Vertaling door NEOSCAN en de heer [verweerder 2]: ‘Geachte mevrouw of heer, op [datum vonnis] heeft de ondernemingsrechtbank Antwerpen, Afdeling Antwerpen de vorderingen van BRUKER tegen [verweerder 2] en NEOSCAN afgewezen. De Rechtbank oordeelde dat onze brieven aan u en andere klanten in verband met de procedure de reputatie van [verweerder 2] en NEOSCAN onrechtmatig schaden. BRUKER werd bevolen om een correctie te versturen naar alle ontvangers van onze brief. Hoogachtend, BRUKER NV’ (conclusies, p. 53, nr 157).
Ondernemingsrechtbank Antwerpen, 10-11-2021, nr. A/21/1013
A/21/1013
- Instantie
Ondernemingsrechtbank Antwerpen
- Datum
10-11-2021
- Magistraten
Mr. F. Blockx
- Zaaknummer
A/21/1013
- Vakgebied(en)
Informatierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Uitspraak, Ondernemingsrechtbank Antwerpen, 10‑11‑2021
Uitspraak 10‑11‑2021
Mr. F. Blockx
Partij(en)
de NV BRUKER BELGIUM,
waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 2550 Kontich, Kartuizerweg 3B, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0408.225.983,
eisende partij, vertegenwoordigd door mr Renaud DUPONT, mr FLORENCE VAN DAMME en mr Lisbeth DEPYPERE, advocaten, met kantoor te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Terhulpsesteenweg 178, voor wie ter zitting mr DEPYPERE en mr VAN DAMME verschijnen,
TEGEN
de BV NEOSCAN,
waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 2800 Mechelen, Wayenborgstraat 3, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0724.587.624,
de heer [verweerder 2],
wonende te [postcode] [woonplaats], [adres], ingeschreven in het rijksregister onder het nummer [001],
verwerende partij, vertegenwoordigd door mr Kristof NEEFS en mr Stéphanie de POTTER, advocaten, met kantoor te 2800 Mechelen, Brusselseportstraat 6.
I. Situering van het geschil
De verwerende partij, de heer [verweerder 2], was oprichter van de eisende partij, de NV BRUKER BELGIUM (onder de naam SKYSCAN). Zij ontwikkelen microtomografietoestellen.
Na overname van SKYSCAN door BRUKER bleef de heer [verweerder 2] nog tot 2019 voor de onderneming, waarna hij deze verliet en de verwerende partij BV NEOSCAN oprichtte.
Nu stelt SKYSCAN dat NEOSCAN en de heer [verweerder 2] auteursrechten, bedrijfsgeheimen en recht als producenten van databanken hebben geschonden bij het ontwikkelen en op de markt brengen van hun eigen microtomografietoestellen.
II. Procedureverloop
Bruker heeft het geding ingeleid bij dagvaarding betekend op 4 maart 2021.
Bij beschikking gewezen op 17 maart 2021 werd aan partijen krachtens artikel 747, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek akte gegeven van de conclusietermijnen die zij waren overeengekomen.
De zaak werd door een beschikking gewezen op 6 oktober 2021vastgesteld en in beraad genomen op de openbare zitting van 13 oktober 2021 nadat de raadslieden van partijen werden gehoord.
Het onderwerp van de vordering wordt uitsluitend bepaald door de syntheseconclusies. De rechtbank hield bij de beoordeling van het geschil dan ook rekening met:
- —
de syntheseconclusie neergelegd op 16 augustus 2021 en de stukken neergelegd op 6 oktober 2021 door BRUKER,
- —
de syntheseconclusie neergelegd op 16 september 2021 en de stukken neergelegd op 12 oktober 2021 door NEOSCAN en de heer [verweerder 2].
In deze procedure werd de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken nageleefd.
