uit niets blijkt dat het bij deze notities gaat om verslagen van gesprekken tussen de verdachte en de verschoningsgerechtigde of om aantekeningen of gespreksverslagen die weergeven of samenvatten wat in de vertrouwelijkheid van het kantoor tussen de verdachte en zijn Duitse Rechtsanwalt is besproken, kan daarom redelijkerwijs geen twijfel erover bestaan dat deze notities niet onder het verschoningsrecht van de Duitse Rechtsanwalt vallen.
6.4.3.
Het rood schrift met harde omslag (A-4 formaat) bevat handgeschreven aantekeningen en -los ingevoegd - een document ‘Central Securities Depositories Regulation’ van juni 2020 van de hand van [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [betrokkene 5] , allen werkzaam voor HSBC. Het gaat hier niet om geheimhouders en dus valt het stuk niet onder het verschoningsrecht van de Duitse Rechtsanwalt en datzelfde, om de eerder gebezigde redenen, geldt voor de handgeschreven aantekeningen. Niet evident is immers dat het hier gaat om aantekeningen of gespreksverslagen die weergeven of samenvatten wat in de vertrouwelijkheid van het kantoor tussen de verdachte en zijn Duitse Rechtsanwalt is besproken.
(…)
Beslissing
De rechter-commissaris:
- bepaalt dat inbeslagneming van (…) het stuk A.01.03.001 (als bedoeld in overweging 6.1) (…) niet en voor het overige wel is toegestaan”
4.5
Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer van 11 juli 2023 houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“proces verbaal van de in het openbaar gehouden raadkamerzitting van 11 juli 2023 voor zover betreffende de behandeling van het bezwaarschrift overeenkomstig artikel 552a juncto artikel 5.4.10 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager] ,
geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. T.H.L. Kneepkens, advocaat te Amsterdam (Valeriusplein 20BG, 1075 BH Amsterdam),
hierna te noemen: de klager.
Ter raadkamerzitting tegenwoordig zijn:
mr. M.J.M. Goessen, rechter,
D.V. Haring, griffier,
mr. T.C.M. Smeets, officier van justitie.
De rechter doet de zaak uitroepen.Ter raadkamerzitting verschijnt mr. T.H.L. Kneepkens, advocaat kantoorhoudende te Amsterdam, die verklaart door de klager te zijn gemachtigd om namens hem het woord te voeren. De klager is, hoewel daartoe opgeroepen, niet verschenen. De belanghebbende [betrokkene 1] is ter raadkamerzitting gehoord.
De rechter heeft kort voorgehouden de documenten, die zich in het aan de rechtbank ter beschikking gestelde dossier bevinden.
De raadsman onderbouwd zijn klaagschrift met een (schriftelijk overlegde) pleitnota, welke in het digitale dossier te vinden is.
De belanghebbende [betrokkene 1] voert aan:
Alhoewel een KVI verstrekt is na de doorzoeking, is voor mij niet duidelijk welke stukken er in beslag zijn genomen. Hier wordt ook geen duidelijkheid over verschaft.
De officier van justitie brengt naar voren:
De procedure is naar oordeel van het Openbaar Ministerie correct verlopen. De rechter-commissaris heeft reeds gemotiveerd aangegeven dat het hier niet meer om geheimhouders stukken gaat. Het bezwaarschrift moet daarom ongegrond verklaard worden.
De rechter verklaart het onderzoek in raadkamer gesloten doet aansluitend uitspraak.”
4.6
De door de raadsman overgelegde pleitnota houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Meneer/mevrouw de voorzitter, Edelachtbaar college,
1. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de interpretatie zoals gehanteerd door rechter-commissaris te strikt is waar het gaat over geheimhoudersstukken, namelijk:
‘Uit niets blijkt dat het hier gaat om verslagen van gesprekken tussen de verdachte en de verschoningsgerechtigde of om aantekeningen of gespreksverslagen die weergeven of samenvatten wat in de vertrouwelijkheid van het kantoor tussen de verdachte en zijn Duitse Rechtsanwalt is besproken.'
2. Deze definitie van de rechter-commissaris is volgens de verdediging, mede gelet op de jurisprudentie op dit vlak (zie bijgevoegde uitspraak), te beperkt. Ook als uit de stukken blijkt dat deze zijn vervaardigd met het oog op de verdediging en er aldus ook uit blijkt dat de stukken zijn vervaardigd om aan de advocaat ter hand te stellen is sprake van geheimhoudersstukken. Zie in dit verband ook de toelichting van [klager] (bijlage), die reeds op voorhand met uw Rechtbank en Officier van Justitie per e-mail is gedeeld.
3. Volgens [betrokkene 1] zijn alle handgeschreven notities en gespreksverslagen vervaardigd ten behoeve van zijn verdediging en om aan zijn advocaat te overhandigen en is aldus sprake van geheimhoudersstukken.
4. De verdediging verzoekt uw rechtbank dan ook het ertoe te leiden dat alle handgeschreven notities worden geretourneerd aan [betrokkene 1] respectievelijk aan [klager] .
5. Daar komt bij dat zowel [klager] als [betrokkene 1] niet in de gelegenheid zijn gesteld om kennis te nemen van de in beslaggenomen stukken. [klager] en [betrokkene 1] hadden graag kennis willen nemen van het beslag teneinde het standpunt kenbaar te maken. Dat is onverhoopt niet gebeurt. In de regel wordt een overleg belegd bij de rechter-commissaris en wordt men in de gelegenheid gesteld een standpunt kenbaar te maken ten aanzien van het beslag waarna een beslissing ex artikel 98 Sv kan worden genomen. In onderhavige zaken is dat onverhoopt verzuimd door de rechter-commissaris. Zie in dit verband ook overweging 3. van de beslissing van de rechter-commissaris. [klager] had natuurlijk moeten worden uitgenodigd teneinde kennis te nemen van het beslag en vervolgens in de gelegenheid dienen te
worden gesteld om een standpunt kenbaar te maken.
