Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/3.6.1.2
3.6.1.2 De gemeentelijke schadevergoedingsverordeningen
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701976:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1929/30, 297, 3, p. 8. Volgens Notenboom, Antirevolutionaire Staatkunde 1934, p. 143 kende het voorontwerp van de herziening van 1931 wél een schadevergoedingsbepaling.
Het is dus niet uit onachtzaamheid dat de wetgever bij de Woningwetherziening van 1931 niet is overgegaan tot het opnemen van een schadevergoedingsbepaling, veeleer is de regering tot de conclusie gekomen dat een wettelijke regeling geen verbetering zou brengen ten opzichte van de toen bestaande praktijk (Van Poelje, De Nederlandse Gemeente 1954/26 (I), p. 286).
Voor voorbeelden verwijs ik naar: Schade en baat 1950, p. 13 e.v; Tak, NJB 1980, p. 653-667.
Van der Drift 1939, p. 68-75.
Kruseman 1932, p. 136-153. Het feit dat Tilburg de eerste was, wordt door een aantal auteurs (Van Poelje, De Nederlandse Gemeente 1954/26 (I), p. 287; Publicatie nr. LXVI van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw 1964, p. 56-57) gekoppeld aan het KB van 2 november 1923 (Stb. 1923, 516). Dat KB vernietigde een besluit van de gemeenteraad van Tilburg tot weigering van een bouwvergunning wegens strijdigheid met het algemeen belang. De rooilijn, op basis waarvan de bouwvergunning werd geweigerd, rooide immers meer dan de helft van het perceel van de aanvrager af.
Het doel van de enquête was niet alleen om inzicht te krijgen in het aantal schadevergoedingsverordeningen dat in zwang was, maar ook een beeld te krijgen van hun inhoud en praktijkwerking.
Voor een uitgebreide weergave en analyse van de uitkomst van de enquête verwijs ik kortheidshalve naar Van Poelje, De Nederlandse Gemeente 1954/26 (II), p. 310 e.v.
Publicatie nr. LXVI van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw 1964, p. 58.
In 1931 was de Woningwet wederom aan een herziening toe. In de Memorie van Toelichting somde de regering een aantal punten op die in het bijzonder tot die herziening noopte. De regering gaf aan dat vergoeding van schade wegens besluitvorming op grond van de Woningwet een van die punten was.1 Een veelbelovende aanzet voor een, op het oog, teleurstellende uitkomst. Een wettelijke schadevergoedingsbepaling kwam er immers wederom niet. De regering overwoog:
“Met betrekking tot de vraag, of onder zekere omstandigheden aan belanghebbenden bij de wet een recht op vergoeding van schade tengevolge van rooilijn, bouwverbod of uitbreidingsplan moet worden toegekend, zijn de ondergeteekenden tot de slotsom gekomen, dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord, omdat: 1°. het niet mogelijk is gebleken, de uiterst veelvormige praktijk onder een wettelijke regeling samen te vatten zóó, dat recht en praktijk tot hun recht komen; 2°. de praktijk van Gedeputeerde Staten, die tot beoordeeling van raadsbesluiten zijn geroepen, er al meer toe heeft geleid, dat zij als vroede mannen op benadeeling van belangen letten en de gemeentebesturen, zoo noodig, brengen tot redelijke vergoeding aan schade.”2
Volgens de regering was er dus reeds een praktijk tot stand gekomen waarbij Gedeputeerde Staten als ‘vroede mannen’ toezag op de toekenning van compensatie aan benadeelde burgers.3 De regering doelde op de praktijk van de gemeentelijke schadevergoedingsverordeningen.
Vanwege het steeds maar uitblijven van een wettelijke schadevergoedingsbepaling hield de Kroon steeds vaker overheidsbesluiten tegen. Een overheidsbesluit werd onder omstandigheden door de Kroon als onbillijk bestempeld indien hier geen schadevergoeding tegenover stond.4 Tal van gemeenten stelden daarom zelf schadevergoedingsverordeningen op.5 Die verordeningen voorzagen in schadevergoeding voor burgers die onevenredig zwaar getroffen waren door stedenbouwkundige maatregelen als bouwverboden, rooilijnbesluiten en uitbreidingsplannen. De gemeenten vulden zodoende de lacune die was gelaten door de wetgever.
De eerste gemeente die een dergelijke schadevergoedingsverordening opstelde, was de gemeente Tilburg (27 februari 1925).6 Nadien volgden de schadevergoedingsverordeningen zich in rap tempo op. Zo kenden Enschede, Eindhoven, Hengelo en (de voormalige gemeente) Hillegers-berg binnen enkele jaren ook een schadevergoedingsverordening. Om nog even in de statistieken te blijven: de VNG hield in 1953 een enquête teneinde nadere gegevens omtrent deze gemeentelijke schadevergoedingsverordeningen te verkrijgen.7 Daaruit bleek dat begin 1954 maar liefst 269 gemeenten een schadevergoedingsverordening hadden opgesteld. Het uitdrukkingspercentage (26,52%) doet wellicht meer recht aan het praktijkbeeld. Het absolute aantal vertekent namelijk enigszins omdat Nederland in 1954 1014 gemeenten had. Desalniettemin, ruim een vierde van het totaal aantal gemeenten kende begin 1954 een schadevergoedingsverordening.8 Uit het rapport van de Commissie inzake schadevergoedingsverordeningen blijkt dat er in 1962 nog eens 22 gemeenten waren bijgekomen.9