III. De vorderingen
De vordering van BRUKER strekt ertoe
- —
te horen vaststellen dat NEOSCAN of de heer [verweerder 2] de volgende auteursrechtelijke inbreuken plegen:
- —
een inbreuk op het auteursrecht van BRUKER op de in de SkyScan-systemen geïntegreerde software, inclusief hun doorontwikkelingen, in de zin van artikel XI.298 van het Wetboek Economisch Recht, door (een deel van) het computerprogramma van Bruker te reproduceren in de NEOSCAN-Systemen en op externe gegevensdragers van de heer [verweerder 2] of NEOSCAN en door de NEOSCAN-Systemen te commercialiseren
- —
een inbreuk op het auteursrecht van BRUKER op de technische tekeningen en vormgeving van de hardware van de SkyScan-systemen, inclusief hun doorontwikkelingen, in de zin van artikel XI.165 WER, door (een deel van) de technische tekeningen en de vormgeving van SkyScan-systemen te reproduceren in de NEOSCAN-systemen en op externe gegevensdragers van de heer [verweerder 2] of NEOSCAN, en door de NEOSCAN-Systemen te commercialiseren
- —
een inbreuk op het auteursrecht van BRUKER op gerelateerde documenten, in de zin van artikel XI.165 WER, door deze documenten te reproduceren op externe gegevensdragers van de heer [verweerder 2] of NEOSCAN
- —
te horen vaststellen dat NEOSCAN of de heer [verweerder 2] de volgende inbreuken plegen i.v.m. de bedrijfsgeheimen van BRUKER in de zin van artikel XI.332/4 WER:
- —
het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken van bedrijfsgeheimen van BRUKER door de heer [verweerder 2], door bedrijfsgeheimen van BRUKER, te weten geheime broncodebestanden, technische tekeningen en minstens één PCM-overzicht van BRUKER zoals vastgesteld in het deskundigenverslag van 2 februari 2021, te kopiëren, gebruiken en openbaar te maken om inbreukmakende goederen (de NEOSCAN-Systemen) te ontwikkelen, in strijd met zijn contractuele vertrouwelijkheidsverplichting;
- —
het onrechtmatig verkrijgen en gebruiken van bedrijfsgeheimen van BRUKER door NEOSCAN, doordat NEOSCAN wist dat de heer [verweerder 2] bedrijfsgeheimen van BRUKER, te weten geheime broncodebestanden, technische tekeningen en minstens één PCM-overzicht zoals vastgesteld in het deskundigenverslag van 2 februari 2021, onrechtmatig verkreeg, gebruikte en openbaar maakte, in strijd met zijn contractuele vertrouwelijkheidsverplichting;
- —
het onrechtmatig gebruiken van bedrijfsgeheimen van BRUKER, te weten geheime broncodebestanden, technische tekeningen en minstens één PCM-overzicht zoals vastgesteld in het deskundigenverslag van 2 februari 2021 door NEOSCAN en de heer [verweerder 2], door het produceren, aanbieden en in de handel brengen van inbreukmakende goederen die aanzienlijk baat hebben bij de bedrijfsgeheimen van BRUKER die onrechtmatig zijn verkregen, gebruikt en openbaar gemaakt.
- —
te horen vaststellen dat NEOSCAN of de heer [verweerder 2] inbreuk plegen op het sui generis databankenrecht van BRUKER, in de zin van artikel XI.307 WER, door een substantieel deel van de inhoud van de databanken (PCM-overzichten) van BRUKER te hergebruiken of te reproduceren op externe gegevensdragers van de heer [verweerder 2] of NEOSCAN
- —
de volgende maatregelen te horen bevelen, telkens onder verbeurte van een dwangsom:
- —
de staking van deze inbreuken
- —
het verbod om deze inbreukmakende goederen te produceren, aan te bieden, in de handel te brengen of te gebruiken, of om deze inbreukmakende goederen voor deze doeleinden in te voeren, uit te voeren of op te slaan
- —
de terugroeping en definitieve verwijdering uit het handelsverkeer van de vervaardigde inbreukmakende goederen (inclusief software)
- —
de resterende bestanden met bedrijfsgeheimen van BRUKER definitief te verwijderen van de computer [computer 1] evenals van iedere andere drager van NEOSCAN of de heer [verweerder 2].
NEOSCAN en de heer [verweerder 2] formuleren een tegenvordering opdat de rechtbank
- —
zou vaststellen vast dat de mededelingen aan derden van of op instructie van BRUKER over de beweerde inbreuk op haar rechten door NEOSCAN en de heer [verweerder 2] een oneerlijke handelspraktijk zijn die NEOSCAN en de heer [verweerder 2] schade toebrengen of kunnen toebrengen in strijd met artikel VI.104 WER
- —
BRUKER zou worden verboden om, al dan niet via een derde, ten aanzien van derden te beweren of suggereren dat de producten van NEOSCAN inbreuk maken op intellectuele eigendomsrechten van BRUKER zonder dat een rechter zich daarover ten gronde heeft uitgesproken, onder verbeurte van een dwangsom
BRUKER zou worden bevolen om NEOSCAN een volledige lijst te bezorgen van alle ontvangers van berichten over deze procedure, onder verbeurte van een dwangsom
- —
BRUKER zou worden bevolen om volgend bericht te sturen naar alle ontvangers van brieven of andere berichten over deze procedure en om de advocaten van NEOSCAN een kopie te bezorgen van die berichten, onder verbeurte van een dwangsom:
Dear Madam or Sir,
On [datum vonnis], the Antwerp enterprise court has rejected BRUKER's claims against [verweerder 2] and NEOSCAN. The Court further decided that our letters to you and other customers in relation to the proceedings unlawfully harmed the reputation of [verweerder 2] and NEOSCAN. BRUKER was ordered to issue a correction to all recipients of our letter.
Sincerely yours,
BRUKER NV1.
- —
vaststellen dat BRUKER procesrechtsmisbruik heeft gepleegd door de rechtbank onjuiste informatie te geven in haar verzoekschrift beslag inzake namaak van 25 mei 2020.
IV. Beoordeling
A. Voorafgaande opmerking
1.
Krachtens artikel 744, 3o van het Gerechtelijk Wetboek moet de conclusie de middelen die worden ingeroepen ter ondersteuning van de vordering of het verweer bevatten, waarbij in voorkomend geval verschillende middelen genummerd worden en hun voordracht in hoofdorde of in ondergeschikte orde wordt vermeld. De wetgever heeft hierbij de bal in het kamp van partijen willen leggen en door hen te verplichten keuzes te maken over welke argumenten zij effectief als ‘middel’ opwerpen en welke enkel ter ondersteuning of illustratie voorkomen, en deze keuzes duidelijk aan de rechtbank mee te delen.