6. Dit overleg bij de rechter-commissaris is dan vaak met de advocaat in kwestie, diens vertegenwoordiger en (in dit geval) de deken. Er kan dan een standpunt worden ingenomen welk standpunt in beginsel geëerbiedigd dient te worden, tenzij de rechter-commissaris redenen heeft om daarvan af te wijken. In een dergelijk geval kan daarbij desnoods kennis worden genomen van de stukken.
7. In dit geval is de mogelijkheid om kennis te nemen van de inhoud niet geboden waar dat had wel gemoeten.
8. Het vorenstaand maakt dat de verdediging uw rechtbank verzoekt om het klaagschrift ex artikel 552a Sv gegrond te verklaren en het ertoe te leiden dat alle handgeschreven notities aan [betrokkene 1] respectievelijk [klager] worden geretourneerd en een last tot teruggave wordt gegeven.
9. Samengevat wordt opgemerkt dat er i) verzuimd is de juiste procedure te volgen waarbij ook de verschoningsgerechtigde kennis kan nemen van de stukken en ii) dat het gehanteerde criterium te eng is. Primair verzoekt de verdediging uw rechtbank het beklag gegrond te verklaren te gelasten dat de eerder aangemerkte stukken en alle handgeschreven notities waar het verschoningsrecht op ziet worden geretourneerd. Subsidiair verzoekt de verdediging uw rechtbank om de zaak vandaag aan te houden teneinde de stukken weer in handen van de rechter-commissaris te stellen en de omissie voor wat betreft het niet kunnen inzien van de stukken te herstellen.”
4.7
De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 552a juncto artikel 5.4.10 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
(…)
Feiten
Naar aanleiding van een Europees Onderzoeksbevel (hierna: EOB) van de Duitse officier van justitie, is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek op 28 februari onder [betrokkene 1] beslag gelegd op diverse goederen, waaronder, verschillende ordners, handgeschreven notities, emailberichten, een externe harde schijf, USB-sticks, een telefoonboek, laptops, desktoppen en mobiele telefoons.
Procedure
Het klaagschrift is op 8 maart 2023 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Het klaagschrift is in raadkamer gezamenlijk behandeld met de zaak met raadkamernummer 23006076 van [betrokkene 1] , wiens klaagschrift betrekking heeft op dezelfde stukken.
Vanwege de aanwezigheid van stukken die onder het verschoningsrecht vielen, is het onderzoek in raadkamer zitting van 14 maart 2023 aangehouden, om de uitkomst van de procedure bij de rechter-commissaris af te wachten. Op 3 april 2023 heeft de rechter-commissaris (in de procedure op grond van artikel 98 Sv) een beslissing genomen. Naar aanleiding hiervan heeft het Openbaar Ministerie zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt voor het vervolg van de raadkamerzitting.
De rechtbank heeft op 11 juli 2023 de behandeling van het klaagschrift in openbare raadkamer voortgezet en daarbij de gemachtigde advocaat van de klager, mr. T.H.L. Kneepkens en de officier van justitie gehoord. De klager is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen. De belanghebbende [betrokkene 1] is in raadkamer gehoord. Vervolgens is terstond uitspraak gedaan.
Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, voor zover deze niet al zijn teruggeven. Het gaat hierbij om de inbeslaggenomen voorwerpen met de volgende inbeslagname codes (hierna: IBN-codes): A.01.04.001, A.01.004.003, A.01.05.002 en A.01.05.003.
Door de raadsman van de klager is aangevoerd dat de interpretatie van de rechter-commissaris over de reikwijdte van verschoninggerechtigde te beperkt is. Deze moet ook gelden voor stukken die gemaakt zijn met het oog op de verdediging, zoals de Hoge Raad heeft gesteld in de zaak met nummer ECLI:NL:HR:2016:2686. Daarnaast is door de raadsman aangevoerd dat de klager, als zijnde de verschoningsgerechtigde, niet in de gelegenheid is gesteld om van de inbeslaggenomen stukken kennis te nemen en een standpunt in te nemen. Het klaagschrift moet daarom gegrond verklaard worden.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het beklag ongegrond moet worden verklaard. Hiertoe is aangevoerd dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave, nu de autoriteiten om overdracht van de voorwerpen hebben gevraagd. Door de rechter-commissaris is inmiddels vastgesteld dat het hier geen stukken betreft die onder het verschoningsrecht vallen, waardoor niks aan de voerlevering in de weg staat.
Toetsingskader
De rechtbank neemt in overweging dat de beklagrechter bij de behandeling van een klaagschrift, gericht tegen de inbeslagneming ter uitvoering van een EOB, geen onderzoek doet naar de gronden voor het uitvaardigen van het EOB, waarvan de uitvoering heeft geleid tot die inbeslagneming. De Duitse autoriteiten hebben daarbij verzocht om geheimhouding van het onderliggende onderzoek. Het EOB en de onderliggende stukken zijn daarom niet verstrekt aan de klager
De beklagrechter toetst evenmin de proportionaliteit van de inbeslagneming en van de daarop volgende overdracht van voorwerpen die het bewijsmateriaal vormen waarop het EOB betrekking heeft.