2.
Nu de conclusies van BRUKER deze systematiek niet hanteert — het logisch structureren en nummeren van titels is niet hetzelfde als het duidelijk afbakenen van middelen — moet de rechtbank er krachtens artikel 780, lid 1, 3o van het Gerechtelijk Wetboek strikt genomen niet op antwoorden (zie Cass. 14 oktober 2020, C.19.607.F en Parl. st. Kamer 54-1219/1, Wetsontwerp, pp. 9–12, 19, 130–132 (nr 4.3) en 54-1219/5, verslag Miller en Smeyers, pp. 6, 41, 50, 73–74, 76–77, 142 en 170). Aan de motiveringsplicht die volgt uit artikel 149 van de Grondwet is dan ook voldaan door de redenen aan te geven die de beslissing schragen. Partijen, die allebei worden bijgestaan door een raadsman, hebben voldoende de gelegenheid gehad om zich aan deze regels te conformeren zodat hun recht op een eerlijk proces dat volgt uit artikel 6 van het EVRM niet in het gedrang komt.
B. De hoofdvordering
1. De auteursrechten
a. De auteursrechten op software
3.
In eerste orde meent BRUKER dat NEOSCAN of de heer [verweerder 2] inbreuken plegen op de auteursrechten die zij kan laten gelden op de besturingssoftware van het SkyScan-systeem. Zij verwijst daarbij naar de vaststellingen van de gerechtsdeskundige aangesteld naar aanleiding van het beslag inzake namaak dat zij heeft laten uitvoeren, volgens wie een vijftiental delen van de code (in C++) letterlijk zouden zijn gekopieerd, soms met identieke commentaarregels.
BRUKER stelt, evenwel met verwijzing naar verouderde rechtspraak2. en rechtsleer3., dat voor een auteursrechtelijke inbreuk op software het ‘hiervoor voldoende is dat het programma, om beschermd te worden, gemaakt is door een auteur en het resultaat is van zijn eigen persoonlijke intellectuele inspanningen en als dusdanig geen kopie is van een ander programma’. Deze stelling is op minstens twee vlakken verkeerd: een intellectuele inspanning is onvoldoende om tot auteursrechtelijke bescherming te leiden, en een loutere kopiename brengt dan ook niet noodzakelijke een inbreuk met zich mee.
Het past dan ook de relevante principes in herhaling te brengen.
4.
Krachtens artikel XI.295 van het Wetboek Economisch Recht geniet een computerprogramma bescherming indien het oorspronkelijk is in die zin, dat het een eigen intellectuele schepping van de auteur is. Om te bepalen of het programma voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt, mogen geen andere criteria worden aangelegd.
De bescherming overeenkomstig deze titel wordt verleend aan de uitdrukkingswijze, in welke vorm ook, van een computerprogramma. De ideeën en beginselen die aan enig element van een computerprogramma ten grondslag liggen, met inbegrip van de ideeën en beginselen die aan de interfaces daarvan ten grondslag liggen, worden niet auteursrechtelijk beschermd.
5.
Het begrip originaliteit, dat tot auteursrechtelijke bescherming kan leiden, is geharmoniseerd in de EU. Hieruit volgt dat dit begrip dezelfde inhoud heeft wat betreft auteursrecht op software, als in het ‘algemene’ auteursrecht.4.
Dit blijkt evenzeer uit artikel XI.294, krachtens hetwelk overeenkomstig het bepaalde in Richtlijn 91/250/EEG van de Raad van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's (thans Richtlijn 2009/24/EG) computerprogramma's, het voorbereidend materiaal daaronder begrepen, auteursrechtelijk worden beschermd en gelijkgesteld met werken van letterkunde in de zin van de Berner Conventie.
6.
Krachtens artikel XI.165, § 1 van het Wetboek Economisch Recht heeft alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst het recht om het op welke wijze of in welke vorm ook, direct of indirect, tijdelijk of duurzaam, volledig of gedeeltelijk te reproduceren of te laten reproduceren.
De bescherming die de auteur geniet geldt evenwel slechts met betrekking tot materiaal dat oorspronkelijk is in die zin dat het gaat om een eigen intellectuele schepping van de auteur ervan.5.
Een intellectuele schepping is een eigen schepping van de auteur wanneer zij de uitdrukking vormt van diens persoonlijkheid. Dat is het geval wanneer de auteur bij het maken van het werk zijn creatieve bekwaamheden tot uiting heeft kunnen brengen door het maken van vrije en creatieve keuzen.6.
Aan dit oorspronkelijkheidscriterium is voldaan wanneer de maker ervan zijn creatieve vaardigheden op een originele manier tot uiting heeft kunnen brengen door het maken van vrije en creatieve keuzes en zo in staat is zijn werk een ‘persoonlijke noot’ te geven.7.
Intellectuele inspanningen en deskundigheid van de auteur blijven buiten beschouwing bij het beoordelen van de vraag of het werk in aanmerking komt voor auteursrechtelijke bescherming.8.
Aan het oorspronkelijkheidscriterium is echter niet voldaan wanneer de uitdrukking van deze onderdelen door hun technische functie wordt bepaald, aangezien de verschillende manieren om een idee uit te voeren dan zodanig beperkt zijn dat het idee samenvalt met de uitdrukking ervan.9.
7.
Krachtens artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek moet iedere partij het bewijs leveren van de feiten die zij aanvoert. Op de titularis van auteursrechtelijke bescherming rust dan ook een stelplicht. Indien — zoals hier het geval is — de originaliteit van het werk in kwestie betwist wordt, moet deze partij de originaliteit aantonen en duidelijk maken welke elementen van het werk origineel zijn omdat zij de uitdrukking vormen van de persoonlijkheid van de auteur, dus waarop hij zijn creatieve bekwaamheden tot uiting heeft kunnen brengen door het maken van vrije en creatieve keuzen.10.
Zij moet daarenboven aantonen dat deze keuzes niet het gevolg zijn van technische functies.
Om vast te stellen of het betrokken product onder de auteursrechtelijke bescherming valt, moet worden nagegaan of de auteur van het product door deze keuze van de verschijningsvorm ervan zijn creatieve vermogen op originele wijze tot uitdrukking heeft gebracht door vrije en creatieve keuzen te maken en het product zodanig heeft vormgegeven dat het zijn persoonlijkheid weerspiegelt.11.
In dit verband, en gezien het feit dat alleen de oorspronkelijkheid van het betrokken product moet worden beoordeeld, wijst het bestaan van andere mogelijke verschijningsvormen waarmee hetzelfde technische resultaat kan worden bereikt, weliswaar erop dat er keuzemogelijkheden zijn, doch dit is niet doorslaggevend voor de beoordeling van de factoren die de keuze van de maker hebben beïnvloed. Ook de wil van de vermeende inbreukmaker is bij die beoordeling irrelevant.12.
8.
Artikel XI.170, lid 1 van het Wetboek Economisch Recht bepaalt dat de oorspronkelijke rechthebbende de natuurlijke persoon is die het werk heeft gecreëerd. Hieruit vloeit voort dat een rechtspersoon nooit van bij het begin auteursrechthebbende kan zijn.
BRUEKER vermeldt niet, noch toont aan welke natuurlijke persoon (of personen) de software in kwestie heeft (hebben) geschreven. Daarom kan niet worden vastgesteld dat de vrije en creatieve keuzes van de (niet geïdentificeerde) auteur diens persoonlijkheid in het werk weerspiegelen.13.
Zij toont evenmin aan krachtens welke titel zij als rechthebbende zou op treden. De vordering — in zoverre gebaseerd op vermeende auteursrechten op de bewuste software — is reeds om die reden ongegrond.14.
9.
De rechtbank stelt vast dat BRUKER niet aantoont dat de softwarefragmenten die de deskundige als gekopieerd heeft aangemerkt, origineel zijn. Niet elke softwarecode vloeit immers voort uit vrije en creatieve keuzes, laat staan dat het een weerspiegeling van de persoonlijkheid van de auteur zou zijn.
Vooreerst zouden inderdaad persoonlijke keuzes moeten worden geïdentificeerd. Verder moet blijken dat deze niet voortvloeien uit technische beperkingen, met andere woorden dat deze keuzes inderdaad vrij zijn en niet werden ingegeven door externe elementen, zoals bijvoorbeeld van technische aard. Tenslotte moet dan worden aangetoond dat deze vrije en creatieve keuzes de persoonlijkheid van de auteur weergeven. Het mag niet zo zijn dat de meeste programmeurs tot hetzelfde resultaat zouden komen wanneer die met hetzelfde vraagstuk zouden worden geconfronteerd: de gemaakte keuzes zouden dan banaal zijn.
Om het voorbeeld te hernemen dat tijdens de debatten ter zitting werd genoemd: wie namaak van Het Verdriet van België wil aanvoeren, zal niet kunnen volstaan met de bewering dat n % van de tekst werd overgenomen, maar zal moeten aantonen dat onderdelen met originaliteit — en die dus auteursrechtelijke bescherming met zich meebrengen — werden gekopieerd, en niet louter ‘Hoofdstuk I’, ‘Hoofdstuk II’, enz.
Ook het feit dat bestaande software zou zijn aangepast middels ‘intellectuele inspanningen’ is niet voldoende: wat relevant is, zijn creatieve inspanningen die de persoonlijkheid van de maker weerspiegelen.
10.
BRUKER toont geen van deze noodzakelijke voorwaarden aan. De vordering kan daarom niet gegrond worden verklaard.
b. De auteursrechten op technische tekeningen en op de vormgeving van de hardware
11.
Verder meent BRUKER dat NEOSCAN en de heer [verweerder 2] haar auteursrechten zouden hebben geschonden op technische tekeningen op zichzelf, en op de vormgeving van de toestellen waartoe zij hebben geleid.
Deze ontwerpen zouden afkomstig zijn van de heer [verweerder 2], en zouden krachtens zin overeenkomst met BRUKER aan deze laatste toekomen.
12.
BRUKER voldoet niet aan haar steltplicht. Bij gebrek aan aanduiding van welke elementen origineel zouden zijn, en welke creatieve keuzes van de heer [verweerder 2] die zijn persoonlijkheid weergeven, kan geen originaliteit worden vastgesteld.