Het staat wel ter beoordeling aan de rechter of zich - gelet op de artikelen 5.4.3, 5.4.4 en 5.4.6 Sv - een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB, dan wel voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Daarnaast kan de beklagrechter in voorkomende gevallen ook beoordelen of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB, rechtmatig is toegepast. De rechter moet zich daarbij beperken tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Verweren die raken aan de rechtmatigheid van het voortduren van het beslag moeten, gelet op het beginsel van wederzijdse erkenning, door de rechter van de uitvoerende staat buiten beschouwing worden gelaten (vgl. ECLI:NL:HR:2021:1940).
Beoordeling
De rechtbank is bevoegd en de klager is ontvankelijk in het beklag.
Zoals hiervoor in het toetsingskader uiteen is gezet worden de goederen die in het kader van een EOB in beslag zijn genomen overgedragen aan de verzoekende autoriteit tenzij daarvoor beletselen zijn.
Een van de beletselen in de onderhavige zaak zou kunnen zijn dat er stukken in beslag zijn genomen die zouden kunnen vallen onder het verschoningsrecht. De rechter-commissaris heeft daartoe onderzoek verricht en daarover een beslissing genomen. De stukken waarover naar het oordeel van de rechter-commissaris, terecht een beroep is gedaan op het verschoningsrecht zijn teruggegeven aan klager en daarover zal de rechtbank dan ook geen beslissing meer nemen.
In de kern komt het klaagschrift erop neer dat de klager, als verschoningsgerechtigde, zich voor alle stukken beroept op zijn verschoningsrecht en dat de rechter-commissaris een onjuiste beslissing heeft genomen. De rechtbank stelt vast dat tegen de beslissing van de rechter-commissaris geen beroep is ingesteld door de verdediging. Het is niet aan de rechtbank om thans in de juistheid daarvan te treden. Deze beslissing is derhalve bij de beoordeling van het onderhavige klaagschrift voor de rechtbank een gegeven. De rechtbank merkt daarbij op dat de door de raadsman overgelegde jurisprudentie ziet op het beoordelingskader van de rechter-commissaris en derhalve bij de beoordeling van het onderhavige klaagschrift niet relevant lijkt te zijn.
Van overige beletselen om de in beslag genomen goederen over te dragen aan de Duitse autoriteiten is de rechtbank niet gebleken. Door de verdediging is hieromtrent ook niets aangevoerd.
Gelet op het bovenstaande dient het klaagschrift ongegrond verklaard te worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beklag ongegrond.”
4.8
In de toelichting op het middel wordt opgemerkt dat de rechtbank kennelijk van oordeel is dat het beklag van de klager niet (ook) ziet op de beslissing van de rechter-commissaris en dat de beslissing van de rechter-commissaris reeds onherroepelijk is op grond waarvan er niet meer gerespondeerd hoefde te worden op de verweren van de klager. Volgens de stellers van het middel geven die oordelen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn die oordelen niet begrijpelijk. Daarbij wordt een deelklacht opgeworpen die betrekking heeft op de aard en omvang van het klaagschrift ex art. 5.4.10 juncto art. 552a Sv en een deelklacht die ziet op de (on)herroepelijkheid van de beslissing als bedoeld in art. art. 98 Sv.
De eerste deelklacht
4.9
Betoogd wordt dat het er gelet op de inhoud van het klaagschrift - waarin expliciet wordt gesteld dat sprake is van geheimhoudersstukken - voor dient te worden gehouden dat namens de klager een klaagschrift als bedoeld in art. 5.4.10 in verbinding met art. 552a Sv is ingediend met het oog op de in art. 98 Sv bepaalde belangen. Het beklag richt zich volgens de stellers van het middel immers ook op de kennisneming van de stukken, waarmee het impliciet gericht is op de door de rechter-commissaris genomen beslissing. De onderhavige situatie zou de wetgever bij de totstandkoming van art. 98 lid 4 Sv onvoldoende voor ogen hebben gehad. Een andere reden die ervoor pleit om de beslissing van de rechter-commissaris onderwerp van het reeds op grond van art. 5.4.10 in verbinding met art. 552a Sv ingediende beklag te maken is volgens de stellers van het middel gelegen in de omstandigheid dat art. 552a Sv zich ook op het gebruik van de voorwerpen richt en bij geschriften het gebruik samenvalt met de kennisneming, waardoor in het onderhavige geval sprake is van een overlap. Kortom: een art. 552a Sv beklag waarin een beroep is gedaan op het verschoningsrecht om het gebruik te verhinderen kan (en hoort) gelijkgesteld (te) worden met een beklag gericht op kennisneming van diezelfde stukken. Ook om doelmatigheidsredenen ligt genoemde gelijkstelling voor de hand, omdat een opeenstapeling van procedures zijn doel voorbij schiet en het de Minister bij de invoering van art. 98, vierde lid, Sv juist te doen was om kortere termijnen te verbinden aan de procedure, waardoor opsporing en vervolging geen grote vertraging meer oplopen. Het onverkort vasthouden aan genoemde gescheiden (maar inhoudelijk verstrengelde) procedures zou juist vertraging in de hand werken. Gelet op het voorgaande zou het oordeel van de rechtbank dat het thans niet meer aan haar is om in de juistheid van de beslissing van de rechter-commissaris te treden getuigen van een onjuiste rechtsopvatting.
4.10
Met betrekking tot deze deelklacht merk ik op dat het in het onderhavige geval niet gaat om een art. 552a Sv-beklag waarin een beroep is gedaan op het verschoningsrecht om het gebruik van de in beslag genomen voorwerpen te verhinderen. Uit het onder 4.2 weergegeven klaagschrift blijkt dat het beklag zich richt tegen de inbeslagneming en dat het beroep op het verschoningsrecht verband houdt met de weigeringsgrond zoals weergegeven in art. 5.4.4, eerste lid, onder a, Sv. Daarop stuit deze deelklacht af.
4.11
Overigens merk ik op dat de rechtbank in raadkamer van 14 maart 2023 terecht heeft beslist dat de behandeling van het klaagschrift niet kon worden voortgezet vanwege de omstandigheid dat de rechter-commissaris nog geen beslissing als bedoeld in art. 98 Sv heeft kunnen nemen. Immers, indien vaststaat dat de klager met betrekking tot de inbeslaggenomen stukken zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen en de rechter-commissaris daarover (nog) niet heeft beslist, dient de behandeling van het klaagschrift te worden aangehouden en dient de zaak in handen van de rechter-commissaris te worden gesteld teneinde een beschikking te geven als bedoeld in art. 98, eerste lid, Sv.1.
De tweede deelklacht
4.12
Betoogd wordt dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een reeds onherroepelijke beslissing van de rechter-commissaris. De bewoordingen van de rechtbank, dat er geen beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechter-commissaris en het “thans” niet meer aan de rechtbank is om in de juistheid van die beslissing te treden, lezen de stellers van het middel zo dat daarin besloten ligt dat de rechtbank kennelijk van oordeel is dat dit op een eerder moment wel het geval had kunnen zijn, maar dat inmiddels deze beschikking van de rechter-commissaris “een gegeven” is. Dit zou onderstrepen dat de rechtbank het kennelijke oordeel is toegedaan dat geen beklag als bedoeld in art. 98, vierde lid, Sv meer kan worden ingesteld tegen de beslissing van de rechter-commissaris. Volgens de stellers van het middel wordt eraan voorbij gezien dat in het onderhavige geval geen betekening van de beschikking zoals bedoeld in art. 98, vierde lid, Sv heeft plaatsgevonden, zodat er ten tijde van de behandeling van het onderhavige klaagschrift nog beklag openstond. Daarbij wordt nog opgemerkt dat van een uitzondering als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 19 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1268 geen sprake is en daar overigens ook niets over is opgenomen. Tegen deze achtergrond zou het oordeel van de rechtbank dat de beslissing van de rechter-commissaris een gegeven was waarbij thans niet meer in de juistheid kon worden getreden van een onjuiste rechtsopvatting getuigen, althans onbegrijpelijk zijn. Volgens de stellers van het middel had de rechtbank alvorens een beslissing te nemen op het onderhavige klaagschrift ofwel de onherroepelijkheid van de beslissing van de rechter-commissaris af moeten wachten ofwel had inhoudelijk gerespondeerd moeten worden op de namens de klager naar voren gebrachte verweren. De enkele overweging van de rechtbank dat de overgelegde jurisprudentie niet relevant lijkt te zijn is daartoe in elk geval onvoldoende.
4.13
In de aanvullende toelichting op het middel wordt met betrekking tot deze deelklacht nog aangevoerd dat uit de aan het dossier toegevoegde stukken blijkt dat geen enkel stuk aan het adres van de klager is gezonden. Er is uitsluitend correspondentie waaruit volgt dat de beschikking van de rechter-commissaris op 3 april 2023 per e-mail aan de raadsman van de klager is gezonden. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 19 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM0781 wordt betoogd dat een dergelijke uitreiking aan het kantooradres van de raadsman niet als een rechtsgeldige betekening kan worden aangemerkt. Volgens de stellers van het middel moet het er dan ook voor worden gehouden dat de beschikking niet betekend is aan de klager. Nu de in art. 98, vierde lid, Sv genoemde termijn aanvangt op het moment van betekening dient het er voorts voor te worden gehouden dat de daarin bepaalde termijn van veertien dagen nog geen aanvang had genomen, althans niet was verstreken ten tijde van de onderhavige beschikking. Verder wordt nog opgemerkt dat uit de stukken evenmin kan worden afgeleid dat de klager kennis heeft genomen van de (inhoud van de) beschikking, althans blijkt niet op welk moment de beschikking de klager heeft bereikt.
4.14
Bij de beoordeling van deze deelklacht zijn de volgende bepalingen van belang:
- Artikel 98 Sv
“1. Bij personen met bevoegdheid tot verschooning, als bedoeld bij de artikelen 218 en 218a, worden, tenzij met hunne toestemming, niet in beslag genomen brieven of andere geschriften, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt. De rechter-commissaris is bevoegd ter zake te beslissen.
2. Indien de persoon met bevoegdheid tot verschoning bezwaar maakt tegen de inbeslagneming van brieven of andere geschriften omdat zijn plicht tot geheimhouding zich daartoe uitstrekt, wordt niet tot kennisneming overgegaan dan nadat de rechter-commissaris daarover heeft bepaald.
3. De rechter-commissaris die beslist dat inbeslagneming is toegestaan, deelt de persoon met bevoegdheid tot verschoning mede dat tegen zijn beslissing beklag open staat bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd en tevens dat niet tot kennisneming wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag is beslist.
4. Tegen de beschikking van de rechter-commissaris kan de persoon met bevoegdheid tot verschoning binnen veertien dagen na de betekening daarvan een klaagschrift indienen bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd. Artikel 552a is van toepassing.
5. Een doorzoeking vindt bij zodanige personen, tenzij met hun toestemming, alleen plaats voor zover het zonder schending van het stands-, beroeps- of ambtsgeheim kan geschieden, en strekt zich niet uit tot andere brieven of geschriften dan die welke het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan gediend hebben.
6. De rechter-commissaris kan zich bij de beoordeling van de aannemelijkheid van het beroep van de verschoningsgerechtigde op zijn geheimhoudingsplicht laten voorlichten door een vertegenwoordiger van de beroepsgroep waartoe de verschoningsgerechtigde behoort.”