13.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat BRUKER via de omweg van het auteursrecht in werkelijkheid modellenbescherming beoogt, maar zonder daartoe de vereiste stappen te hebben genomen.
Modelbescherming enerzijds en auteursrechtelijke bescherming anderzijds streven echter fundamenteel verschillende doelstellingen na en zijn aan verschillende regelingen onderworpen. Modelbescherming heeft tot doel voorwerpen te beschermen die niet alleen nieuw en geïndividualiseerd zijn, maar daarnaast ook een utilitair karakter hebben en bedoeld zijn om op grote schaal te worden geproduceerd. Bovendien is deze bescherming gewoonlijk gedurende een beperkte, maar voldoende lange periode van toepassing om de investeringen die nodig zijn voor de creatie en vervaardiging van die voorwerpen te laten renderen, zonder de concurrentie echter al te zeer te belemmeren. De bescherming van het auteursrecht, waarvan de duur aanzienlijk langer is, is daarentegen voorbehouden aan voorwerpen die het verdienen om als werk te worden gekwalificeerd.15.
14.
Om aanspraak te kunnen maken op auteursrechtelijke bescherming voor relatief courant en functioneel ogende ontwerpen, zou BRUKER dus niet alleen aan haar stelplicht moeten voldoen, maar ook aantonen dat deze werken auteursrechtelijke bescherming ‘verdienen’.
c. De auteursrechten op ‘gerelateerde documenten’
15.
Ten slotte maakt BRUKER aanspraak op auteursrechtelijke bescherming van offertes en prijslijsten ‘aangezien ze oorspronkelijk zijn’.
16.
Offertes en prijslijsten zijn per definitie technische documenten, die op geen enkele wijze de persoonlijkheid van hun (niet geïdentificeerde) auteurs weergeven via creatieve keuzes. Integendeel, idealiter is de auteur ervan binnen een onderneming perfect inwisselbaar. Bovendien is het een louter technisch documenten, zodat de ‘keuzes’ die met de totstandkoming ervan gepaard zijn gegaan volstrekt niet creatief van aard zijn maar integendeel louter zijn ingegeven door functionele elementen.
Ook dit onderdeel van de vordering is ongegrond.
2. De bedrijfsgeheimen
17.
BRUKER verwijt NEOSCAN en de heer [verweerder 2] verder 57.000 bestanden te hebben gekopieerd, die zij als bedrijfsgeheimen aanmerkt.
18.
De globale massa van 57.000 bestanden kan onmogelijk dienen om de vordering in verband met bedrijfsgeheimen te ondersteunen. Het argument dat het ‘bovendien […] de bedoeling [is] dat deze informatie geheim blijft’ is irrelevant nu deze bestanden naar zeggen van BRUKER al gekopieerd werden.
Er kan dan ook enkel maar rekening worden gehouden met de specifieke onderdelen die BRUKER aanduidt, te weten vijf technische tekeningen en veertien codefragmenten.
19.
Krachtens artikel 1.17/1,1o van het Wetboek Economisch Recht is een bedrijfsgeheim informatie die:
- a)
geheim is in die zin dat zij, in haar geheel dan wel in de juiste samenstelling en ordening van haar bestanddelen, niet algemeen bekend is bij of gemakkelijk toegankelijk is voor personen binnen de kringen die zich gewoonlijk bezighouden met de desbetreffende soort informatie;
- b)
handelswaarde bezit omdat zij geheim is;
- c)
door de persoon die rechtmatig daarover beschikt is onderworpen aan redelijke maatregelen, gezien de omstandigheden, om deze geheim te houden.
20.
Samen met BRUKER neemt de rechtbank aan dat deze gegevens kunnen worden aangemerkt als bedrijfsgeheimen, gelet op de contractuele confidentialiteitsverplichting die erop rust en op de waarde van de informatie voor mogelijke concurrenten.
Dit geldt evenwel niet voor het ‘PCM-overzicht’ van januari 2015, dat gelet op het tijdsverloop niet duidelijk economische waarde heeft.
21.
Krachtens artikel XI.332/4, § 1 van het Wetboek Economisch Recht wordt de verkrijging van een bedrijfsgeheim zonder de toestemming van de houder ervan als onrechtmatig beschouwd wanneer de verkrijging gebeurde door middel van:
- 1o.
onbevoegde toegang tot of het zich onbevoegd toe-eigenen of kopiëren van documenten, voorwerpen, materialen, substanties of elektronische bestanden waarover de houder van het bedrijfsgeheim rechtmatig beschikt en die het bedrijfsgeheim bevatten of waaruit het bedrijfsgeheim kan worden afgeleid;
- 2o.
andere gedragingen die, gezien de omstandigheden, worden beschouwd als strijdig met de eerlijke handelspraktijken.
22.
De rechtbank kan echter niet vaststellen dat de heer [verweerder 2] zich onrechtmatig toegang zou hebben verschaft tot deze gegevens. Het was normaal dat hij er tijdens de duurtijd van zijn overeenkomst met BRUKER toegang toe had, meer zelfs: hij ligt in veel gevallen aan de oorsprong zelf van de gegevens. De datum van kopiename blijkt niet vlak voor het einde van de overeenkomst te liggen, zodat kan worden aangenomen dat deze bestanden stelselmatig werden gekopieerd in functie van hun nood voor zijn functioneren binnen de onderneming, en dus niet louter om zijn vertrek naar een nieuw op te richten concurrent voor te bereiden.