- Artikel 552d, eerste lid, Sv
“Een beschikking ingevolge artikel 552a, 552ab of 552b wordt onverwijld aan de klager betekend.”
4.15
Blijkens de inhoud van de onder 4.6 weergegeven pleitnota heeft de raadsman van de klager in raadkamer onder meer betoogd dat de interpretatie zoals gehanteerd door de rechter-commissaris (ik begrijp: in zijn beschikking van 3 april 2023) te strikt is waar het gaat over de geheimhoudersstukken. Blijkens de bestreden beschikking heeft de rechtbank geoordeeld dat het thans niet aan haar is om in de juistheid van deze beslissing van de rechter-commissaris te treden, omdat daartegen geen beroep is ingesteld. De rechtbank beschouwt deze beslissing bij de beoordeling van het beklag daarom als een gegeven. Met de stellers van het middel meen ik dat in genoemde overwegingen besloten ligt dat volgens de rechtbank de beslissing van de rechter-commissaris ten tijde van de beoordeling van het beklag reeds onherroepelijk - en daarmee ontastbaar - was. Daarbij merk ik op dat uit het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 11 juli 2023, zoals weergegeven onder 4.5, niet blijkt dat naar aanleiding van het door de raadsman ingenomen standpunt de betekening van de beschikking aan de orde is gesteld.
4.16
Ingevolge art. 98, vierde lid, Sv kan de verschoningsgerechtigde tegen de beschikking van de rechter-commissaris op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift indienen bij de rechtbank. Het klaagschrift moet binnen veertien dagen na de betekening van de beschikking aan de verschoningsgerechtigde worden ingediend. Het aanvangsmoment van genoemde termijn ligt derhalve bij het moment waarop de betekening van de beschikking aan de verschoningsgerechtigde heeft plaatsgevonden. Het wetboek kent in dit verband geen regeling waarbij de termijn aanvangt nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat genoemde beschikking de verschoningsgerechtigde bekend is.2.
4.17
Op de betekening van een beschikking als bedoeld in art. 98 Sv zijn de voorschriften van art. 36a e.v. Sv van toepassing. Ingevolge art. 36b, tweede lid, Sv geschiedt betekening van een gerechtelijke mededeling door middel van uitreiking of elektronische overdracht, op de bij de wet voorziene wijze.
4.18
Door de stellers van het middel zijn de betekeningsstukken van de beschikking van 3 april 2023 tijdig opgevraagd bij de rolraadsheer. Aan betrokkenen is teruggekoppeld dat de stukken niet zijn aangetroffen in het op de voet van art. 434 Sv aan de Hoge Raad toegestuurde dossier. Naar aanleiding daarvan heeft de Hoge Raad informatie ingewonnen bij de rechtbank Limburg. De rechtbank heeft aangegeven dat deze stukken niet aanwezig zijn. Wel heeft de rechtbank een mailwisseling toegestuurd waaruit blijkt dat de beslissing van de rechter-commissaris van 3 april 2023 op genoemde datum per mail is verstuurd aan de betrokken advocaat en de officier van justitie. Deze mailwisseling is in het digitale dossier van de Hoge Raad geplaatst.
4.19
Uit het voorgaande blijkt niet van een rechtsgeldige betekening van de beschikking van de rechter-commissaris van 3 april 20243., zodat er in cassatie uit van zal moeten worden uitgegaan dat een dergelijke betekening niet heeft plaatsgevonden. Dat betekent dat de termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel tegen de beschikking van de rechter-commissaris nog steeds niet is verstreken. Het kennelijke oordeel van de rechtbank dat die beschikking al wel onherroepelijk was is daarom niet begrijpelijk. De rechtbank had in verband met de nog openstaande beroepstermijn haar beslissing moeten aanhouden totdat die betekening voltooid was en (alsdan) duidelijk was geworden of er wellicht een beklag ex art. 522a Sv tegen de beslissing van de rechter-commissaris was ingediend. Die weg zal naar ik meen na terugwijzing door de Hoge Raad alsnog bewandeld moeten worden.
4.20
Het middel slaagt.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Limburg opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan en tot het aan de rechter-commissaris in die rechtbank in handen stellen van de stukken teneinde op de voet van art. 98, vierde lid, Sv de beschikking van 3 april 2023 aan de klager te betekenen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 27‑02‑2024
Vgl. bijv. HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1970, NJ 2021/378 (kennisgeving aan de beslagene a.b.i. art. 5.4.10 lid 1 Sv).
Beroepschrift 06‑11‑2023
INDIENING VIA DIGITAAL PORTAAL
De Edelhoogachtbare Heer/Vrouwe
Griffier van de Hoge Raad der Nederlanden
Sector Strafrecht
Postbus 20303
2500 EH 'S‑GRAVENHAGE
Datum | 6 november 2023 |
Onze referentie | D20230887 |
Uw referentie | 23/03721 Br |
Inzake | [klager] / Cassatie |
Aanvullende toelichting op het reeds ingediende cassatiemiddel
Edelhoogachtbare Heer/Vrouwe,
Graag vraag ik uw aandacht voor het volgende.
Ondergetekenden treden op als raadslieden van de heer [klager], geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] (Duitsland). Na indiening van het cassatiemiddel in de onderhavige zaak ontvingen wij de nadere stukken. Met het oog op de aard en inhoud van de stukken maken wij graag van de gelegenheid gebruik om een aanvullende toelichting op hetgeen in het middel reeds naar voren is gebracht te geven.
De betekeningsvoorschriften van art. 36a Sv tot en met art. 36n Sv zijn van toepassing op de betekening van de beschikking ex art. 98 Sv. Op grond van art. 36c lid 1 Sv wordt deze beschikking betekend. Op grond van art. 36b lid 2 Sv geschiedt betekening door middel van uitreiking of elektronische overdracht. De uitreiking aan degene van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschiedt op grond van art. 36e lid 3 Sv, door toezending van de beschikking, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. Toezending kan op grond van art. 36b lid 3 Sv plaatsvinden door aflevering van een gewone of aangetekende brief.
Uit de aan het dossier toegevoegde stukken volgt dat geen enkel stuk aan het adres van rekwirant is gezonden. Er is alleen correspondentie toegevoegd waaruit volgt dat de beschikking ex art. 98 Sv op 3 april 2023 per e-mail aan de raadsman van rekwirant is gezonden. Uit uw arrest van 19 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BM0781) r.o. 2.3. volgt echter dat een uitreiking aan het kantooradres van de raadsman niet als een rechtsgeldige betekening kan worden aangemerkt. Het moet er dan ook voor gehouden worden dat de beschikking niet betekend is aan rekwirant.
Aangezien de datum van betekening de aanvang van de in art. 98 lid 4 Sv genoemde termijn markeert, dient het er dan ook voor gehouden te worden dat de daarin bepaalde termijn van veertien dagen nog geen aanvang had genomen, althans niet verstreken was ten tijde van de beschikking. Het oordeel van de rechtbank dat uitgegaan dient te worden van de onherroepelijkheid van de beslissing van de rechter-commissaris is dan ook onjuist, dan wel onbegrijpelijk.
Hoewel rekwirant zich op het standpunt stelt dat de beschikking ex art. 98 Sv alleen onherroepelijk kan zijn indien deze op de juiste wijze is betekend én de termijn van veertien dagen vervolgens is verstreken1., hecht rekwirant er aan om, wellicht ten overvloede, naar voren te brengen dat uit de stukken van het geding evenmin kan worden afgeleid dat rekwirant kennis heeft genomen van de (inhoud van de) beschikking. Uit de e-mail van de raadsman van rekwirant van 13 april 2023 kan een dergelijke gevolgtrekking niet volgen. Er is daarin toegezegd dat er na overleg met cliënten bericht zal worden of een rechtsmiddel wordt aangewend. Een inhoudelijk bericht mist echter in de stukken van het geding en ook op een later moment ontbreekt een expliciet standpunt hieromtrent. Uit het proces-verbaal van 11 juli 2023 volgt verder alleen dat de raadsman gemachtigd is om in het kader van het beklag ex art. 5.4.10 jo. 552a Sv namens rekwirant op te treden, maar niet dat de beschikking ex art. 98 Sv rekwirant heeft bereikt.
Voor zover daar anders over wordt geoordeeld volgt daar niet uit op welk moment de beschikking rekwirant heeft bereikt, op grond waarvan in elk geval niet geoordeeld kan worden dat de beslissing ex art. 98 Sv onherroepelijk was en (dus) een gegeven was bij de beoordeling van het klaagschrift ex art 5.4.10 jo. 552a Sv.
Gelet op het voorgaande persisteert rekwirant bij hetgeen eerder naar voren is gebracht en verzoekt u het cassatiemiddel met inbegrip van deze aanvullende toelichting te beoordelen.
Deze aanvullende toelichting wordt ondertekend en ingediend door mr. T.H.L. Kneepkens en mr. M.D. Rijnsburger, kantoorhoudende aan het Valeriusplein 20 te (1075 BH) Amsterdam, die bij dezen verklaren (met het recht van substitutie) tot ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door rekwirant.
Hoogachtend,
uw dw.,
T.H.L. Kneepkens
M.D. Rijnsburger
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 06‑11‑2023
Uiteraard behoudens het geval dat namens (de) belanghebbende(n) afstand is gedaan van de mogelijkheid van het aanwenden van het rechtsmiddel.
Beroepschrift 17‑10‑2023
SCHRIFTUUR HOUDENDE ÉÉN MIDDEL VAN CASSATIE
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Geeft eerbiedig te kennen:
De heer [klager], geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] (Duitsland) (hierna: ‘rekwirant’), te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van zijn te dezen (met het recht van substitutie) uitdrukkelijk gevolmachtigde raadslieden, mr. T.H.L. Kneepkens en mr. M.D. Rijnsburger, kantoorhoudende aan het Valeriusplein 20 te (1075 BH) Amsterdam, verzoeker tot cassatie van de door de rechtbank Limburg gewezen beschikking van 11 juli 2023, waarbij het beklag op grond van art. 5.4.10 jo. art. 552a Sv ongegrond is verklaard, met welke beslissing en motivering rekwirant zich niet kan verenigen en daartoe het volgende middel van cassatie aanvoert:
Middel
I. Schending en/of verkeerde toepassing van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de naleving op straffe van nietigheid is voorgeschreven of de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen; in het bijzonder rust het oordeel dat niet meer in de juistheid van de beslissing van de rechter-commissaris kon worden getreden en (daarmee) de ongegrondverklaring op gronden die deze niet kunnen dragen, althans is de hiertoe aangedragen motivering onbegrijpelijk, nu het beklag ex art. 5.4.10 jo. 552a Sv mede was gericht op de beslissing van de rechter-commissaris en deze beslissing bovendien (nog) niet onherroepelijk was.
1.