23.
Bij gebrek aan bewezen onbevoegde toegang of toe-eigening van bedrijfsgeheimen, is de vordering gesteund op een schending ervan ongegrond.
3. De databankrechten
24.
BRUKER meent dat NEOSCAN en de heer [verweerder 2] een inbreuk plegen op haar rechten als producent van een databank, namelijk het zogenaamde ‘PCM-overzicht’, dat zij definieert als ‘een databank die jaarlijks wordt opgemaakt en die informatie bevat over welk systeem verkocht wordt aan welke klant voor welke prijs, de leveringsdata, productieplanning enz. met betrekking tot het betrokken jaar’16. .
25.
Artikel artikel 1.13, 6o van het Wetboek Economisch Recht definieert het begrip ‘databank’, als een verzameling van werken, gegevens of andere zelfstandige elementen, systematisch of methodisch geordend, en afzonderlijk met elektronische middelen of anderszins toegankelijk.
Krachtens artikel XI.307 van dit Wetboek hebben producenten van databanken het recht de opvraging of het hergebruik van het geheel of van een in kwalitatief of kwantitatief opzicht substantieel deel van de inhoud van hun databanken te verbieden.
Krachtens artikel XI.306 is het recht van de producenten van databanken van toepassing op databanken in ongeacht welke vorm, waarvan de verkrijging, de controle of de presentatie van de inhoud in kwalitatief of kwantitatief opzicht getuigt van een substantiële investering.
26.
De vereiste investering moet betrekking hebben op de investering ten behoeve van de databank als zodanig, en meer concreet ten behoeve van het aanleggen van de databank als zodanig.17.
De investering in de verkrijging van de inhoud van een databank moet betrekking hebben op de middelen die worden aangewend om bestaande zelfstandige elementen te verkrijgen en in de databank te verzamelen, met uitsluiting van de middelen die worden aangewend voor het creeren van die elementen.18.
Het begrip investering in de controle van de inhoud van de databank heeft evenwel ook betrekking op de menselijke, technische of financiële middelen die worden aangewend voor de controle van de juistheid van de gezochte elementen tijdens het functioneren van de databank, teneinde de betrouwbaarheid van de informatie in deze databank te waarborgen.19.
Investering in de presentatie van de inhoud van de databank betreft de middelen die worden aangewend om de databank gegevens te kunnen laten verwerken, dus wat is gedaan met het oog op de systematische of methodische ordening van de in de databank opgenomen elementen, en de afzonderlijke toegankelijkheid daarvan.20.
Ook al vereisen het opzoeken van gegevens en het controleren van de juistheid ervan op het moment van samenstelling van de databank in beginsel niet dat de samensteller van deze databank bijzondere middelen aanwendt, aangezien het gaat om gegevens die hij te zijner beschikking heeft, neemt dit niet weg dat het verzamelen van deze gegevens, de systematische of methodische ordening ervan in de databank, de organisatie van de afzonderlijke toegankelijkheid en de controle van de juistheid gedurende de gehele periode waarin de databank functioneert, tot een in kwantitatief of kwalitatief opzicht substantiële investering kunnen nopen.21.
27.
Het PCM-overzicht voldoet aan de definitie van een ‘databank’.
Echter, de elementen die erin zijn opgenomen zijn de weergave van de loutere bedrijfsactiviteit. De bestanden hebben klaarblijkelijk geen ander doel dan het vastleggen van deze gegevens. Eenmaal vastgelegd is een verdere controle van de inhoud van deze bestanden niet waarschijnlijk. Het louter onderbrengen van deze gegevens in een gegevensbank niets meer dan een eenvoudig middel om de ontwikkeling van de bedrijfsactiviteit vast te leggen en overzichtelijk te maken.
28.
Het sui generis-recht dat artikel XI.306 van het Wetboek Economisch Recht aan de producenten van databanken toekent beschermt de investering die aan de uitbouw van een databank ten grondslag ligt, mits het gaat om een substantiële investering. Dit recht geldt daarom enkel voor databanken waarvan de verkrijging, de controle of de presentatie van de inhoud in kwalitatief of kwantitatief opzicht getuigt van een substantiële investering. Kennelijk vloeit de databank echter rechtstreeks voort uit de hoofdactiviteiten van BRUKER. Nu de gegevens een automatisch gevolg zijn (spin-off) van de activiteit, en er geen additionele investering vereist is, blijkt zelfs prima facie niet dat de databank in aanmerking komt voor bescherming onder het stelsel van artikel XI.306 van het Wetboek Economisch Recht.
29.
Ook dit onderdeel van de vordering moet worden afgewezen.
C. De tegenvordering
1. De slechtmaking
30.
Verder stellen NEOSCAN en de heer [verweerder 2] dat mededelingen die inhouden of suggereren dat de producten van NEOSCAN inbreuk maken op de rechten van BRUKER, zonder dat een rechter zich daarover ten gronde heeft uitgesproken én zonder onderscheid naar producten die niet eens met een vordering worden geviseerd, slechtmaking uitmaken.