In de onderhavige zaak is op 8 maart 2023 een klaagschrift ex art. 5.4.10 jo. 552a Sv ingediend waarbij door rekwirant expliciet een beroep is gedaan op diens verschoningsrecht. Bij de behandeling van het klaagschrift ter zitting op 14 maart 2023 is op grond van dit door rekwirant gedane beroep de behandeling ter zitting aangehouden teneinde eerst door de rechter-commissaris een beslissing op grond van art. 98 Sv te laten nemen. Die beslissing is op 3 april 2023 door de rechter-commissaris genomen. Na deze beslissing is de behandeling van het op 8 maart 2023 ingediende klaagschrift hervat. De raadkamer heeft daarop vervolgens, voor zover relevant, als volgt beslist:
‘Een van de beletselen in de onderhavige zaak zou kunnen zijn dat er stukken in beslag zijn genomen die zouden kunnen vallen onder het verschoningsrecht. De rechter-commissaris heeft daartoe onderzoek verricht en daarover een beslissing genomen. De stukken waarover naar het oordeel van de rechter-commissaris, terecht een beroep is gedaan op het verschoningsrecht zijn teruggegeven aan klager en daarover zal de rechtbank dan ook geen beslissing meer nemen.
In de kern komt het klaagschrift erop neer dat de klager, als verschoningsgerechtigde, zich voor alle stukken beroept op zijn verschoningsrecht en dat de rechter-commissaris een onjuiste beslissing heeft genomen. De rechtbank stelt vast dat tegen de beslissing van de rechter-commissaris geen beroep is ingesteld door de verdediging. Het is niet aan de rechtbank om thans in de juistheid daarvan te treden. Deze beslissing is derhalve bij de beoordeling van het onderhavige klaagschrift voor de rechtbank een gegeven. De rechtbank merkt daarbij op dat de door de raadsman overgelegde jurisprudentie ziet op het beoordelingskader van de rechter-commissaris en derhalve bij de beoordeling van het onderhavige klaagschrift niet relevant lijkt te zijn.’
2.
Kennelijk is de rechtbank van oordeel dat i) het beklag van rekwirant niet (ook) ziet op de beslissing van de rechter-commissaris en ii) dat de beslissing van de rechter-commissaris reeds onherroepelijk is op grond waarvan er niet meer gerespondeerd hoefde te worden op de verweren van rekwirant.1. Naar het oordeel van rekwirant geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel niet begrijpelijk.
3.
In het navolgende zal eerst stilgestaan worden bij de eerste deelklacht aangaande de aard en omvang van het klaagschrift ex art. 5.4.10 jo. 552a Sv en vervolgens bij de tweede deelklacht aangaande de (on)herroepelijkheid van de beslissing ex art. 98 Sv.
Deelklacht 1
4.
Primair meent rekwirant dat zijn beklag ook ziet op de beslissing van de rechter-commissaris van 3 april 2023. Gelet op de inhoud van het klaagschrift, waarin expliciet wordt gesteld dat sprake is van geheimhoudersstukken, dient het er dan ook voor gehouden te worden dat namens rekwirant een klaagschrift ex art. 5.4.10 jo. 552a Sv is ingediend met het oog op de in art. 98 Sv bepaalde belangen. Het beklag ex art. 5.4.10 jo. 552a Sv richt zich immers óók op de kennisneming2. waarmee het impliciet gericht is op de door de rechter-commissaris genomen beslissing.
5.
Naar het rekwirant voorkomt heeft de wetgever bij de totstandkoming van artikel 98 lid 4 Sv de onderhavige situatie niet, althans onvoldoende, voor ogen gehad. In casu heeft rekwirant direct kenbaar gemaakt dat de inbeslaggenomen goederen onder diens verschoningsrecht vielen, op grond waarvan teruggave (en dus het verhinderen van kennisneming) is verzocht. In het kader van dit verweer is door de raadkamer op 14 maart 2023 bepaald dat de stukken in handen van de rechter-commissaris dienden te worden gesteld. Op grond van bestendige rechtspraak wordt door de rechter-commissaris eerst een beslissing ex art. 98 Sv genomen, waarna de behandeling ter zitting van het reeds ingediende klaagschrift ex art. 5.4.10 jo. 552a Sv wordt hervat. Naar het rekwirant voorkomt is de beslissing van de rechter-commissaris in dat geval onderwerp van het reeds ingediende beklag ex art. 5.4.10 jo. 552a Sv.
6.
Daar kan uiteraard tegenin worden gebracht dat uit de bewoordingen van art. 98 lid 4 Sv volgt dat bezwaar kan worden gemaakt tegen de kennisneming en dat bovendien de beschikking niet evident onder het bereik van art. 552a Sv valt. Art. 552a Sv richt zich echter ook op het gebruik van de voorwerpen en bij geschriften valt het gebruik samen met de kennisneming waardoor in een geval als de onderhavige sprake is van een overlap. Met andere woorden: het beklag ex art. 552a Sv waarin een beroep is gedaan op het verschoningsrecht om het gebruik te verhinderen kan (en hoort) gelijkgesteld te worden met een beklag gericht op de kennisneming van diezelfde stukken.
7.
Ook doelmatigheidsoverwegingen pleiten voor een dergelijke opvatting. De rechtbank heeft de stukken in handen gesteld van de rechter-commissaris om later, met inachtneming van de beslissing ex art. 98 Sv van de rechter-commissaris, de behandeling te hervatten. Indien in dat geval eerst een aparte door de verschoningsgerechtigde geëntameerde beklagprocedure ex art. 98 lid 4 Sv dient te worden afgewacht alvorens een ook door diezelfde verschoningsgerechtigde reeds aangevangen beklagprocedure ex art. 5.4.10 jo. 552a Sv waarin eenzelfde beroep is gedaan op het verschoningsrecht voort te zetten en te beslechten, schiet deze opeenstapeling van procedures zijn doel juist voorbij. Bij de invoering van art. 98 lid 4 Sv was het de minister juist te doen om kortere termijnen te verbinden aan de procedure, waardoor opsporing en vervolging geen grote vertraging meer oplopen. Door onverkort vast te houden aan deze gescheiden (maar inhoudelijk verstrengelde) procedures wordt juist vertraging in de hand gewerkt.
8.
Het is tegen deze achtergrond dat geoordeeld dient te worden dat het beroep ex art. 5.4.10 jo. 552a Sv ook ziet op een gedurende die procedure door de rechter-commissaris genomen beslissing ex art. 98 Sv.
9.
Gelet op het vorenstaande getuigt het oordeel van de rechtbank dat het thans niet meer aan de rechtbank is om in de juistheid van de beslissing van de rechter-commissaris te treden van een onjuiste rechtsopvatting, tegen welke achtergrond de beschikking niet in stand kan blijven.
Deelklacht 2
10.
Subsidiair meent klager dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een reeds onherroepelijke beslissing van de rechter-commissaris. De rechtbank heeft vooropgesteld dat geen beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechter-commissaris, waarna is geoordeeld dat het ‘thans’ niet meer aan de rechtbank is om in de juistheid van die beslissing te treden. Gelet op deze bewoordingen is de rechtbank kennelijk van oordeel dat dit op een eerder moment wel het geval had kunnen zijn, maar dat inmiddels deze beschikking ‘een gegeven’ is. Dit onderstreept dat de rechtbank kennelijk het oordeel is toegedaan dat geen beklag ex art. 98 lid 4 Sv meer kon worden ingesteld tegen de beslissing van de rechter-commissaris.
11.
Op grond van art. 98 lid 4 Sv kan de persoon met bevoegdheid tot verschoning binnen veertien dagen na betekening van de beschikking van de rechter-commissaris een klaagschrift indienen bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd. Uit de wet volgt aldus ondubbelzinnig dat de betekening is voorgeschreven, waarbij de termijn om een rechtsmiddel aan te wenden na die betekening aanvangt.
12.
Dit volgt ook uit de rechtspraak. In de uitspraak van de Hoge Raad van 16 mei 2020 is in r.o. 4.2.3 het volgende overwogen (onderstreping MR/TK):
‘Beslist de rechter-commissaris dat de inbeslagneming (of, indien het gaat om gegevens, de kennisneming) is toegestaan, dan dient gehandeld te worden zoals in artikel 98 lid 3 Sv is bepaald. De beschikking van de rechter-commissaris zal aan de betrokken verschoningsgerechtigde moeten worden betekend, onder mededeling dat deze binnen veertien dagen tegen deze beschikking een klaagschrift kan indienen bij een in die mededeling aangeduid gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd en tevens dat niet tot kennisneming van de stukken of gegevens wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag van de verschoningsgerechtigde is beslist.’
13.
In de uitspraak van 19 september 20233. is dit oordeel in r.o. 5.3.4 herhaald. In die uitspraak is daarnaast geoordeeld dat een uitzondering op die regel mogelijk is, zij het dat alleen wordt benoemd dat dit mogelijk is als blijkt dat het — na afweging van belangen -redelijkerwijs niet mogelijk is geweest de verschoningsgerechtigde op de hoogte te stellen. Daar is in dit geval geen sprake van en overigens ook niets over opgenomen.
14.
In casu heeft de betekening van de beschikking ex art. 98 Sv niet plaatsgevonden, op grond waarvan geconcludeerd dient te worden dat ten tijde van de behandeling van het klaagschrift ex art. 5.4.10 jo. 552a Sv nog beklag openstond. Tegen die achtergrond getuigt het oordeel van de rechtbank dat de beslissing van de rechter-commissaris een gegeven was waarbij thans niet meer in de juistheid kon worden getreden van een onjuiste rechtsopvatting, althans deze beslissing is onbegrijpelijk.
15.
Alvorens een beslissing te nemen op het klaagschrift ex art. 5.4.10 jo. 552a Sv had ofwel de onherroepelijkheid van de beslissing van de rechter-commissaris afgewacht dienen te worden ofwel had inhoudelijk gerespondeerd dienen te worden op de namens rekwirant naar voren gebrachte verweren4. Nu dit niet is gebeurd meent rekwirant dat de beslissing tot ongegrondverklaring van het beklag tegen de achtergrond van hetgeen namens rekwirant naar voren is gebracht blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel dat deze onvoldoende gemotiveerd, dan wel onbegrijpelijk is. Tegen deze achtergrond kan de beschikking niet in stand blijven.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. T.H.L. Kneepkens en mr. M.D. Rijnsburger, kantoorhoudende aan het Valeriusplein 20 te (1075 BH) Amsterdam, die bij dezen verklaren (met het recht van substitutie) tot ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door rekwirant.
Amsterdam, 17 oktober 2023
mr. T.H.L. Kneepkens
mr. M.D. Rijnsburger
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 17‑10‑2023
Uit het gebruik van het woord ‘thans’ lijkt te volgen dat dit op een eerder moment wel zo had kunnen zijn, waarbij het aanduiden van deze beslissing als ‘een gegeven’ ook lijkt te wijzen op een reeds onherroepelijke beslissing.
Vgl. M.J. Borgers en T. Kooijmans, ‘Het wetsvoorstel verruiming mogelijkheden bestrijding financieel economische criminaliteit’, DD 2013/55 waarin wordt geconcludeerd dat het bepaalde in art. 94 lid 3 in ‘minder gelukkige bewoordingen’ tot uitdrukking beoogt te brengen dat het indienen van een klaagschrift in situaties waar het wetsvoorstel het oog heeft is gebonden aan een termijn van veertien dagen.
HR 19 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1268
De enkele opmerking dat de overgelegde jurisprudentie niet relevant lijkt te zijn is daarvoor in elk geval onvoldoende.