Zij verwijst naar de brief van 4 november 2020, waarbij de moedervennootschap van BRUKER klanten aanschreef. Zoals vertaald door BRUKER zelf in conclusies22., schreef zij:
‘Gerechtelijke procedure tegen [verweerder 2] en Neoscan BVBA
Bruker Belgium NV heeft een gerechtelijke procedure ingeleid tegen [verweerder 2] en Neoscan BVBA wegens beweerde inbreuk van Bruker's intellectuele eigendomsrechten en ontvreemding van bedrijfsgeheimen.
[verweerder 2], de oprichter van SkySkan NV, dat werd overgenomen door Bruker in maart 2012, verliet het bedrijf in mei 2019 en heeft zijn nieuw, concurrerende business opgezet die werkt onder de naam Neoscan BVBA.
Het is de mening van Bruker dat de producten die Neoscan BVBA produceert en verdeelt intellectuele eigendom gebruiken die aan Bruker Belgium NV toebehoort.
De procedure ingeleid door Bruker Belgium NV tegen Neoscan BVBA en [verweerder 2] is hangende in de Antwerpse Ondernemingsrechtbank. Met deze procedure verzoekt Bruker een schadevergoeding en een verbod om de beweerde inbreukmakende goederen te produceren en verkopen door Neoscan BVBA.
Bruker kan niet garanderen dat er geen gevolgen zullen zijn door het vonnis voor klanten van Neoscan's producten en diensten.’.
31.
Zoals gezegd ging deze brief niet uit van BRUKER zelf. Zij neemt deze echter kennelijk voor haar rekening.
32.
Krachtens artikel VI.104 van het Wetboek Economisch Recht is elke met de eerlijke marktpraktijken strijdige daad waardoor een onderneming de beroepsbelangen van een of meer andere ondernemingen schaadt of kan schaden, verboden.
Slechtmaking is een bijzonder schadelijke aanval op een onderneming, waardoor afbreuk wordt gedaan aan haar reputatie of aan de reputatie van haar producten, diensten of activiteiten, door een lasterlijke of eerrovende daad, of zelfs door een eenvoudige kritiek die toelaat deze onderneming te identificeren.23.
33.
Hoewel in het bijzonder de laatste zin van deze brief een drempelvrees of chilling effect bij de potentiële klanten van NEOSCAN kan hebben veroorzaakt, voldoet deze communicatie, die voor het overige gebalanceerd en objectief is, niet aan de definitie van slechtmaking. Hier anders over oordelen zou in wezen onmogelijk maken dat een onderneming enige communicatie over een concurrent aan haar klanten zou richten. Zo'n per se-verbod is echter niet aan de orde.
Dit onderdeel van de tegenvordering is dan ook niet gegrond.
2. De informatie bij verzoek tot beslag inzake namaak
34.
NEOSCAN en de heer [verweerder 2] stellen dat BRUKER de rechtbank in haar verzoekschrift beslag inzake namaak andere en onjuiste informatie heeft bezorgd om een ruimer dan verantwoord beslag inzake namaak te verkrijgen. Zij zou ook eenzijdig contact hebben gehad met de deskundige, terwijl de rechtbank dat verboden had. Dit zou NEOSCAN op kosten hebben gejaagd en deze schade zou moet worden vergoed.
35.
De rechtbank stelt vast dat NEOSCAN en de heer [verweerder 2] geen schadevergoeding vordert, maar enkel het horen vaststellen dat BRUKER procesmisbruik heeft gepleegd.
Dit punt maakt, bij gebrek aan concreet gevolg dat zou worden beoogd, dan ook geen vordering uit in de zin van artikel 1138, 2o en 3o van het Gerechtelijk Wetboek.
V. De proceskosten
36.
Krachtens artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek verwijst ieder eindvonnis de in het ongelijk gestelde partij in de kosten. Krachtens artikel 1018, 6o van het Gerechtelijk Wetboek omvatten deze kosten de rechtsplegingsvergoeding.
Voor het berekenen van de rechtsplegingsvergoeding moet volgens artikel 2 van het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat, het bedrag van de (hoofd)vordering worden vastgesteld overeenkomstig de artikelen 557 tot 559, 561, 562 en 618, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek.
37.
Volgens deze regels is de vordering van BRUKER niet in geld waardeerbaar. Conform ditzelfde KB ligt de rechtsplegingsvergoeding vervat tussen € 97,50 en € 13.000,00, met een basisbedrag van € 1.560,00.
38.
Beide partijen begroten de rechtsplegingsvergoeding op het maximumbedrag.
39.
Gelet op de verhoudingen tussen hoofd- en tegenvordering moet BRUKER worden beschouwd als de partij die in het ongelijk wordt gesteld.
VI. Beslissing
Rechtdoende op tegenspraak en na erover te hebben beraadslaagd, komt de rechtbank tot volgende beslissing:
- —
zij verklaart de hoofdvordering toelaatbaar doch ongegrond en wijst ervan af,
- —
zij verklaart de tegenvordering toelaatbaar doch ongegrond en wijst ervan af,
- —
zij verwerpt alle andere en strijdige middelen als niet ter zake dienend,
- —
zij verwijst de NV BRUKER BELGIUM in de kosten van het geding, die door de BV NEOSCAN en de heer [verweerder 2] worden begroot, en door de rechtbank worden vereffend de rechtsplegingsvergoeding van € 13.000,00,
- —
zij veroordeelt de NV BRUKER BELGIUM tot betaling van de rolrechten van € 165,00 aan de FOD Financiën, na uitnodiging hiertoe.
Dit vonnis werd gewezen door de voorzitter van de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen:
F. BLOCKX, | rechter, waarnemend voorzitter, |
B. FRANCK, | griffier, |
en uitgesproken in openbare zitting op 10 november 2021 door de voorzitter, bijgestaan door de griffier.
B. Franck
F. Blockx
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 10‑11‑2021
Corr. Hasselt 16 februari 1999, IRDI 1999, 34.
F. DE VISSCHER en B. MICHAUX, Précis de droit d'auteur, Bruylant, 2000.
Zie HvJ 16 juli 2009, Infopaq I, C-5 / 08, ECLI:EU:C:2009:465, punten 35 en 36.
HvJ 16 juli 2009, Infopaq I, C-5 / 08, ECLI:EU:C:2009:465, punt 37.
HvJ 1 december 2011, Painer, C-145 / 10, ECLI:EU:C:2011:798, punten 88 en 89 en Cass. 31 oktober 2013 (C.12.263.N) met concl. adv.-gen. A. VAN INGELGEM.
HvJ 1 maart 2012, C-604/10, Football Dataco Ltd t Yahoo! UK Ltd,ECLI:EU:C:2012:115, punt 38.
Ibid., punt 33.
HvJ 22 december 2010, Bezpečnostní softwarová asociace, C-393 / 09, ECLI:EU:C:2010:816, punt 49.
Zie Antwerpen 24 maart 2021, IRDI 2021, (95) 100, punt 19.Vgl. Parijs 2 oktober 2018, PIBD 2018, afl. 1106, III-782; TGI Parijs 7 september 2017, PIDB 2017, afl. 1080, III-703; TGI Parijs 21 september 2017, PIBD 2017, afl. 1086, III-67; TGI Parijs 13 september 2013, PIDB 2013, afl. 995, III-1619 en TGI Parijs 3 oktober 2013, PIDB 2014, afl. 997, III-44 en, wat betreft modellen, HvJ 19 juni 2014, Karen Millen Fashions, C-345/13, ECLI:EU:C:2014:2013, punt 47, waar het Hof stelde dat de houder ‘moet aangeven in welk opzicht dat model een eigen karakter heeft, dat wil zeggen dat hij moet aangeven welk kenmerk of welke kenmerken van het betrokken model, volgens hem, dat model een eigen karakter geven’.
HvJ 11 juni 2020, Brompton, C-833/18, ECLI:EU:C:2020:461, punt 34.
Ibid., punt 35.
Zie Cass. fr. (civ 1) 15 mei 2015, ECLI:FR:CCASS:2015:C100536.
Zie Antwerpen 14 oktober 2021 (2016/AR/1318), p. 12, punt 10.
HvJ 12 september 2019, Cofemel, C-683/17, ECLI:EU:C:2019:721, punt 50.
Conclusies, p. 44, nr 75.
Zie HvJ 9 november 2004, Fixtures Marketing t Oy Veikkaus, C-46/02, ECLI:EU:C:2004:694, punt 33; HvJ 9 november 2004, British Horseracing t William Hill, C-203/02, ECLI:EU:C:2004:695, punt 30; HvJ 9 november 2004, Fixtures Marketing t Svenska Spel, C-338/02, ECLI:EU:C:2004:696, punt 23 en HvJ 9 november 2004, Fixtures Marketing t OPAP, C-444/02, ECLI:EU:C:2004:697, punt 39.
Zie dezelfde arresten, resp. punt 34, 31, 24 en 40.
Zie dezelfde arresten, resp. punt 37, 34, 27 en 43.
Zie HvJ 9 november 2004, Fixtures Marketing t Veikkaus, punt 40; HvJ 9 november 2004, HvJ 9 november 2004, Fixtures Marketing t Svenska Spel, punt 30 en HvJ 9 november 2004, Fixtures Marketing t OPAP, punt 43.
Zie HvJ 9 november 2004, Fixtures Marketing t Veikkaus, punt 40; HvJ 9 november 2004, British Horseracing t William Hill, punt 36; HvJ 9 november 2004, Fixtures Marketing t Svenska Spel, punt 30 en HvJ 9 november 2004, Fixtures Marketing t OPAP, punt 46.
p. 52, nr 85.
Zie Brussel 13 januari 1997, Jb Handelspraktijken & Mededinging 1997, 447; Brussel 9 juli 2010, JLMB 2011,1576; Gent 31 oktober 2011, Jb Marktpraktijken 2011, 514 en NJW 2012, 647 met noot R. STEENNOT; Brussel 3 september 2013, Jb Marktpraktijken 2013, 560; Brussel 15 maart 2016, Jb Marktpraktijken 2016, 347; Brussel 31 oktober 2016, Jb Marktpraktijken 2016, 420.